Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA9692

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5780 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding van kosten van expertiserapport door eigen medisch deskundige, gemaakt in de bezwaarfase, welk rapport ook in de beroepsfase een essentiële rol heeft gespeeld.

Besluit van verweerder tot verlaging van WAO-uitkering door de rechtbank vernietigd omdat uit rapport van door de rechtbank benoemde deskundige is gebleken dat eiser niet in staat is de hem geduide functies te vervullen.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten verbonden aan de expertise van de door hemzelf in de bezwaarfase ingeschakelde dr. Reidsma, en die van zijn medisch adviseur en van zijn huisarts. Verweerder heeft zich daartegen nadrukkelijk verzet.

In casu is niet (expliciet) verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, doch om vergoeding van kosten van de medische expertise. De jurisprudentie waarop verweerder doelt heeft echter, hoewel daarin veelal de kosten van rechtsbijstand aan de orde zijn, betrekking op alle proceskosten, zoals o.a. ook blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd in JB 1995/47, alsmede in AB 1995, 233. Het rapport van dr. Reidsma is opgemaakt tijdens de bezwaarfase, en is ook in die fase in de procedure ingebracht door eiser. Verweerder heeft in die fase dat rapport ook laten beoordelen door de bezwaarverzekeringsarts H.J. Hiemstra.

Daarmee is echter naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie gerechtvaardigd dat hier (louter) sprake is van kosten gemaakt in de bestuurlijke voorprocedure als bedoeld in opgemelde jurisprudentie. Anders dan de kosten van rechtsbijstand, die exact kunnen worden toegerekend aan een bepaalde fase in de procedure, heeft het onderhavige rapport tevens een rol gespeeld in de procedure ten overstaan van de rechtbank

Eiser heeft -zoals begrijpelijk is- het rapport tevens ingebracht in de beroepsfase, in welke fase dat rapport voor de rechtbank aanleiding is geweest om een nadere rapportage aan dr. Soeters te vragen.

Er is in casu derhalve geen sprake van kosten, welke louter aan de bezwaarfase zijn toe te rekenen. Het rapport heeft tevens een essentiële rol gespeeld in de procedure ten overstaan van de rechtbank Indien eiser het rapport ten eerste male in de beroepsfase had ingebracht, zouden de kosten ook vergoed zijn. Vanuit proceseconomisch oogpunt bezien heeft eiser de juiste proceshouding getoond door zijn grieven in een vroegtijdig stadium te concentreren, geadstrueerd door het op zijn verzoek opgestelde rapport, daarbij het risico lopend dat de kosten van het rapport niet vergoed zouden worden. De kosten van het rapport komen derhalve voor vergoeding in aanmerking (forfaitair bedrag van f. 116,60 per uur). (...)

Voor wat bertreft de nota's van de medisch adviseur van de huisarts gaat het om met name in de bezwaarfase vallende nota's inzake algemene advisering en becommentariëring van de diverse medische rapportages. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eiser alsmede zijn gemachtigde in een procedure als de onderhavige bij tijd en wijle behoefte hebben aan medische advisering, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige advisering geen essentiële bijdrage aan de besluitvorming heeft geleverd.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mr. E.W. Akkerman

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2000-12-20
Besluit proceskosten bestuursrecht, geldigheid: 2000-12-20
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2000-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

AWB 99/5780 WAO

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

nr.: AWB 99/5780 WAO

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser, gemachtigde: mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer, en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling GUO), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 juni 1999.

2. Zitting

Datum: 14 november 2000.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Leerink voornoemd, alsmede door zijn echtgenote.

Verweerder heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser ontving sedert 4 januari 1989 een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 13 april 1997 het aan eisers WAO-uitkering ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidspercentage met ingang van 13 januari 1998 nader -verlaagd- vastgesteld op 35-45%. In dat kader zijn door verweerder aan eiser een aantal functies voorgehouden, welke hij naar het oordeel van verweerder nog zou kunnen verrichten.

Namens eiser is tegen dat besluit bezwaar aangetekend.

In de bezwaarprocedure heeft eiser een op zijn verzoek door psychiater L.G. Reidsma, psychiater te Beilen, opgesteld rapport, gedateerd 30 december 1998, ingebracht, waarin geconcludeerd wordt dat van eiser nauwelijks enige arbeidsinzet verwacht kan worden, en dat eiser 80-100% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

Verweerder heeft, na bestudering van de rapportage van dr. Reidsma. bij het thans bestreden besluit d.d. 16 juni 1999 zijn primaire standpunt gehandhaafd.

Op verzoek van de rechtbank heeft dr. R.P. Soeters, psychiater te Zwolle, op 14 maart 2000 een rapportage over eiser uitgebracht.

4. Motivering

In dit geding is de vraag aan de orde, of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten eisers WAO-uitkering nader te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Meer in het bijzonder spitst het geding zich daarbij toe op de vraag of eiser in staat is een aantal hem met name genoemde functies te verrichten.

Het door eiser in de bezwaarfase geproduceerde rapport van de psychiater Reidsma is voor verweerder, overigens conform een advies van de bezwaarverzekeringsarts S.J. Hiemstra, geen aanleiding geweest het bezwaar gegrond te verklaren.

De rechtbank heeft in de stellige conclusies, die in het rapport van dr. Reidsma worden getrokken, aanleiding gezien psychiater dr. Soeters te verzoeken een nadere expertise inzake eiser uit te brengen.

Laatstgenoemde concludeert in zijn rapportage d.d. 14 maart 2000 onder meer dat eiser op grond van het psychiatrisch toestandsbeeld ernstig beperkt is in zijn totale functioneren en per 13 januari 1998 niet in staat moet worden geacht tot het verrichten van de functies, die hem door de arbeidsdeskundige zijn voorgehouden.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief d.d. 9 juni 2000 laten weten geen commentaar te hebben op de rapportage van dr. Soeters.

De rechtbank is van oordeel dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de conclusies van dr. Soeters, mede gelet op de rapportage van dr. Reidsma, die tot soortgelijke conclusies komt. Zijdens verweerder is ook geen nader verweer gevoerd tegen de rapportage van dr. Soeters.

Nu het er voor gehouden moet worden dat eiser niet in staat is de hem geduide functies te vervullen, kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, waaronder de kosten verbonden aan de expertise van dr. Reidsma, en die van eisers medisch adviseur, de huisarts J.M. van den Hatert.

Verweerder heeft zich nadrukkelijk verzet tegen de vergoeding van de artsenkosten, aangezien conform de jurisprudentie de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase in beginsel voor rekening van de betrokkene moeten blijven, en slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het bestuursorgaan tegen beter weten in een besluit heeft genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Primair zij opgemerkt dat in casu niet (expliciet) is verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, doch om vergoeding van kosten van de medische expertise.

De jurisprudentie waarop verweerder doelt heeft echter, hoewel daarin veelal de kosten van rechtsbijstand aan de orde zijn, betrekking op alle proceskosten, zoals o.a. ook blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd in JB 1995/47, alsmede in AB 1995/233.

Het rapport van dr. Reidsma is opgemaakt tijdens de bezwaarfase, en is ook in die fase in de procedure ingebracht door eiser. Verweerder heeft in die fase dat rapport ook laten beoordelen door de bezwaarverzekeringsarts H.J. Hiemstra.

Daarmee is echter naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie gerechtvaardigd dat hier (louter) sprake is van kosten gemaakt in de bestuurlijke voorprocedure als bedoeld in opgemelde jurisprudentie. Anders dan de kosten van rechtsbijstand, die exact kunnen worden toegerekend aan een bepaalde fase in de procedure, heeft het onderhavige rapport tevens een rol gespeeld in de procedure ten overstaan van de rechtbank.

Eiser heeft -zoals begrijpelijk is- het rapport tevens ingebracht in de beroepsfase, in welke fase dat rapport voor de rechtbank aanleiding is geweest om een nadere rapportage aan dr. Soeters te vragen.

Er is in casu derhalve geen sprake van kosten, welke louter aan de bezwaarfase zijn toe te rekenen. Het rapport heeft tevens een essentiële rol gespeeld in de procedure ten overstaan van de rechtbank. Indien eiser het rapport ten eerste male in de beroepsfase had ingebracht, zouden de kosten ook vergoed zijn. Vanuit proceseconomisch oogpunt bezien heeft eiser de juiste proceshouding getoond door zijn grieven in een vroegtijdig stadium te concentreren, geadstrueerd door het op zijn verzoek opgestelde rapport, daarbij het risico lopend dat de kosten van het rapport niet vergoed zouden worden.

De kosten van het rapport komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de regelgeving komt terzake aan eiser een forfaitair bedrag toe van f 116,60 per door dr. Reidsma besteed uur. Zijdens eiser is slechts een nota zonder urenspecificatie ingediend ter grootte van f 850,--.

Eisers gemachtigde heeft ter zitting medegedeeld bereid te zijn een nadere urenspecificatie op te vragen. De rechtbank acht echter, uitgaande van deze bedragen, een tijdsbesteding van ruim 7 uren niet onredelijk, zodat het bedrag van f 850,-- zal worden toegewezen.

Door eiser is tevens verzocht om vergoeding van de kosten van de medisch adviseur J.M. van den Hatert, alsmede van een nota van eisers huisarts J.J.C. Numan. Het betreft hier diverse met name in de bezwaarfase vallende nota's inzake algemene advisering en becommentariëring van de diverse medische rapportages. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eiser alsmede zijn gemachtigde in een procedure als de onderhavige bij tijd en wijle behoefte hebben aan medische advisering, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige advisering geen essentiële bijdrage aan de besluitvorming heeft geleverd.

Voor vergoeding komen, gelet op artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in aanmerking de kosten verbonden aan de aan eiser verleende rechtsbijstand in de beroepsfase, welke worden begroot op f 1420,--.

Tevens dient verweerder, gelet op artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht, aan eiser het griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt derhalve als volgt.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f 2270,--;

Gelast dat verweerder aan eiser het gestorte griffierecht ad f 60,-- vergoedt.

Gewezen door mr. E.W. Akkerman, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2000 in tegenwoordigheid van W. Nijhuis als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op 20 december 2000