Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2000:AA5289

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet 67, geldigheid: 2000-02-18
Algemene nabestaandenwet 16, geldigheid: 2000-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/645

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. A. Boessenkool, juridisch medewerker bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 december 1998.

2. Zitting

Datum: 7 januari 2000.

Eiser is verschenen bijgestaan door mr. A. Boessenkool, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van de Weerd, medewerker juridische zaken bij verweerder.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 10 maart 1993 is aan eiser met ingang van 1 januari 1993 weduwenpensioen toegekend krachtens de Algemene Weduwenen Wezenwet (AWW).

Eiser is op […] december 1997 in het huwelijk getreden. In verband hiermee heeft verweerder bij besluit van 3 juli 1998 het recht van eiser op een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw met ingang van 1 januari 1998 beëindigd. Bij dit besluit is verweerder tevens overgegaan tot terugvordering van een bedrag van ¦ 4.390,61 over de periode januari 1998 tot en met juni 1998.

Hiertegen heeft eiser bezwaar aangetekend, welk bezwaar hij ter gelegenheid van de op 16 december 1998 gehouden hoorzitting nader heeft toegelicht.

Bij besluit van 28 december 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser is hiertegen door mr. A. Boessenkool bij

schrijven van 4 februari 1999 beroep ingesteld op gronden vermeld bij schrijven van 15 april 1999.

Van de zijde van verweerder is een verweerschrift ontvangen.

4. Motivering

4.1. Op 1 juli 1996 is ter vervanging van de Algemene Weduwenen Wezenwet de Algemene nabestaandenwet (Anw) in werking getreden (Wet van 21 december 1995, Stb. 1995, 690, laatstelijk gewijzigd bij wet van 27 mei 1999, Stb. 1999, 250).

4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder b Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande kort gezegd in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Dit betekent dat in deze gevallen in beginsel geen aan spraak bestaat op nabestaandenuitkering per datum inwerkingtreding van de nieuwe Anw, zijnde 1 juli 1996.

De wetgever heeft evenwel ter voorkoming van een aantal in het parlement en ook daarbuiten breed bediscussieerde en op bepaalde aspecten onbedoelde, ongewenste en/of onevenredig zwaar uitvallende gevolgen ten aanzien van een aantal groepen Anw-gerechtigden in artikel 67 Anw overgangsmaatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn meermalen aan wijziging onderhevig geweest (Wet van 21 december 1995, Stb. 690; Wet van 10 juni 1996, Stb. 691; Wet van 4 juli 1996, Stb. 369; Wet van 24 december 1997, Stb. 795; Wet van 17 december 1997, Stb. 660; Wet van 24 december 1997, Stb. 789). Voor de beslechting van het onderhavige geschil is relevant het bij Wet van 18 juni 1998, Stb. 377 vastgestelde artikel 67 Anw dat met terugwerkende kracht geacht dient te zijn reeds op 1 juli 1996 in werking te zijn getreden.

Ingevolge dit artikel 67, derde lid Anw wordt kort gezegd en voor zover thans relevant de nabestaandenuitkering van de Anw-gerechtigde die op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerde anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997 met ingang van 1 januari 1998 niet beëindigd, maar verminderd tot een bedrag van 30% van het (bruto) minimumloon. Het overigens in dit lid bepaalde is ten aanzien van eiser niet van toepassing, zodat de rechtbank dat buiten beschouwing laat.

4.3. Eiser ontving met ingang van 1 januari 1993 een weduwen pensioen krachtens de Algemene Weduwen en Wezenwet. Per 1 juli 1996 is dit pensioen omgezet in een recht van eiser op nabestaandenuitkering ingevolge de Anw. Eiser is op […] december 1997 in het huwelijk getreden met X met wie hij reeds voor 1 juli 1996 (op basis van een samenlevingscontract) een gezamenlijke huishouding voerde. In verband met dit op 3 juni 1998 aan verweerder bekend geworden huwelijk heeft verweerder eisers recht op nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 beëindigd en de in zijn optiek teveel uitbetaalde uitkering van f 4.390,61 teruggevorderd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat voormelde overgangsbepaling van artikel 67, derde lid Anw slechts geldt voor de Anw-gerechtigde die op 31 december 1997 nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met diegene waarmee de Anw-gerechtigde ook al voor 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerde. Indien de Anw-gerechtigde in het huwelijk treedt dan is deze bepaling niet van toepassing, zodat de nieuwe wetgeving, waaronder artikel 16, eerste lid onder b Anw onverkort geldt.

Eiser stelt zich daarentegen op het standpunt dat hij óók vanaf 1 januari 1998 recht heeft op nabestaandenuitkering, nu het overgangsrecht ook in zijn situatie van toepassing is. Op 1 juli 1996 voerde eiser immers een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid Anw anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en hij voerde deze gezamenlijke huishouding nog steeds op 31 december 1997. Door zijn huwelijk is feitelijk niets veranderd, terwijl eiser vóór zijn huwelijk op grond van artikel 3, derde lid Anw bovendien al was aangemerkt als gehuwd. Eiser stelt zich derhalve op het standpunt dat het overgangsrecht óók toegepast moet worden in geval de hiervoor bedoelde Anw-gerechtigde in het huwelijk treedt.

4.4. De rechtbank deelt de zienswijze van eiser niet.

De rechtbank stelt voorop dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is geweest de nabestaandenuitkering van de Anw-gerechtigde die in het huwelijk treedt te doen eindigen en wel reeds per 1 juli 1996. Door het tussenvoegsel "dan wel" in artikel 16, eerste lid onder b, heeft de wetgever de Anw-gerechtigden die in het huwelijk treden en de Anw-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding voeren uitdrukkelijk als twee afzonderlijke categorieën Anw-gerechtigden gezien van wie het oorspronkelijk de bedoeling was dat de nabestaandenuitkering reeds per 1 juli 1996 zou komen te eindigen. Dat gehuwden doorgaans ook een gezamenlijke huishouding voeren, doet aan dit gemaakte onderscheid niet af. De wetgever heeft vervolgens enkele onbedoelde en ongewenste effecten die bij de uitvoering van de Anw optraden en naar verwachting nog zouden optreden door middel van onder meer overgangsbepalingen trachten te voorkomen. Daarbij heeft de wetgever steeds een aantal uitdrukkelijk omschreven situaties voor ogen gehad, waaronder de situatie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Aanleiding voor de (diverse) wijzigingen op de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever ten aanzien van de Anw-gerechtigden die kort gezegd een gezamenlijke huishouding voerden of gingen voeren, was het in een aantal gevallen eindigen van uitkeringsrecht van de Anw-gerechtigde, terwijl dit maatschappelijk ongewenst werd geacht. Uit de Handelingen van de Tweede Kamer (onder meer TK 1997-1998 (MvT), 25 900, nr. 3) blijkt dat deze onwenselijkheid zich met name in een aantal gevallen voordeed, zoals de beëindiging van de nabestaandenuitkering van een nabestaande die een aangehuwd kind of pleegkind in huis heeft dat 18 jaar wordt, van een echtpaar dat samenwoont met een broer of zus van één van hen of bijvoorbeeld van de grootmoeder met een inwonende studerende kleindochter. Uit de parlementaire geschiedenis valt duidelijk af te leiden dat de reparatiewetgeving met name wilde voorkomen dat bepaalde categorieën samenwonende mensen voor hen volkomen onverwacht als een gezamenlijke huishouding zouden worden aangemerkt. Blijkens de verschillende wijzigingen en de daarbij behorende toelichtingen zijn op geen enkel moment de Anwgerechtigden die op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en nadien in het huwelijk zijn getreden in de parlementaire beschouwing betrokken. Gelet op de reeds genoemde scheiding in artikel 16, eerste lid onder b Anw en de zeer uitvoerige parlementaire behandeling van diverse ongewenst geachte gevolgen voor bepaalde groepen Anw-gerechtigden wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, kan niet anders worden geoordeeld dan dat de wetgever de werking van artikel 67, derde lid Anw niet heeft willen uitstrekken tot Anw-gerechtigden die op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en nadien in het huwelijk zijn getreden. Dat de wetgever dit niet heeft gewild, valt ook af te leiden uit het feit dat de bij Wet van 18 juni 1998, Stb. 1998, 377 in artikel 16 Anw met terugwerkende kracht als derde lid voorziene mogelijkheid tot herleving van het recht op nabestaandenuitkering uitsluitend beperkt is tot de Anw-gerechtigden die hun gezamenlijke huishouding beëindigen en zich niet uitstrekt tot óók diegenen die hun huwelijk beëindigen.

Tevens kan steun gevonden worden in de omstandigheid dat in de aanhef van artikel 67, eerste lid Anw is bepaald dat recht op een nabestaandenuitkering bestaat overeenkomstig de bepalingen van de Anw. Met deze formulering heeft de wetgever beoogd vast te stellen dat voor onderwerpen die niet expliciet in artikel 67 Anw zijn vastgelegd de beoordeling aan de hand van de overige bepalingen van de Anw dient te geschieden (MvT, TK 1997-1998, 25 900, nr. 3, p. 15).

Nu noch in artikel 67, derde lid Anw noch in enig ander artikel ten aanzien van Anw-gerechtigden die op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en nadien zijn gehuwd expliciet voorzieningen zijn getroffen, vindt het bepaalde in artikel 16, eerste lid onder b Anw toe passing. Voor een ander oordeel is geen enkel aanknopingspunt gesteld of gebleken, terwijl de rechtbank met een andersluidend oordeel haar taak te buiten zou gaan. Dit geldt temeer nu op grond van het destijds onder de oude wetgeving geldende artikel 15 van de Algemene Weduwen en Wezenwet het recht op weduwenpensioen kort gezegd óók eindigde, indien de weduwe hertrouwde.

Blijkens het verhandelde ter zitting moet bovendien vastgesteld worden dat eiser geenszins kan zijn overvallen door de intrekking van zijn nabestaandenuitkering op grond van het gesloten huwelijk. Eiser heeft aangegeven juist in december 1997 te zijn gehuwd, omdat hij ervan uitging dat zijn recht op nabestaandenuitkering op grond van overgangsrecht slechts tot 1 januari 1998 zou worden verlengd, zodat hij in dat geval 'net zo goed' kon trouwen.

Dat ingevolge artikel 3, derde lid Anw de gezamenlijke huishouding van eiser reeds was gelijkgesteld met een huwelijk maakt het voorgaande niet anders. Het gevolg van de door eiser gewenste gelijkstelling is een andere dan de door de wetgever in artikel 3, derde lid Anw bedoelde. Met zijn gelijkstelling heeft de wetgever enerzijds beoogd de overblijvende ongehuwde partner onder de Anw óók recht op nabestaandenuitkering toe te kennen en anderzijds dat een betrokkene dat recht verliest op het moment dat hij of zij een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Hieruit blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen afwijken van de Algemene Weduwenen Wezen wet die aan ongehuwd samenwonenden geen recht op weduwenpensioen toekende. Het gevolg van de door eiser bedoelde gelijkstelling komt er daarentegen in feite op neer dat de rechtbank, zonder dat daartoe in de wetsgeschiedenis steun kan worden gevonden, een aanvullend recht creëert voor Anw-gerechtigden die getrouwd zijn met een persoon met wie zij reeds samenwoonden. Zoals uit het voorgaande reeds is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat onder de omstandigheden van dit geval een dergelijk oordeel uitsluitend aan de wetgever toekomt.

4.5. Voor wat betreft het deelbesluit tot terugvordering zijn geen afzonderlijke grieven ingebracht. Eiser was sinds maart 1996 op de hoogte van de omstandigheid dat hij verweerder in kennis diende te stellen van een te sluiten huwelijk. Eiser heeft ter zitting erkend zijn huwelijk op [...] december 1997 ten onrechte niet aan verweerder te hebben meegedeeld. Aangezien het derhalve aan eiser te wijten is dat hij na 1 januari 1998 nog nabestaandenuitkering ontving, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht zijn verplichting tot terugvordering heeft geffectueerd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken.

4.6. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond zal worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig een partij met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die een andere partij bij de behandeling van dit beroepschrift redelijkerwijs heeft moeten maken.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar

uitgesproken op 18 februari 2000 in tegenwoordigheid van

Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op