Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA5034

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
22-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WW 98/3537
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: WW 98/3537

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], geboren op […] 1945, wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mw mr O.Z.K. Banki, advocaat en procureur te Deventer,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: Gak Nederland bv, kantoor Apeldoorn), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 29 mei 1998.

2. Zitting

Datum: 14 september 1999.

Eiser is verschenen bijgestaan door mr. Banki, voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw mr A. van Elk, beambte beroepszaken bij GAK Nederland bv, kantoor Apeldoorn.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, de rechtsvoorganger van verweerder en verder te noemen: de bedrijfsvereniging, heeft op 24 februari 1995 besloten dat eiser met ingang van 27 december 1994 recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) op basis van 38 arbeidsuren per week.

De bedrijfsvereniging heeft op 31 oktober 1996 besloten f 29.272,51 als ten onrechte ontvangen WW-uitkering over 1995 en 1996 van eiser terug te vorderen, overwegende dat eiser vanaf 1 juni 1995 niet meer werkloos was omdat hij 8 uur per dag aanwezig was bij het bedrijf [bedrijf] zonder dit volledig op de werkbriefjes te vermelden. Namens eiser is bij brief van 2 december 1996 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De bedrijfsvereniging heeft op 28 februari 1997 besloten dit bezwaar ongegrond te verklaren en zijn besluit van 31 oktober 1996 te handhaven. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

Eiser is strafrechtelijk vervolgd wegens valsheid in geschriften. De politierechter heeft op 25 september 1997 het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard. Gemachtigde van eiser heeft verweerder bij brief van 5 oktober 1997 gevraagd om herziening van het besluit van 28 februari 1997 in dier voege dat van terugvordering wordt afgezien, onder verwijzing naar de aantekening mondeling vonnis van de politierechter.

Verweerder heeft op 14 november 1997 besloten de beslissing van 28 februari 1997 niet te herzien omdat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 18 december 1997 bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 14 november 1997. Verweerder heeft op 29 mei 1998 besloten dit bezwaar ongegrond te verklaren en zijn beslissing van 14 november 1997 te handhaven. Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

4. Motivering

Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 28 februari 1997 is dat besluit rechtens onaantastbaar geworden. In geschil is de vraag of het door verweerder in bezwaar gehandhaafde besluit om niet terug te komen op de in het besluit van 28 februari 1997 vervatte terugvordering in rechte kan standhouden.

De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende. Een bestuursorgaan is, indien daartoe deugdelijke gronden aanwezig zijn, bevoegd van een vroeger besluit terug te komen, dat in te trekken en een nieuw besluit te geven, indien dit in het voordeel is van de daarbij betrokkene en mits daardoor geen verkregen rechten van derden worden aangetast en een dergelijke intrekking niet uitdrukkelijk of impliciet verboden is. Deze bevoegdheid, die in beginsel evenzeer bestaat in het geval, dat het vroegere besluit in bezwaar en beroep is gehandhaafd, is discretionair van aard. De rechter kan de wijze van hantering, of niet-hantering daarvan dan ook slechts marginaal toetsen: Het besluit om "niet terug te komen op" kan slechts dan niet in rechte standhouden, indien zou blijken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, of dat het betreffende besluit anderszins in strijd is met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Van zodanige feiten of omstandigheden is de rechtbank hier niet gebleken. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen.

De rechtbank kan de gemachtigde van eiser niet volgen in zijn betoog, dat artikel 188 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in casu van betekenis zou zijn. Het gaat in dat artikel immers om een strafbaar feit waarvan de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand dat feit heeft begaan. De politierechter heeft zulks niet bewezen verklaard.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat het vonnis in de strafzaak van eiser door verweerder als een nieuw feit moet worden beschouwd waar de politierechter zich heeft uitgelaten over de hoogte van het fraudebedrag. De politierechter heeft op voorstel van het Openbaar Ministerie tot niet- ontvankelijkheid besloten omdat de hoogte van het fraudebedrag ver beneden de vervolgingsgrens ligt. Uit het proces-verbaal van de zitting valt af te leiden, dat het Openbaar Ministerie en de strafrechter als het fraudebedrag hebben beschouwd het verschil in gewerkte uren en daarmee in verdiensten zoals opgegeven door eiser respectievelijk door diens werkgever.

De politierechter is daarmee echter niet toegekomen aan een oordeel over de omvang van de werkloosheid waarop het besluit van 28 februari 1997 is gebaseerd, noch heeft hij zich uitgelaten over het totale bedrag dat wegens het ontbreken van werkloosheid ten onrechte is uitbetaald (het zogenaamde benadelingsbedrag in bestuursrechtelijke zin). Derhalve moet worden geoordeeld dat het vonnis van de politierechter geen nieuw licht werpt op de terugvordering van het benadelingsbedrag als vervat in het besluit van 28 februari 1997. Verweerder behoefde in het strafvonnis dan ook geen aanleiding te zien om terug te komen op zijn besluit van 28 februari 1997.

Overige nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn niet aangevoerd.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat niet kan worden gezegd, dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen om niet terug te komen op zijn besluit van 28 februari 1997. Voorts is de rechbank niet gebleken van schending door verweerder van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bij het nemen van het bestreden besluit.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist dient te worden als volgt.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw mr L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, voorzitter, mr H.C. Moorman en mr A. Oosterveld, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 1999 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op