Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AB0707

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/6204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lisv had, gezien inwerkingtreding Wet Pemba en Wet REA, onderzoek moeten instellen naar reïntegratiemogelijkheden voor belanghebbende bij eiseres en/of haar zusterbedrijven.

Beroep van eiseres tegen toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering aan blh (werknemer van eiseres) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres is van mening dat belanghebbende in een andere functie te werk gesteld had kunnen worden/kan worden en hierover met verweerder geen overleg is geweest.

De rechtbank heeft moeten vaststellen dat de herhaalde verzoeken van eiseres niet tot enig nader onderzoek c.q. overleg met verweerder c.q. de arbeidsdeskundige(n) over mogelijke reïntegratie van belanghebbende hebben geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde de door eiseres gevraagde ontslagvergunning voor belanghebbende daaraan niet in de weg staan; de wet REA heeft het immers ook over hervatting in ander werk bij de werkgever en verder kan van de werkgever een extra inspanning worden gevraagd met het oog op werkhervatting. Eiseres was en is daartoe ook bereid.

Ook verweerders argument dat er kennelijk bij eiseres geen werk voorhanden was heeft de rechtbank niet overtuigd. Eiseres heeft juist gevraagd om nader overleg over (het zoeken naar) die mogelijkheden. Eiseres heeft er in dat verband op gewezen dat er wellicht bij een zusterbedrijf in de directe woonomgeving van belanghebbende een arbeidsplaats kon worden gevonden. Het stond derhalve niet bij voorbaat vast dat er geen reïntegratiemogelijkheden waren bij eiseres.

Bezien tegen de achtergrond van de per 1 januari 1998 inwerking getreden wet Pemba en per 1 juli 1998 inwerking getreden wet REA had naar het oordeel van de rechtbank van verweerder mogen worden verwacht dat voorafgaand aan het primaire besluit van 29 oktober 1998 onderzoek was ingesteld naar de reïntegratiemogelijkheden voor belanghebbende bij eiseres en/of één van haar zusterbedrijven.

Nu dat niet is gebeurd en verweerder ook naar aanleiding van de bezwaren van eiseres tegen dat primaire besluit geen -nader- onderzoek heeft ingesteld maar in het bestreden besluit heeft volstaan met de overweging dat door het AG-team voldoende activiteit is ontwikkeld met betrekking tot de mogelijke reïntegratie van belanghebbende, moet de conclusie luiden dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding ontbeert.

Strijd met 3:2 Awb, gegrond beroep.

Lisv, verweerder.

mr. J.J. Szauer-Bos

Wetsverwijzingen
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, geldigheid: 2001-02-19
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2001-02-19
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, geldigheid: 2001-02-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/6204

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A B.V., gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde: P,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: SFB te Amsterdam), verweerder.

Belanghebbende: X, wonende te Y.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 6 juli 1999, nummer F 58-0705-5185, waarbij het besluit van 29 oktober 1998, inhoudende onveranderde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de heer X van 80 tot 100%, is gehandhaafd.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft verweerder belanghebbende bericht dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid onverminderd is vastgesteld op 80 tot 100% en dat daarom besloten is de uitkering niet te herzien. Verweerder heeft eiseres, de werkgeefster van belanghebbende, een afschrift van dit besluit gezonden.

Tegen dit besluit is op 4 december 1998 door eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 21 juni 1999 een hoorzitting gehouden, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift mondeling toe te lichten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij ongedateerd schrijven, ontvangen op 29 juli 1999, is door eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij schrijven van 26 augustus 1999 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Belanghebbende, die in de gelegenheid is gesteld aan het geding deel te nemen, heeft bij schrijven van 6 januari 2000 zijn visie op de zaak gegeven.

Op 7 maart 2000 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gehouden, alwaar eiseres bij gemachtigde verschenen is.

Belanghebbende heeft desgevraagd zijn reactie kenbaar gemaakt op het hem toegezonden verslag van de comparitie van partijen.

Verweerder heeft op 5 juli 2000 het verslag van een op verzoek van de rechtbank ingesteld onderzoek door de arbeidsdeskundige ingezonden.

Het beroep is op 9 januari 2000 ter zitting behandeld.

Voor eiseres zijn verschenen P en Q.

Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Groot.

Belanghebbende is in persoon verschenen.

3. Motivering

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Belanghebbende is op 1 januari 1989 als timmerman I in dienst getreden van eiseres.

Op 16 september 1996 is belanghebbende als gevolg van een motorongeval arbeidsongeschikt geworden. Verweerder heeft belanghebbende met ingang van 15 september 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder te noemen: de AAW en de WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft verweerder belanghebbende, naar aanleiding van een herbeoordeling, meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 80 tot 100%. Een afschrift van dit besluit is gezonden aan eiseres, als zijnde de werkgeefster van belanghebbende.

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar aangetekend omdat zij van mening is dat belanghebbende eventueel in een andere functie te werk gesteld had kunnen c.q. kan worden, en hierover met verweerder geen overleg is geweest.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het namens eiseres ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. Standpunt eiseres.

Eiseres is van oordeel dat de arbeidsdeskundige met eiseres had moeten overleggen of er voor belanghebbende passend werk zou zijn te vinden binnen het bedrijf of bij een zusterbedrijf of bij een ander bedrijf buiten de onderneming.

De contacten die tussen eiseres en de arbeidsdeskundige van verweerder hebben plaatsgevonden zijn tot stand gekomen op initiatief van eiseres. Er heeft geen driehoeksoverleg tussen belanghebbende, eiseres en een arbeidsdeskundige plaats gevonden voorafgaand aan de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende.

3.2. Standpunt verweerder.

Naar verweerders mening is er door het AG-team voldoende activiteit ontwikkeld met betrekking tot de mogelijke reïntegratie van belanghebbende. Eiseres heeft aangegeven dat op dat moment geen concrete mogelijkheden tot herplaatsing waren.

3.3. Standpunt belanghebbende.

Naar het oordeel van belanghebbende is hij bij besluit van 29 oktober 1998 terecht voor 80 tot 100% afgekeurd. Of het overleg met zijn werkgeefster over zijn integratiemogelijkheden zorgvuldig is gebeurd kan hij niet beoordelen. Wel weet hij dat hij nog steeds veel hinder ondervindt van de gevolgen van het ongeval, diverse operaties ten spijt. Hij kan zich geen werkzaamheden voorstellen die hij nog zou kunnen.

3.4. Beoordeling van het beroep

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het onderzoek, dat geleid heeft tot het besluit waarbij belanghebbende onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt beschouwd, zorgvuldig is geweest.

De rechtbank heeft vastgesteld dat voorafgaand aan dat besluit slechts telefonisch contact is geweest tussen de arbeidsdeskundige en eiseres (op verzoek van eiseres) en dat geen verder onderzoek bij eiseres heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank alsnog een onderzoek bij eiseres en belanhebbende ingesteld, hetgeen heeft geleid tot een rapport van 20 juni 2000 van de arbeidsdeskundige R. Broenink.

In dit rapport is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat eiseres aangegeven heeft dat er in principe gedurende het jaar 1998 een mogelijkheid tot reïntegratie aanwezig was binnen de onderneming. In zijn rapport geeft de arbeidsdeskundige aan dat los daarvan staat of dit voor belanghebbende gezien zijn krachten en bekwaamheden een geëigende mogelijkheid zou zijn.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder evenbedoeld rapport nader toegelicht, zoals weergegeven in zijn pleitaantekeningen.

Kort gezegd komt het er op neer dat de primaire verantwoordelijkheid voor reïntegratie bij de werkgever ligt en dat naar de verschillende mogelijkheden destijds afdoende onderzoek is verricht. Er zijn ook geen medische gronden aangevoerd door eiseres voor haar stelling dat de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende onzorgvuldig is gebeurd.

Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat zij ook helemaal geen behoefte had op de hoogte te komen van c.q. bezwaar te maken tegen de medische beoordeling. Zij heeft echter tot driemaal toe getracht in een telefonisch onderhoud met de behandelend arbeidsdeskundige te weten te komen wat belanghebbende tengevolge van zijn beperkingen nog wel en wat hij niet meer zou kunnen.

Onder de gedingstukken bevindt zich een brief van 29 maart 1999 waarin de destijds behandelend arbeidsdeskundige gewag maakt van een drietal data waarop sprake zou zijn geweest van overleg; op 5 oktober 1998 (het eerste overleg) zou van de zijde van eiseres zijn gezegd dat er op dat moment geen (arbeids)mogelijkheden waren en is eiseres gewezen op haar WAGW-verplichtingen. Over (de inhoud van) het tweede overleg is niets bekend en in het derde overleg zou zijn gezegd dat er wellicht in de toekomst nog wel mogelijkheden zouden zijn.

Verder is er op gewezen dat inmiddels een ontslagvergunning voor belanghebbende was aangevraagd en verkregen.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres tijdens de hoorzitting van verweerder verklaard dat hem in deze contacten slechts is medegedeeld dat belanghebbende is afgekeurd als timmerman en dat over herplaatsing niet is overlegd. Hij heeft voorgelezen dat de arbeidsdeskundige heeft medegedeeld geen mogelijkheid tot reïntegratie te zien voor belanghebbende.

Eiseres ontkent eveneens dat de wet REA ooit ter sprake is gekomen.

Verder heeft eiseres stelselmatig ontkend dat het initiatief voor de telefonische contacten is uitgegaan van verweerder, zoals staat vermeld in de rapportage van het bezwaarteam Zwolle d.d. 6 juli 1999 en in het primaire besluit. De contacten zijn tot stand gekomen nadat door de heer Q, boekhouder bij eiseres, aan de arbeidskundige was gevraagd wat belanghebbende nog zou kunnen en aan welk soort functie men zou moeten denken. De heer Q heeft dit ter zitting bevestigd en er nogmaals op gewezen dat dit de gebruikelijke praktijk was in zaken bij de GAK-kantoren, waar vervolgens in een "driehoeksoverleg" de eventuele reïntegratiemogelijkheden plegen te worden besproken. Het verzoek om vergunning om belanghebbende te ontslaan had te maken met zijn functie van timmerman; zo kon eiseres een nieuwe timmerman aannemen.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder uiteraard niet gehouden is een arbeidskundig onderzoek (en dan specifiek een renregratie-onderzoek bij eigen werkgever) op dezelfde wijze te verrichten als de GAK-kantoren dit kennelijk - door middel van driehoeksoverleg- plegen te doen.

Dit laat echter onverlet dat (bijvoorbeeld ingevolge de op 1 juli 1998 inwerkinggetreden wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (wet REA)) ook verweerder de inschakeling in het arbeidsproces van een arbeidsgehandicapte als belanghebbende dient te bevorderen en moet onderzoeken of hervatting in eigen of ander werk bij de eigen werkgever mogelijk is.

In het onderhavige geval acht de rechtbank genoegzaam gebleken dat eiseres om een dergelijk onderzoek heeft gevraagd.

Verder acht de rechtbank, mede gelet op de toelichting die de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gegeven, nadat hij de arbeidsdeskundige om nadere uitleg had gevraagd, alleszins aannemelijk dat de lezing van eiseres over de antwoorden die haar boekhouder kreeg toen hij bij verweerder informeerde naar de arbeidsmogelijkheden van belanghebbende de juiste is.

Uit de toelichting van de arbeidskundige blijkt immers dat nader onderzoek naar herplaatsing bij eigen werkgever niet plaats vindt als beide partijen al aangeven hier weinig heil in te zien, en dat daarvoor destijds aanwijzingen aanwezig werden geacht, ook omdat belanghebbende dat zelf aangaf en hij, zoals hij ook ter zitting heeft verklaard, een "100% praktijkman" is, met weinig tot geen nadere opleiding. Als beide partijen twijfels uiten, aldus de toelichting, zal de arbeidsdeskundige al snel geneigd zijn een ander onderzoekspad in te slaan, te weten reïntegratie bij een andere werkgever c.q. schatting op theoretische functies.

In het onderhavige geval moet evenwel worden vastgesteld dat zich geen situatie heeft voorgedaan waarin (ook) eiseres geen heil zag in onderzoek naar reïntegratie van belanghebbende in haar bedrijf. Integendeel, zij heeft meermalen verzocht daarover meer duidelijkheid te kunnen krijgen, ook met het oog op de financiële konsekwenties die de vaststelling van belanghebbende's mate van arbeidsongeschiktheid voor haar, als werkgeefster, heeft in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 1998 van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (wet Pemba).

De rechtbank heeft op grond van de thans beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting moeten vaststellen dat de herhaalde verzoeken van eiseres niet tot enig nader onderzoek c.q. overleg met verweerder c.q. de arbeidsdeskundige(n) over mogelijke reïntegratie van belanghebbende hebben geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde de door eiseres gevraagde ontslagvergunning voor belanghebbende daaraan niet in de weg staan; de wet REA heeft het immers ook over hervatting in ander werk bij de werkgever en verder kan van de werkgever een extra inspanning worden gevraagd met het oog op werkhervatting. Eiseres was en is daartoe ook bereid.

Ook verweerders argument dat er kennelijk bij eiseres geen werk voorhanden was ("ook de werkgever zag geen mogelijkheden") heeft de rechtbank niet overtuigd. Eiseres heeft juist gevraagd om nader overleg over (het zoeken naar) die mogelijkheden. Eiseres heeft er in dat verband op gewezen dat er wellicht bij een zusterbedrijf in de directe woonomgeving van belanghebbende een arbeidsplaats kon worden gevonden. Het stond derhalve niet bij voorbaat vast dat er geen reïntegratiemogelijkheden waren bij eiseres.

Bezien tegen de achtergrond van de per 1 januari 1998 inwerking getreden wet Pemba en per 1 juli 1998 inwerking getreden wet REA had naar het oordeel van de rechtbank van verweerder mogen worden verwacht dat voorafgaand aan het primaire besluit van 29 oktober 1998 onderzoek was ingesteld naar de reïntegratiemogelijkheden voor belanghebbende bij eiseres en/of één van haar zusterbedrijven. Nu dat niet is gebeurd en verweerder ook naar aanleiding van de bezwaren van eiseres tegen dat primaire besluit geen -nader- onderzoek heeft ingesteld maar in het bestreden besluit heeft volstaan met de overweging dat door het AG-team voldoende activiteit is ontwikkeld met betrekking tot de mogelijke reïntegratie van belanghebbende, moet de conclusie luiden dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding ontbeert.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

gelast dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad f 450,-- vergoedt.

Gewezen door mw mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2001 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op