Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA9179

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
07.230022.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.230022-00

Uitspraak: 28 december 2000

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op 2 oktober 1983 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres] [nummer],

thans verblijvende in een Forensisch Orthopedagogisch Centrum.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 14 september 2000 en op 21 december 2000. Bij beide terechtzittingen zijn verschenen de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.A. Bos, advocaat te Urk.

De officier van justitie, mr. M.W. van der Borg, heeft ter terechtzitting van 21 december 2000 haar ter terechtzitting van 14 september 2000 geformuleerde eis gewijzigd in die zin dat zij thans - met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht - terzake het subsidiair ten laste gelegde heeft gevorderd de veroordeling van verdachte tot primair een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging en subsidiair een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de teruggave aan verdachte van de onder de nummers 1, 9, 10, 11, 13 en 14 op de beslaglijst vermelde voorwerpen en onttrekking aan het verkeer van de overige op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt gewijzigde tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank neemt over hetgeen zij in haar vonnis d.d. 28 september 2000 reeds over het bewijs heeft overwogen, te weten:

De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Verdachte heeft een en ander maal ontkend betrokken te zijn geweest bij de dood van Ankie Blommaert.

De rechtbank stelt echter vast dat tegenover deze stelselmatige ontkenning het navolgende bewijs voorhanden is:

1. verdachte heeft met Ankie in de nacht van haar verdwijning het laatst persoonlijk contact gehad; tijdens hun scooterrit is er onderweg geen ontmoeting of enig ander voorval geweest dat op betrokkenheid van een ander dan verdachte zou kunnen duiden;

2. verdachte heeft een brief geschreven gericht aan 'Beste [derde]' met daarin de aanzegging die [derde] op soortgelijke wijze om het leven te zullen brengen als ook Ankie door zijn toedoen was overkomen, welke beschrijving spoort met de bevindingen van de patholoog-anatoom Van Ingen en welke informatie verdachte op geen enkele andere wijze bekend kon zijn dan uit eigen wetenschap en dus als 'dader-wetenschap' moet worden aangemerkt; de verklaring van verdachte dat hij deze wetenschap van [de derde] heeft, is ongeloofwaardig gelet op de verklaringen van [de derde] en van haar zus;

3. ter terechtzitting heeft de getuige [getuige1] verklaard verdachte meermalen te hebben gevraagd of hij had gedaan waarvan hij werd verdacht, waarop verdachte uiteindelijk er zijn spijt over had uitgesproken;

4. verdachte heeft kennelijk gelogen over zijn alibi vanaf het moment dat hij naar eigen zeggen Ankie had afgezet in de buurt van het Spiek te Lelystad, door aanvankelijk in strijd met de waarheid te verklaren dat hij café Tanja had bezocht;

5. verdachte heeft kennelijk gelogen over het schrijven van de onder 2 bedoelde brief, door dit schrijven aanvankelijk in strijd met de waarheid te ontkennen.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de onder 4 en 5 bedoelde kennelijke leugens van verdachte worden opgevat als te zijn bedoeld om de waarheid te bemantelen, welke kennelijke leugenachtigheid mitsdien aan het bewijs kan bijdragen.

Het feit dat verdachte kennelijk heeft gelogen over zijn alibi maakt dat ook zijn overige verklaringen over zijn bezigheden in de bewuste nacht geen geloof verdienen. Dit klemt temeer nu uit de verklaring van de getuige [getuige 2] voortvloeit dat verdachte daar geen geheel verduisterd huis kan hebben aangetroffen en aldus geen reden kan hebben gehad om daarom geen bezoek meer aan deze getuige af te leggen, zoals door verdachte als onderdeel van zijn alibi verklaard.

Voor het overige wordt de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict bevestigd door een overeenkomstig schoenspoor.

Aan het bewijs kan niet afdoen dat op de plaats delict een verder niet te identificeren pluk haar is gevonden, aangezien die vondst uiteraard niets zegt over aanwezigheid van een ander dan verdachte op de plaats delict ten tijde van het misdrijf.

Tenslotte kunnen evenmin aan het bewijs afdoen de waarnemingen van enkele getuigen als zou Ankie ook nog na de nacht van 24 op 25 maart 2000 in levende lijve zijn waargenomen, aangezien deze waarnemingen veel te ongespecificeerd zijn om voor waar te kunnen worden aangenomen.

De rechtbank acht daarmede wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Subsidiair:

Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank heeft zich bij vonnis d.d. 28 september 2000 onvoldoende geïnformeerd geacht omtrent de persoon van verdachte om een adequate beslissing te kunnen nemen omtrent het al dan niet toepassen van het meerderjarigenstrafrecht (en daarmee omtrent de toe te passen sanctie) in combinatie met eventueel een - al dan niet gedwongen - behandeling in psychiatrische dan wel psychologische zin. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en terstond geschorst, waarna zij de zaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, voor het doen uitbrengen van een rapport betreffende verdachte door het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van een rapport, uitgebracht door het Pieter Baan Centrum op 19 december 2000, welk rapport is opgesteld door C.M. van Deutekom, psychologe, en P.K.J. Ronhaar, psychiater.

Uit voornoemd rapport d.d. 19 december 2000 blijkt dat verdachte gedurende zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum in de diverse gesprekscontacten heeft geweigerd zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen. Verdachte wekte in geen enkel opzicht de indruk dat hij nog terug zou komen op zijn weigering. Er waren geen aanwijzingen dat zijn weigering voortkwam uit onbegrip met betrekking tot de procedures en evenmin was er sprake van ernstige psychiatrische problematiek, zoals bijvoorbeeld het hebben van wanen of hallucinaties. Onder deze omstandigheden is het voor het onderzoekend team niet mogelijk geweest onderzoek te verrichten naar de geestvermogens van verdachte en de in het vonnis van 28 september 2000 opgenomen vraagstelling te beantwoorden.

Aldus dient de rechtbank thans zonder uitgebreide rapportage van het Pieter Baan Centrum tot een oordeel te komen omtrent de op te leggen straf of maatregel.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

* een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 27 april 2000 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

* twee rapporten betreffende verdachte van respectievelijk 27 april 2000 en 22 juni 2000, uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Lelystad;

* een psychiatrisch rapport betreffende verdachte d.d. 12 september 2000,

* uitgebracht door drs. M.A. Westenborg, psychiater;

* een psychologisch rapport betreffende verdachte d.d. 12 september 2000, uitgebracht door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog;

* een rapport, uitgebracht door het Pieter Baan Centrum op 19 december 2000, welk rapport is opgesteld door C.M. van Deutekom, psychologe, en P.K.J. Ronhaar, psychiater;

* de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Uit het psychologisch rapport van mr. drs. R.A. Sterk komt onder meer naar voren dat bij verdachte het beeld ontstaat van een jongen die gericht is op het beheersen van zijn gedrag en emoties door middel van het aannemen van een dominante en blufferige houding, waarmee hij zijn kwetsbare, angstige en minder sociaal wenselijke kanten lijkt te overdekken. Er zijn aanwijzingen gevonden die wijzen op een verborgen gehouden binnenwereld, waarin krenkbaarheid en een verstoorde agressieregulatie een rol spelen.

Het rapport van psychiater drs. M.A. Westerborg houdt onder meer als conclusie in dat verdachte imponeert als een zeer krenkbare adolescent die voortdurend bang is voor gezichtsverlies. Hij is bang voor afwijzing en die angst blijft bestaan. Verdachte maakt hierin een getraumatiseerde indruk.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen en de daartoe in de rapportages bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of - zoals door de officier van justitie gevorderd - meerderjarigenstrafrecht moet worden toegepast. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde delict 16 jaar oud zodat in beginsel het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Hoewel het om een zeer ernstig misdrijf gaat, ziet de rechtbank, gelet op de inhoud van voormelde rapportage, alsmede de persoon van verdachte zoals op de terechtzitting naar voren is gekomen, geen aanleiding om op de voet van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht af te wijken van dit algemene beginsel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een verblijf van langere duur in een Huis van Bewaring of gevangenis voor volwassenen de verdere ontwikkeling van verdachte hoogstwaarschijnlijk in negatieve zin zal beïnvloeden.

De rechtbank heeft bij de na te noemen beslissing gelet op de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Het betreft een zeer ernstig misdrijf waarbij een nog jonge vrouw op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Als strafverzwarende omstandigheid geldt daarbij dat het slachtoffer Ankie Blommaert geruime tijd (een maand) vermist is geweest hetgeen niet alleen voor de nabestaanden en andere dierbaren een uiterst moeilijke periode moet zijn geweest, maar ook grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit de voorhanden zijnde rapportages en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank acht in dit geval oplegging van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van

maximale duur noodzakelijk, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van verdachte eist en voorts dat bedoelde maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank acht een Forensisch Orthopedagogisch Centrum (dan wel een vergelijkbare instelling) de meest aangewezen instelling om aan de belangen van verdachte tegemoet te komen.

De rechtbank is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen onder de nummers 2 tot en met 8 en 12 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu deze voorwerpen op grond van de wettelijke bepalingen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar zijn en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen onder de nummers 1, 9, 10, 11, 13 en 14, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 36d, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s en 77v van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden (bij voorkeur te ondergaan in een Forensisch Orthopedagogisch Centrum).

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, bij voorkeur ten uitvoer te leggen in een Forensisch Orthopedagogisch Centrum.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen onder de nummers 2 tot en met 8 en 12.

De rechtbank gelast de teruggave van de aan verdachte toebehorende, op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen onder de nummers 1, 9, 10, 11, 13 en 14.

Aldus gewezen door mr. R. Weenink, voorzitter, optredend als kinderrechter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en G. Eelsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 december 2000.

Mr. Nieuwenhuis voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.