Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA5536

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/5624
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Woningwet 44, geldigheid: 2000-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/5624

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: J. Deunk van Publiekrechtelijk Adviesbureau Deunk te Wijhe,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 juni 1999, verzonden 18 juni 1999.

2. Zitting

Datum: 10 februari 2000.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden A.H.A. Ganzevles en

mw mr C. Blokzijl, ambtenaren van de gemeente.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 23 februari 1999, verzonden 26 februari 1999, heeft verweerder naar aanleiding van een door verweerder van eiser op 18 januari 1999 ontvangen aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van een tunnelkas op het perceel kadastraal bekend gemeente [..], sectie […], nr […], plaatselijk bekend hoek […]straat-[…]straat], bouwvergunning geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 maart 1999 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van bouwvergunning gehandhaafd.

Tegen laatstbedoeld besluit heeft eiser bij brief van 8 juli 1999 beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft verweerder op 4 augustus 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken en op 27 augustus 1999 een verweerschrift met enkele stukken overgelegd. Op 15 september 1999 heeft verweerder nog een stuk overgelegd.

Desgevraagd hebben verweerder op 17 november 1999 en eiser op 1 december 1999 nog enkele stukken overgelegd.

4. Motivering

4.1 Algemeen

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit, strekkende tot handhaving van het besluit tot weigering van de gevraagde bouwvergunning voor een tunnelkas (hierna te noemen: kas III), in rechte stand kan houden.

4.2 Standpunten van partijen

Verweerders weigeringsbesluit steunt op de overweging dat ten aanzien van het bouwplan de weigeringsgrond geldt van artikel 44 onder c van de Woningwet, inhoudende dat bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Volgens verweerder is het bouwplan in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied voor het betreffende perceel geldende bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken Al", reeds omdat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, zoals omschreven in artikel 1, sub 12 van de planvoorschriften.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het door eiser in bezwaar gedane beroep op het overgangsrecht, zoals vervat in artikel 44 van de planvoorschriften, faalt, omdat er geen relatie aanwezig is tussen de nieuw geplaatste, ter plaatse aanwezige tunnelkas (hierna te noemen kas II) en de tunnelkas die er voorheen stond (hierna te noemen: kas I) en niet staande kan worden gehouden dat de niet meer aanwezige kas I nog als een bestaand bouwwerk kan worden aangemerkt. Kas II is volgens verweerder een geheel nieuwe kas die niet onder het overgangsrecht valt. Er is volgens verweerder verder sprake van een zodanige onderbreking tussen de verwijdering van kas I in maart 1998 en de aanvraag om bouwvergunning voor kas III dat eiser niet met vrucht een beroep kan doen op de overgangsbepaling.

Subsidiair heeft verweerder zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, zo wel sprake zou zijn van een situatie die onder het overgangsrecht valt, het niet in de rede ligt om ten behoeve van het geheel vernieuwen van kas I vrijstelling op grond van artikel 44, tweede lid van de planvoorschriften te verlenen, gelet op het feit dat kas III niet dient ten behoeve van een agrarisch bedrijf maar ten behoeve van hobbymatig gebruik en op het beleid om bebouwing in het landelijk agrarisch gebied buiten de daartoe bestemde bouwvlakken tegen te gaan.

Eiser is van mening dat tot aan het moment van het geheel vernieuwen daarvan in maart 1998 ter plaatse een tunnelkas (kas I) aanwezig was waarop het overgangsrecht van het bestemmingsplan van toepassing was. Ondanks de bouw in maart 1998 van de vervangende kas II, ten aanzien waarvan verweerder verwijdering op straffe van bestuursdwang heeft geëist, en ondanks dat de tot maart 1998 bestaande kas I bij de gewraakte bouw van kas II is verwijderd, is volgens eiser nog steeds een beroep mogelijk op het overgangsrecht.

Kas I had volgens eiser de afmetingen van 10,5 m x 2 m x 1,5 m (lxbxh). Eiser stelt zich op het standpunt dat op grond van het overgangsrecht -met inbegrip van de mogelijkheid tot vergroting van de inhoud van het bestaande bouwwerk met 15 %- de bouw van kas III volgens de aanvraag om bouwvergunning moet worden toegestaan.

Verweerders weigering van vrijstelling tot het geheel vernieuwen van kas I is ten onrechte het gevolg van een beoordeling in het kader van de vigerende bestemming en niet het resultaat van een belangenafweging in het kader van de toepassing van het overgangsrecht, aldus eiser.

4.3 Beoordeling van het geschil

Vaststaat dat het bouwplan van eiser zowel wat betreft de bestemming als de situering van het bouwwerk buiten een bouwvlak in strijd is met de ter plaatse geldende bebouwingsvoorschriften, zoals vervat in artikel 5 juncto artikel 1, sub 12 van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a van de planvoorschriften -voorzover van belang- mogen bestaande bouwwerken (als bedoeld in artikel 1 onder 37 van de voorschriften) die afwijken van het plan, mits bestaande afwijkingen naar de aard niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd en tot ten hoogste 15 % van de inhoud worden uitgebreid, mits:

1. geen nadere afwijkingen van het bestemmingsplan ontstaan;

(2...)

3. bij uitbreiding het hoogste punt van de bebouwing niet hoger wordt dan voorheen, behoudens geringe vergroting van de hoogte, voorzover dit noodzakelijk is ter voldoening aan bouwtechnische voorschriften.

Ingevolge artikel 44, tweede lid van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 ten behoeve van het geheel vernieuwen van de aldaar bedoelde bouwwerken mits voldaan wordt aan het bepaalde in lid 1, sub a.

Tussen partijen is niet in geschil dat ter plaatse van de te bouwen tunnelkas ten tijde van de eerste terinzagelegging van het ontwerp van het vigerende bestemmingsplan kas I aanwezig is geweest. Dit volgt ook uit het bij besluit op bezwaar van 19 november 1998 gehandhaafde bestuursdwangbesluit van verweerder betreffende kas II. Bij dit besluit, waartegen eiser geen beroep heeft ingesteld en dat derhalve formele rechtskracht heeft verkregen, heeft verweerder immers eiser gevolgd in diens stelling inzake de aanwezigheid van kas I. Uit hoofde van de formele rechtskracht van bedoeld bestuursdwangbesluit staan overigens de afmetingen van kas I eveneens vast.

Evenmin is punt van geschil tussen partijen dat bedoelde tunnelkas op of omstreeks 8 maart 1998 is verwijderd.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van de voorliggende aanvraag om bouwvergunning van eiser kas I moet worden aangemerkt als bestaand bouwwerk in de zin van de overgangsbepaling van artikel 44, eerste lid van de planvoorschriften.

Met het overgangsrecht wordt beoogd dat bestaande rechten met betrekking tot een situatie, die afwijkt van hetgeen het nieuwe bestemmingsplan voorstaat, worden geëerbiedigd. De afwijkende situatie was in dit geval erin gelegen dat ten tijde van de eerste terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied een tunnelkas aanwezig was, kas I, die in strijd was met het nieuwe bestemmingsplan. De eerbiediging van bestaande rechten houdt in dat binnen de voorschriften c.q. beperkingen van het overgangsrecht ten aanzien van vernieuwen, verandering of ver-groting van een afwijkende situatie, die situatie mag worden gehandhaafd en/of gewijzigd.

Onherroepelijk -gelet op de formele rechtskracht van eerdergenoemd bestuursdwangbesluit- is komen vast te staan dat de van het bestemmingsplan afwijkende situatie -de aanwezigheid van kas I- op of omstreeks 8 maart 1998 door eiser met de vervangende bouw van kas II is vergroot in een zodanige mate dat dit in strijd is met het geldende overgangsrecht en dat ten aanzien van deze situatie met bestuursdwang kan worden opgetreden.

De rechtbank is van oordeel dat, waar de aldus opgerichte kas II niet kan c.q. zal worden gehandhaafd, deze in strijd met het bestemmingsplan gerealiseerde bouw in de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat de bouw van een kas I vervangende kas niet onder de eerbiedigende werking van het overgangsrecht valt. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser de tot omstreeks 8 maart 1998 bestaande kas I niet heeft verwijderd dan met het oogmerk om deze onmiddellijk in vernieuwde vorm te handhaven en dat tussen genoemde datum en de indiening van de aanvraag om bouwvergunning voor kas III geen sprake is van een tijdsverloop van zodanige betekenis dat dit de toepassing van het overgangsrecht in de weg kan staan. Mede rekening is hierbij gehouden met de procedure tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de aanvankelijk gepleegde vervanging van kas I door kas II.

Gelet op het vorenstaande houdt de rechtbank verweerders benadering van eisers bouwplan voor kas III voor wat betreft de toepasselijkheid van de overgangsbepalingen niet voor juist. Voorzover het bestreden besluit op deze benadering steunt, is de motivering hiervan in zoverre niet toereikend.

De rechtbank acht hierin echter geen reden gelegen om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan, het navolgende in aanmerking genomen.

Terzake van de vraag hoe het bouwplan van eiser voor kas III moet worden beoordeeld in het licht van de overgangsbepalingen van artikel 44 van de planvoorschriften stelt de rechtbank allereerst vast dat het bouwplan voorziet in het geheel vernieuwen van kas I. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat kas I c.q. de bouwmaterialen waaruit deze bestond geheel was/waren vergaan en geheel is/zijn verwijderd.

Daarmee staat tevens vast dat het bouwplan niet voorziet in het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of uitbreiden in de zin van artikel 44, eerste lid, sub a van de planvoorschriften. Eiser komt derhalve geen beroep toe op die overgangsbepaling.

Voorts is gesteld noch gebleken dat kas I is verwoest door een calamiteit, in verband waarmee gehele vernieuwing op grond van artikel 44, eerste lid, sub b, zou zijn toegestaan.

Het vorenstaande betekent dat het geheel vernieuwen van kas I volgens het voorliggende bouwplan slechts mogelijk is, indien verweerder daartoe vrijstelling verleent op grond van het tweede lid van artikel 44 van de planvoorschriften.

Verweerder heeft het bestreden besluit -subsidiair- doen steunen op het standpunt dat hij niet voornemens is vrijstelling als bedoeld te verlenen ten behoeve van het bouwplan. Dit standpunt berust op de overwegingen dat de kas slechts dient voor hobbymatig gebruik alsmede dat het beleid van verweerder c.q. de plan-wetgever erop is gericht om bebouwing in het landelijk agrarisch gebied buiten de daarvoor bestemde bouwvlakken tegen te gaan. Verweerder acht het belang van handhaving van de aan het onderhavige perceel toegekende positieve bestemming en de bescherming van het uiterlijk aanzien van het buitengebied van zwaarder gewicht dan de belangen van eiser. Zijns inziens is geen sprake van bijzondere omstandigheden aan de zijde van eiser die tot afwijking van het beleid nopen.

De rechtbank begrijpt -gelet op het subsidiaire karakter van dit standpunt- dat verweerder heeft bedoeld te stellen dat hij voor zoveel nodig de vereiste vrijstelling weigert. Uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat ook hij het standpunt van verweerder in deze zin heeft opgevat. Beantwoord moet dan ook worden de vraag of verweerder in redelijkheid de bewuste vrijstelling heeft kunnen weigeren.

De rechtbank stelt wat dit betreft voorop eiser niet te volgen in zijn standpunt dat het overgangsrecht in beginsel los staat van de positieve bestemmingen volgens een bestemmingsplan en dat verweerder de belangenafweging in verband met het verlenen van vorenbedoelde vrijstelling niet had behoren te relateren aan de positieve bestemming van het betreffende perceel.

Met overgangsbepalingen als de onderhavige wordt beoogd bestaande rechten op van de nieuw gegeven positieve bestemming afwijkende situaties te eerbiedigen, waar die positieve bestemming zich tegen het scheppen van dergelijke rechten na het vigerend worden van deze bestemming verzet. De mate waarin die bestaande rechten worden geëerbiedigd kan de planwetgever relateren aan het beleid dat heeft geleid tot de keuze voor de desbetreffende positieve bestemming. Het overgangsrecht beoogt tevens dat de feitelijke situatie uiteindelijk -als het ware door middel van een uitsterfregeling- in overeenstemming geraakt met de door de planwetgever gekozen positieve bestemming.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het beleid van verweerder, waarbij -in het licht van de door de planwetgever in het kader van de bescherming van de kwaliteiten van het buitengebied aan het perceel toegekende bestemming "agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken" zonder bouwvlak- doorslaggevend gewicht wordt toegekend aan de handhaving van de positieve bestemming en de bescherming van het aanzien van het agrarisch buitengebied, niet onjuist noch onredelijk. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, met het oog op zwaarwegende bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld gelegen in bedrijfseconomische belangen van een agrarisch bedrijf, wel van dat beleid kan worden afgeweken.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers bouwplan niet in overeenstemming is met verweerders beleid. Voorts is in het geval van eiser niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het verlenen van vrijstelling in afwijking van dat beleid zouden kunnen rechtvaardigen. Als zodanige omstandigheid merkt de rechtbank niet aan het door eiser ter zitting gestelde belang van het hobbymatig telen van tuinbouwprodukten door eiser dan wel eisers vader noch de omstandigheid dat eiser gedeeltelijke vernieuwing van een kas als beoogd in verband met de kwaliteit van de materialen van een dergelijke kas technisch niet mogelijk acht.

De rechtbank acht de uitkomst van verweerders belangenafweging terzake van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 44, tweede lid van de planvoorschriften dan ook niet kennelijk onredelijk.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders subsidiair gestelde motivering voor het standpunt dat gehele vernieuwing van kas I niet tot de mogelijkheden behoort voldoende draagkrachtig is.

Daarmee staat vast dat op grond van de overgangsbepalingen van het vigerende bestemmingsplan de strijdigheid van het bouwplan met de op eisers perceel van toepassing zijnde bebouwingsvoorschriften van dat bestemmingsplan niet kan worden weggenomen. De bouwvergunning is ingevolge artikel 44, onder c van de Woningwet dan ook terecht geweigerd.

4.4 Slotsom

Op grond van het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep is ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2000 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op