Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA6094

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
23-05-2000
Datum publicatie
23-05-2000
Zaaknummer
AWB 99/4163
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2001:AB2050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop grond tegen lagere verkoopprijs met gebruikmaking van o.g.v. het Grote Steden Beleid geoormerkt overheidsgeld is privaatrechtelijke rechtshandeling.

Besluit verweerder tot verkoop door de gemeente Zwolle van een perceel grond als eerste gedeelte van een in 3 fasen te verkopen totaalperceel voor de vestiging van het Diensten- en starterscentrum. Onderdeel van deze verkoop is de verrekening van een geldbedrag uit de reserve "Grote Steden Beleid" met de door de projectontwikkelaar te betalen prijs voor de grond, als gevolg waarvan deze projectontwikkelaar de grond tegen een lagere prijs verwerft dan de verkoopprijs die in het besluit van 23 juni 1997 onder punt 2 is vermeld. Het door eiseres bestreden onderdeel van laatstbedoeld besluit strekt ertoe geoormerkt overheidsgeld, aan de gemeente toegekend in het kader van het "Grote Steden Beleid", aan te wenden en daartoe gereserveerde financiële middelen te onttrekken aan de gemeentelijke begroting. In zoverre moet het besluit van verweerder worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb. Het aanwenden van die financiële middelen kan naar het oordeel van de Rb. evenwel niet los worden gezien van het grondtransactiebesluit, waarin dit is ingebed. Anders gezegd, het aanwenden van de gereserveerde financiële middelen is onlosmakelijk verbonden met een prestatie in privaatrechtelijke zin van de gemeente c.q. van verweerder. Derhalve kan niet worden gesproken van een subsidie in algemene zin. Het verkopen van grond door de gemeente aan X Vastgoed BV tegen een bepaalde prijs moet worden betiteld als een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat verweerder door inzet van gereserveerde financiële middelen de prijs van de grond in neerwaartse zin heeft aangepast, maakt dit niet anders. Verweerders besluit moet dan ook worden aangemerkt als een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Tegen een dergelijk besluit staat ingevolge art. 8:3 Awb geen beroep (en bezwaar) open.

Beroep ongegrond.

De raad van de gemeente Zwolle, verweerder.

mr. W.J.B. Cornelissen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/4163

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A Management B.V., gevestigd te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Jacobse, advocaat te Lelystad,

en

de raad van de gemeente Zwolle, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 maart 1999, verzonden 15 april 1999, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard het bezwaar van eiseres tegen (een onderdeel van) het besluit van verweerder d.d. 23 juni 1997 inzake het Diensten- en starterscentrum Berkum.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 juni 1997, nummer 97-6748, heeft verweerder besloten tot:

1. de bereidheid tot gefaseerde verkoop van grond aan PEBEM Vastgoed B.V. te Tubbergen ten behoeve van de realisering van kleinschalige bedrijfshuisvesting in drie fasen van in totaal circa 5.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo) op een perceel van 7.120 m2 in het Bedrijvenpark Berkum, ten behoeve van circa 50 ondernemers met een ruimtebehoefte variërend van 25 tot 250 m2 netto ruimte;

2. verkoop van een perceel grond in fase I ter grootte van 2.594 m2 ad ¦ 175,- per m2, ofwel tegen het bedrag van f 533.391 incl BTW aan genoemde B.V. ten behoeve van het eind 1997 op te leveren Diensten/starterscentrum van 1.500 m2 bvo, onder de in de verkoopovereenkomst opgenomen voorwaarden;

3. het aanwenden ten laste van de reserve "Grote Steden Beleid" van het bedrag van f 500.000,- door middel van verrekening met voornoemde grondkosten ten gunste van genoemde B.V. voor de realisering van bedoeld centrum en tot het ten laste brengen van dit bedrag van de begroting 1997 van de Sector Stadsbeheer.

Tegen dit besluit, met name tegen onderdeel 3, heeft eiseres bij brief van 15 oktober 1997 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 november 1997 heeft eiseres gebruik gemaakt van de bij brief van burgemeester en wethouders d.d. 21 oktober 1997 geboden mogelijkheid om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het bezwaar met het oog op de overschrijding van de bezwarentermijn ontvankelijk zou moeten worden verklaard en het bezwaar nader onderbouwd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 27 mei 1999 beroep ingesteld. Bij brief van 20 juli 1999 is een aanvullend beroepschrift, houdende gronden van het beroep, ingediend.

Desgevraagd heeft verweerder op 15 oktober 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 mei 2000.

Namens eiseres is verschenen A, directeur van eiseres.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mw drs. D.G. Pruim, ambtenaar van de gemeente.

3. Motivering

3.1 rechtsvraag

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerders besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eiseres in rechte stand kan houden.

3.2 standpunt verweerder

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als concurrent van het Diensten- en starterscentrum -in welke hoedanigheid zij bezwaar maakt- omdat eiseres zich richt althans heeft gericht op een ander marktsegment dan bedoeld centrum doet. Verweerder heeft dit laatste gebaseerd op een vergelijking tussen het bedrijf van eiseres en bedoeld centrum naar locatie, (basis)huurprijzen, (prijs van) het dienstverleningpakket en schaalgrootte. In verband hiermee is het belang van eiseres niet rechtstreeks betrokken bij het besluit van verweerder van 23 juni 1997. Er is uitsluitend sprake van een afgeleid belang. Het bezwaar van eiseres dient om deze reden, gelet op artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.3 standpunt eiseres

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft verweerders standpunt gemotiveerd weersproken.

3.4 wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende volstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8:3 van de Awb kan geen beroep (en bezwaar) worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

3.5 beoordeling van het beroep

De rechtbank stelt voorop dat, alvorens wordt onderzocht of degene die bezwaar heeft gemaakt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb heeft te gelden, dient te worden beoordeeld of het besluit, waartegen dat bezwaar zich richt, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, waartegen beroep (en bezwaar) kan worden ingesteld.

Het door eiseres bestreden onderdeel van het primaire besluit van verweerder maakt deel uit van een besluit van verweerder tot verkoop door de gemeente Zwolle van een perceel grond -als eerste gedeelte van een in 3 fasen te verkopen totaalperceel- voor de vestiging van het Diensten- en starterscentrum.

Onderdeel van deze verkoop is de verrekening van een geldbedrag uit de reserve "Grote Steden Beleid" met de door de projectontwikkelaar voor de te verwerven grond te betalen prijs, als gevolg waarvan deze projectontwikkelaar de grond tegen een lagere prijs verwerft dan de verkoopprijs die in het besluit van 23 juni 1997 onder punt 2 is vermeld.

Het door eiseres bestreden onderdeel van laatstbedoeld besluit strekt ertoe geoormerkt overheidsgeld, aan de gemeente toegekend in het kader van het "Grote Steden Beleid", aan te wenden en daartoe gereserveerde financiële middelen te onttrekken aan de gemeentelijke begroting. In zoverre moet het besluit van verweerder worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.

Het aanwenden van die financiële middelen kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet los worden gezien van het grondtransactiebesluit, waarin dit is ingebed. Anders gezegd, het aanwenden van de gereserveerde financiële middelen is onlosmakelijk verbonden met een prestatie in privaatrechtelijke zin van de gemeente c.q. van verweerder.

Derhalve kan niet worden gesproken van een subsidie in algemene zin aan PEBEM Vastgoed B.V.. Onder het verlenen van subsidie kan immers uitsluitend worden begrepen het door de overheid geven van een aanspraak op financiële middelen aan derden met het oogmerk dat dankzij deze middelen door die derden bepaalde activiteiten worden uitgevoerd. De subsidie strekt in dat geval tot het verrichten van een prestatie uitsluitend door die derden, anders dan het leveren van goederen of diensten aan de subsidieverstrekker.

Het besluit van verweerder van 23 juni 1997 strekt niet tot het verstrekken van financiële middelen aan PEBEM Vastgoed B.V. of tot het vaststellen van een aanspraak daarop in vorenbedoelde zin. Het besluit strekt daarentegen tot verkoop van grond door de gemeente aan PEBEM tegen een bepaalde prijs, die PEBEM voor die grond moet betalen. Een dergelijke transactie moet worden betiteld als een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat verweerder door inzet van gereserveerde financiële middelen de prijs van de grond in neerwaartse zin heeft aangepast, maakt dit niet anders.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerders besluit van 23 juni 1997, ook wat betreft het door eiseres bestreden onderdeel, moet worden aangemerkt als een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Tegen een dergelijk besluit staat ingevolge artikel 8:3 van de Awb geen beroep (en bezwaar) open.

De rechtbank wijst er nog op dat ook het bepaalde in artikel 4:21 van de Awb, dat ten tijde van het primaire besluit van verweerder nog niet in werking was getreden, mede gelet op hetgeen over dit artikel in de Memorie van Toelichting op de Derde Tranche van de Awb is verwoord, tot dezelfde uitkomst leidt.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht het bezwaarschrift van eiseres tegen verweerders besluit van 23 juni 1997 niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het op een andere grond dan verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden, zij het met verbetering van de rechtsgrond. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiseres door dit laatste niet (processueel) wordt benadeeld.

Het beroep is mitsdien ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2000 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op