Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA5153

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
02-12-1999
Datum publicatie
02-12-1999
Zaaknummer
AWB 99/1248
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/1248

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mw mr M. Degelink, medewerkster van F.N.V. Ledenservice Oost te Deventer

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: GAK Nederland bv, kantoor Apeldoorn), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 8 februari 1999.

2. Zitting

Datum: 19 november 1999.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder is niet verschenen.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Verweerder heeft eiseres met ingang van 14 maart 1996 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (verder te noemen: de WW) toegekend.

Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft verweerder besloten met ingang van 27 juli 1998 gedurende 16 weken het uitkeringspercentage met 20% te korten. Verweerder heeft hierbij overwogen dat ingevolge de nieuwe richtlijnen per 1 april 1998 eiseres minimaal 1 sollicitatie per week dient te verrichten, en dat uit het werkbriefje over de periode van 20 juli 1998 tot en met 16 augustus 1998 is gebleken, dat eiseres in de week van 27 juli 1998 tot en met 2 augustus 1998 niet heeft gesolliciteerd.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft aangevoerd niet op 3 augustus 1998 te hebben gesolliciteerd, maar op 2 augustus 1998.

In reactie hierop heeft verweerder eiseres bij brief van 15 september 1998 meegedeeld, dat besloten is geen maatregel op haar WW-uitkering toe te passen wegens onvoldoende sollicitatie-activiteiten, maar dat het voornemen bestaat eiseres een boete ad ¦ 150,- op te leggen wegens schending van de mededelingsplicht, zoals neergelegd in artikel 25 en 26, lid 1 sub c, van de WW.

Bij besluit van 1 oktober 1998 heeft verweerder eiseres de reeds voorgenomen boete ad ¦ 150,- opgelegd.

Op 3 november 1998 is namens eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden waarop dit bezwaar berust zijn op 25 ja-nuari 1999 ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

4. Motivering

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit, waarbij het opleggen van een boete van ¦ 150,- is gehandhaafd, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

standpunten partijen

Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit als uitgangspunt genomen, dat eiseres de mededelingsplicht heeft geschonden, nu zij op haar werkbriefje d.d. 16 augustus 1998 betreffende de periode 20 juli 1998 tot en met 16 augustus 1998 ten onrechte heeft vermeld dat zij op 3 augustus 1998 bij [bedrijf] heeft gesolliciteerd, terwijl zij deze sollicitatie in feite op 2 augustus 1998 heeft verricht.

Eiseres is van mening, dat verweerder de boete van ¦ 150,- niet mocht opleggen. Het staat vast dat zij in voormelde periode voldoende heeft gesolliciteerd. Voorts vindt eiseres dat verweerder met het opleggen van deze boete heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

juridisch kader

Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht verweerder op zijn verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Ingevolge artikel 27a, eerste lid van de WW legt verweerder, indien de werknemer de verplichting bedoeld in artikel 25 van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, hem een boete op van ten hoogste ¦ 5.000,-.

Ingevolge artikel 27a, tweede lid van de WW wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 27a, derde lid van de WW -voor zover van belang- kan verweerder, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, afzien van het opleggen van een boete als be-doeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet be-hoorlijk nakomen van de verplichting. Deze bepaling is per 31 december 1998 in werking getreden.

overwegingen rechtbank

De rechtbank is van oordeel, dat eiseres met haar onjuiste opgave van de datum waarop zij bij [bedrijf] heeft gesolliciteerd op het werkbriefje d.d. 16 augustus 1998, niet heeft voldaan aan de mededelingsverplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW. De omstandigheid, dat eiseres in de betreffende periode voldoende heeft gesolliciteerd staat daar los van.

De rechtbank is tevens van mening, dat in dit geval aan de overige voorwaarden, die in artikel 25 van de WW worden genoemd, is voldaan.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet aangenomen worden dat elke verwijtbaarheid van eiseres ontbreekt. De omstandigheid dat het hier om een vergissing gaat, kan niet aan dit oordeel afdoen. Eiseres is ervoor verantwoordelijk, dat het werkbriefje zonder fouten wordt ingevuld.

De rechtbank is dan ook van mening, dat verweerder in beginsel gehouden was eiseres op grond van artikel 27a, eerste lid van de WW een boete op te leggen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank slechts anders, indien ten tijde van het bestreden besluit inmiddels een ander, voor eiseres gunstiger, wettelijk regime van toepassing zou zijn. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16 december 1966 (IVBPR). Het opleggen van een boete moet naar het oordeel van de rechtbank als de vervolging van een strafbaar feit als bedoeld in dit artikel worden gezien. In de derde volzin van dit artikel is bepaald, dat indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. In artikel 1, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is dit beginsel eveneens vastgelegd.

De rechtbank is van mening, dat inmiddels een ander, voor eiseres gunstiger, wettelijke regime van toepassing is. Per 31 december 1998 is immers artikel 27a, derde lid van de WW in werking getreden. Deze bepaling is hierboven geciteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu aan de voorwaarden van deze laatste bepaling voldaan. Uit de gedingstukken blijkt immers, dat het niet voldoen aan de mededelingsverplichting van eiseres niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

Noch uit het bestreden besluit noch uit de stukken blijkt dat verweerder artikel 27a, derde lid van de WW bij het nemen van het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen. Dit besluit kan dan ook niet in stand worden gelaten. Het beroep moet gegrond worden verklaard.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, tot op heden begroot op ¦ 710,-.

5. Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op f 710,-;

- bepaalt, dat verweerder eiseres het door haar gestorte griffierecht ad ¦ 60,- vergoedt;

- wijst het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiseres.

Gewezen door mw mr C.M. van Beeck Calkoen-Reus, voorzitter en mw mr M.I. Lammertsma-van der Heij en mw mr L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechters en in het openbaar uitgesproken op 2 december 1999 in tegenwoordigheid van mw W. Veldman als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op