Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA9714

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
18-02-2002
Zaaknummer
WAO 00/8194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door drie arbeidsplaatsen in de omvang van slechts halve dagen zonder meer op te tellen bij de vier full-time arbeidsplaatsen, worden onvergelijkbare componenten bij elkaar geteld, waardoor een vertekend beeld wordt gegeven van eisers reële verdiencapaciteit.

Het Schattingsbesluit vereist dat bij de schatting wordt uitgegaan van tenminste drie verschillende functies. Deze functies dienen in zodanige omvang voor te komen dat niet sprake is van de in art. 3, lid 2 onder b van het Schattingsbesluit bedoelde functie die niet dan wel onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt.

Conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake, hanteert verweerder daarvoor de ondergrens van zeven arbeidsplaatsen. De ratio van deze bepalingen is dat de mogelijkheid om een functie te verwerven enige realiteitswaarde moet hebben, hetgeen niet het geval is wanneer niet een zeker aantal functies in voldoende omvang beschikbaar is.

In de (ook door verweerder gememoreerde) toelichting van de Staatssecretaris op het Schattingsbesluit wordt aangegeven dat tot volledige arbeidsongeschiktheid zou moeten worden geconcludeerd in al die gevallen waarin uitsluitend functies zouden kunnen worden geduid in exact dezelfde omvang als de maatmanfunctie. Het hanteren van een bandbreedte met betrekking tot de urenomvang van de geduide functies verhoogt daarom volgens de Staatssecretaris onder andere het realiteitsgehalte van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Het genoemde uitgangspunt van een zekere realiteitswaarde van de schatting, brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser weliswaar de functie van samensteller printplaten reëel zou kunnen verwerven, maar niet dat eiser in die functie een reële full-time verdiencapaciteit heeft, nu deze functie immers slechts vier arbeidsplaatsen vertegenwoordigt die een loon opleveren in een omvang die binnen de bandbreedte valt van de omvang van eisers maatman. Dat wordt niet anders door de constatering dat die functie in elk geval ook full-time voorkomt, zoals verweerders vertegenwoordiger ter zitting heeft opgemerkt. Het gaat er immers om dat ten minste zeven arbeidsplaatsen zijn te duiden alvorens een functie kan worden meegeteld bij de bepaling van te duiden functies. Door de drie arbeidsplaatsen in de omvang van slechts halve dagen -derhalve zeker niet binnen de bandbreedte van de omvang van eisers maatman- zonder meer op te tellen bij de vier full-time arbeidsplaatsen, telt verweerder onvergelijkbare componenten bij elkaar op, waardoor een vertekend beeld wordt gegeven van eisers reële verdiencapaciteit.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser onvoldoende functies heeft geduid om tot schatting te kunnen overgaan.(....)

Beroep gegrond en bestreden besluit vernietigd.

Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mr. M.I. Lammertsma-van der Heij

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2000-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: WAO 00/8194

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr H.A. van der Kleij, werkzaam bij bureau Rechtshulp te Zwolle,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: Gak Nederland bv, kantoor Zwolle), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 4 juli 2000, nummer BZ-019.031.14.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 mei 1999 heeft verweerder besloten de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 18 juli 1999 in te trekken omdat eiser ingaande die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van die wet.

Tegen dit besluit is op 3 augustus 1999 een bezwaarschrift ingediend, aangevuld bij brief van 17 september 1999.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 20 oktober 1999 een hoorzitting gehouden, waarbij eiser en zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld om het bezwaarschrift tegenover de commissie bezwaar en beroep mondeling toe te lichten.

De bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel heeft, na inlichtingen te hebben ingewonnen bij de behandelende sector, de belast-

baarheid van eiser opnieuw vastgesteld respectievelijk aangepast en daaromtrent op 3 januari 2000 aan verweerder gerapporteerd.

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 17 februari 2000 een rapport overgelegd van prof dr J.J. van Overbeeke, neurochirurg te Tilburg.

De bezwaararbeidsdeskundige P.R. Zwaan heeft nader onderzoek verricht en geconcludeerd dat eiser ongeschikt is voor de aanvankelijk geduide functies en geschikt is voor andere functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daaromtrent op 21 maart 2000 aan verweerder gerapporteerd.

Bij brief d.d. 27 maart 2000 heeft de bezwaararbeidsdeskundige eisers gemachtigde van een en ander op de hoogte gesteld.

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 29 mei 2000 gereageerd op laatstgenoemde brief van 27 maart 2000.

De bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel heeft bij rapportage d.d. 29 juni 2000 gereageerd op het gestelde in de brief d.d. 29 mei 2000 van eisers gemachtigde.

Op 30 juni 2000 heeft de commissie bezwaar en beroep advies uitgebracht.

Vervolgens is het bezwaarschrift conform het advies van genoemde commissie bij het bestreden besluit gegrond verklaard en is besloten eisers WAO-uitkering met ingang van 28 mei 2000 in te trekken.

Op 11 augustus 2000 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Desgevraagd heeft verweerder bij schrijven d.d. 17 oktober 2000 meegedeeld van oordeel te blijven dat eisers mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd op minder dan 15% dient te worden beoordeeld. Tevens is een ontbrekend stuk ingezonden en een vraag van de rechtbank beantwoord.

Het beroep is op 13 december 2000 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder, ambtshalve opgeroepen, heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr F. Ernens.

3. Motivering

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de vraag of eiser op en na 28 mei 2000 geschikt was de hem door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies uit te oefenen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was als afwasser in dienst van C te B. Eiser heeft per 7 juli 1997 uit deze dienstbetrekking ontslag genomen. Hij zou per 14 juli 1997 gaan werken bij AH distributiecentrum via uitzendbureau ASB.

Hij heeft zich echter op 11 juli 1997 ziek gemeld in verband met arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een hem overkomen ongeval waarbij hij, rijdend op zijn fiets, door een auto is aangereden.

Verweerder heeft op 9 juli 1998 besloten eiser met ingang van 10 juli 1998 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

De verzekeringsarts W.A. Hupkes heeft, na kennisneming van informatie uit de behandelende sector, op 10 december 1998 de belastbaarheid van eiser vastgesteld en daaromtrent aan verweerder gerapporteerd.

De arbeidsdeskundige C.G.M. Reimert heeft eiser op 23 april 1999 gesproken, hem functies geduid waarvoor hij geschikt werd geacht en daaromtrent op 14 mei 1999 aan verweerder gerapporteerd.

3.1. Wettelijk / juridisch kader

Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is ingevolge het bepaalde in artikel 18 van die wet, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge het achtste lid van artikel 18 van de WAO kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

Het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (AMvB van 24 december 1997, Stb. 1997, 801, verder te noemen: het Schattingsbesluit) geeft deze nadere regels.

Artikel 3, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de door de in artikel 2 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid.

Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder a wordt bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18 van de WAO uitgegaan van die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkenen per uur het meest kan verdienen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder b blijft bij de toepassing van onderdeel a de functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt buiten beschouwing.

Artikel 4, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat de in artikel 3 onder a bedoelde arbeid nader dient te worden omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze functies dienen tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen.

Bij Besluit uurloonschatting 1999 (Lisv-besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40) heeft verweerder nader aangegeven op welke wijze bij de berekening van de verdiencapaciteit rekening wordt gehouden met de urenomvang van de zogenaamde maatman.

3.2. Standpunt eiser.

Namens eiser is, kort samengevat, naar voren gebracht dat eiser ten onrechte minder dan 15% arbeidongeschikt is geoordeeld, gelet op de uitkomsten van het zijdens eiser in bezwaar overgelegde rapport van het Neuro-Orthopaedisch Centrum (verder te noemen: het NOC) d.d. 23 december 1999.

3.3. Standpunt verweerder.

Verweerder is van oordeel dat eiser wel minder dan 15% arbeidsongeschikt is. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na kennisname van het NOC-rapport, inlichtingen ingewonnen bij de neuroloog en orthopaed, welke informatie er toe heeft geleid dat het eerder opgestelde belastbaarheidspatroon niet is gehandhaafd. Op basis van het nieuw opgestelde belastbaarheidspatroon zijn er voor eiser vier geschikte functies geduid.

Naar aanleiding van de door de rechtbank bij schrijven d.d. 17 oktober 2000 gestelde vragen, heeft verweerder bij schrijven d.d. 17 november 2000 middels een bijgevoegd commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige d.d. 8 november 2000, geantwoord dat de functie van chauffeur inderdaad afvalt omdat eiser geen rijbewijs heeft. Naar het oordeel van verweerder resteren er evenwel nog drie en derhalve voldoende functies ook al bestaan er in één van deze drie functies niet 7 full-time arbeidsplaatsen.

3.4. Beoordeling van het beroep

Gelet op het bepaalde in artikel 18 van de WAO zijn bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet, twee aspecten van belang, te weten:

- of de betrokkene beperkingen heeft, die een rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken (de medische component);

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met gangbare arbeid een inkomen te verwerven (de arbeidsdeskundige component).

Voor wat betreft het medische gedeelte van de beoordeling, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het voor eiser na bezwaar opgestelde belastbaarheidspatroon niet juist is.

Terecht is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn commentaar op het beroepschrift opgemerkt, dat het bij de beoordeling van het arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de AAW/WAO niet gaat om een beoordeling als waar het bij een letselschadeverzekering om gaat. Niet de gezondheid is verzekerd doch het verdienvermogen.

Voor wat betreft de aanduidingen in het NOC-rapport van de voor eiser aan de orde zijnde beperkingen terzake van de schouderfunctie en de kniefunctie, heeft de rechtbank vastgesteld, dat uit het na bezwaar opgemaakte rapport d.d. 3 janauri 2000 van de bezwaarverzekeringsarts en het opgestelde belastbaarheidspatroon blijkt, dat verweerder met de in het NOC-rapport genoemde beperkingen terzake van schouders en knieën rekening heeft gehouden. Terzake van resterende hoofdpijnklachten zijn geen specifieke beperkingen opgesteld, doch voor eiser is werk geduid dat gen grote fysieke inspanning eist.

Met betrekking tot de arbeidskundige component overweegt de rechtbank het volgende.

In het Schattingsbesluit wordt in artikel 3, eerste lid voorgeschreven dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatman. In de toelichting op het Schattingsbesluit wordt dit enigszins genuanceerd: uitgangspunt is ongeveer de urenomvang vam de maatmanfunctie.

Gelet op deze nuancering hanteert verweerder, blijkens de Bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999, een zekere "bandbreedte".

Dit betekent dat verweerder, al naar gelang de urenomvang van de maatmanfunctie, functies duidt die drie, vier of vijf uren meer bevatten.

In een geval als van eiser, wiens maatman de full-time werkende is, zal verweerder in eerste instantie trachten drie full-time functie(code)s te duiden. Indien binnen één code niet tenminste zeven arbeidsplaatsen full-time zijn te vinden, zal verweerder bezien of het FIS-systeem part-time functies vindt met voldoende (aanvullende) arbeidsplaatsen. Indien op die manier sprake is van een combinatie van functies op en onder de bandbreedte, is de zogenaamde "reductiefactor" 1, dat wil zeggen dat geen reductie van het mediaanloon plaatsvindt.

Ook in het geval van eiser is aldus gehandeld. Naast de functies van bloemist/verspener en monteur -die beiden in een full-time functie ten minste 7 arbeidsplaatsen bevatten- is voor eiser de functie van samensteller printplaten, functiecode 8538 geduid. In deze functiecode komt één full-time functie voor, die vier arbeidsplaatsen vertegenwoordigt alsmede één functie in een omvang van 19 uur per week, die drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigt.

Naar de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft meegedeeld, gaat verweerder ervan uit dat deze functie aldus voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt nu deze functie ook full-time voorkomt.

De rechtbank oordeelt terzake als volgt.

Het Schattingsbesluit vereist dat bij de schatting wordt uitgegaan van tenminste drie verschillende functies. Deze functies dienen in zodanige omvang voor te komen dat niet sprake is van de in artikel 3, lid 2 onder b van het Schattingsbesluit bedoelde functie die niet dan wel onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt. Conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake, hanteert verweerder daarvoor de ondergrens van zeven arbeidsplaatsen.

De ratio van deze bepalingen is dat de mogelijkheid om een functie te verwerven enige realiteitswaarde moet hebben, hetgeen niet het geval is wanneer niet een zeker aantal functies in voldoende omvang beschikbaar is.

In de (ook door verweerder gememoreerde) toelichting van de Staatssecretaris op het Schattingsbesluit wordt aangegeven dat tot volledige arbeidsongeschiktheid zou moeten worden geconcludeerd in al die gevallen waarin uitsluitend functies zouden kunnen worden geduid in exact dezelfde omvang als de maatmanfunctie. Het hanteren van een bandbreedte met betrekking tot de urenomvang van de geduide functies verhoogt daarom volgens de Staatssecretaris onder andere het realiteitsgehalte van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Het genoemde uitgangspunt van een zekere realiteitswaarde van de schatting, brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser weliswaar de functie van samensteller printplaten reëel zou kunnen verwerven, maar niet dat eiser in die functie een reële full-time verdiencapaciteit heeft, nu deze functie immers slechts vier arbeidsplaatsen vertegenwoordigt die een loon opleveren in een omvang die binnen de bandbreedte valt van de omvang van eisers maatman. Dat wordt niet anders door de constatering dat die functie in elk geval ook full-time voorkomt, zoals verweerders vertegenwoordiger ter zitting heeft opgemerkt. Het gaat er immers om dat ten minste zeven arbeidsplaatsen zijn te duiden alvorens een functie kan worden meegeteld bij de bepaling van te duiden functies. Door de drie arbeidsplaatsen in de omvang van slechts halve dagen -derhalve zeker niet binnen de bandbreedte van de omvang van eisers maatman- zonder meer op te tellen bij de vier full-time arbeidsplaatsen, telt verweerder onvergelijkbare componenten bij elkaar op, waardoor een vertekend beeld wordt gegeven van eisers reële verdiencapaciteit.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het geval van eiser onvoldoende functies heeft geduid om tot schatting te kunnen overgaan.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu niet is voldaan aan het vereiste in artikel 3, eerste lid van het Schattingsbesluit.

De rechtbank ziet in de vernietiging van het bestreden besluit voldoende aanleiding om te komen tot een veroordeling van verweerder tot vergoeding van de proceskosten op basis van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht. De rechtbank stelt het bedrag op f.1420,-- (2 punten, wegingsfactor 1).

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad f. 60,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op f. 1420,--.

Gewezen door mw mr. M.I. Lammertsma-v.d. Heij en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2000 in tegenwoordigheid van mw G. Ballast als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op