Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA7261

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
07.230022-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.230022-00

Uitspraak: 28 september 2000

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

V.,

geboren op 2 oktober 1983.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 14 september 2000. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bos, advocaat te Urk.

De officier van justitie, mr. M. van der Borg, heeft ter terechtzitting - met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht - terzake het subsidiair ten laste gelegde gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, teruggave aan verdachte van de onder de nummers 1, 9, 10, 11, 13 en 14 op de beslaglijst vermelde goederen en onttrekking aan het verkeer van de overige op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt gewijzigde tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Verdachte heeft een en ander maal ontkend betrokken te zijn geweest bij de dood van Ankie Blommaert.

De rechtbank stelt echter vast dat tegenover deze stelselmatige ontkenning het navolgende bewijs voorhanden is:

1) verdachte heeft met Ankie in de nacht van haar verdwijning het laatst persoonlijk contact gehad; tijdens hun scooterrit is er onderweg geen ontmoeting of enig ander voorval geweest dat op betrokkenheid van een ander dan verdachte zou kunnen duiden;

2) verdachte heeft een brief geschreven gericht aan 'Beste Sara' met daarin de aanzegging die Sara op soortgelijke wijze om het leven te zullen brengen als ook Ankie door zijn toedoen was overkomen, welke beschrijving spoort met de bevindingen van de pathaloog-anatoom Van Ingen en welke informatie verdachte op geen enkele andere wijze bekend kon zijn dan uit eigen wetenschap en dus als 'daderwetenschap' moet worden aangemerkt; de verklaring van verdachte dat hij deze wetenschap van Sara heeft is ongeloofwaardig gelet op de verklaringen van Sara en van haar zus;

3) ter terechtzitting heeft de getuige K. verklaard verdachte meermalen te hebben gevraagd of hij had gedaan waarvan hij werd verdacht, waarop verdachte uiteindelijk er zijn spijt over had uitgesproken;

4) verdachte heeft kennelijk gelogen over zijn alibi vanaf het moment dat hij naar eigen zeggen Ankie had afgezet in de buurt van het Spiek te Lelystad, door aanvankelijk in strijd met de waarheid te verklaren dat hij café Tanja had bezocht;

5) verdachte heeft kennelijk gelogen over het schrijven van de onder 2 bedoelde brief, door dit schrijven aanvankelijk in strijd met de waarheid te ontkennen.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de onder 4 en 5 bedoelde kennelijke leugens van verdachte worden opgevat als te zijn bedoeld om de waarheid te bemantelen, welke kennelijke leugenachtigheid mitsdien aan het bewijs kan bijdragen.

Het feit dat verdachte kennelijk heeft gelogen over zijn alibi maakt dat ook zijn overige verklaringen over zijn bezigheden in de bewuste nacht geen geloof verdienen. Dit klemt temeer nu uit de verklaring van de getuige L. voortvloeit dat verdachte daar geen geheel verduisterd huis kan hebben aangetroffen en aldus geen reden kan hebben gehad om daarom geen bezoek meer aan deze getuige af te leggen, zoals door verdachte als onderdeel van zijn alibi verklaard.

Voor het overige wordt de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict bevestigd door een overeenkomstige schoenspoor.

Aan het bewijs kan niet afdoen dat op de plaats delict een verder niet te identificeren pluk haar is gevonden, aangezien die vondst uiteraard niets zegt over aanwezigheid van een ander dan verdachte op de plaats delict ten tijde van het misdrijf.

Tenslotte kunnen evenmin aan het bewijs afdoen de waarnemingen van enkele getuigen als zou Ankie ook nog na de nacht van 24 op 25 maart 2000 in levende lijve zijn waargenomen, aangezien deze waarnemingen veel te ongespecificeerd zijn om voor waar te kunnen worden aangenomen.

De rechtbank acht daarmede wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Het misdrijf doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Bij de stukken bevinden zich onder meer een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 12 september 2000, uitgebracht door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog te Amstelveen en een psychiatrisch rapport betreffende verdachte d.d. 12 september 2000, uitgebracht door drs. M.A. Westenborg, forensisch psychiater.

Beide deskundigen hebben - zakelijk weergegeven - onder meer geconcludeerd dat er op basis van het door hen ingestelde onderzoek onvoldoende informatie is verkregen om een duidelijke uitspraak te doen over eventuele psychische problematiek, de toerekeningsvatbaarheid en het recidivegevaar.

Weliswaar zijn er naar het oordeel van de deskundigen aanwijzingen die wijzen op een verborgen gehouden binnenwereld, waarin krenkbaarheid en een verstoorde agressieregulatie een rol spelen, doch hierover is onvoldoende informatie verkregen om dit te bevestigen.

Geadviseerd wordt om verdachte te plaatsen in het Pieter Baan Centrum teneinde meer zicht te krijgen op zijn persoonlijkheid. De deskundigen tekenen hierbij aan dat vanuit forensisch oogpunt weliswaar de meerwaarde van een dergelijke plaatsing - door de ontkennende houding van verdachte - waarschijnlijk beperkt is, doch de rechtbank acht een plaatsing als voorgesteld geboden, aangezien zij zich thans onvoldoende geïnformeerd acht omtrent de persoon van verdachte om een adequate beslissing te kunnen nemen omtrent het al dan niet toepassen van het meerderjarigenstrafrecht (en daarmee omtrent de toe te passen sanctie) in combinatie met eventueel een - al dan niet gedwongen - behandeling in psychiatrische danwel psychologische zin.

In zoverre is het onderzoek nog niet volledig. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en terstond schorsen en de stukken in handen stellen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, opdat het Pieter Baan Centrum te Utrecht verdachte zal observeren en rapport zal uitbrengen omtrent verdachte, zulks met het oog op de vraagstelling als hierboven geformuleerd.

De rechtbank zal het onderzoek schorsen tot de hierna te melden terechtzitting teneinde het onderzoek alsdan - zo mogelijk in dezelfde samenstelling - te kunnen voortzetten.

BESLISSING:

Het onderzoek wordt heropend en terstond geschorst tot de terechtzitting van 21 december 2000 te 09.00 uur (voorshands pro forma).

De rechtbank wijst de zaak terug naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank voor het doen uitbrengen van een rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht als hiervoren omschreven.

Aldus gewezen door mr. R.Weenink, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en G. Eelsing, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2000.