Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4815

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
22-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/1742 AWBZ AWB 99/6
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 98/1742 AWBZ

AWB 99/6

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, geboren op […], wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. L.J.H. Achten, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp Zwolle,

en

Zorgverzekeraar O.W.M. OLM Het Groene Land, gevestigd te Zwolle, verweerder,

gemachtigde: R.W. Bestebreurtje.

1. Aanduiding bestreden besluit

1. Besluit van verweerder d.d. 13 februari 1998

2. Besluit van verweerder d.d. 5 november 1998

2. Zitting

Datum: 10 november 1999

Eiser is verschenen bij gemachtigde mr. L.J.H. Achten.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde R.W. Bestebreurtje.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser verblijft sinds 20 juni 1997 in verpleeghuis Y, te Z. Eiser is gehuwd en heeft drie kinderen, ten tijde van het eerste bestreden besluit in de leeftijd van resp. 11, 10 en 8 jaar. In het kader van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ) heeft verweerder, bij besluit van 10 september 1997, de eigen bijdrage van eiser in verband met de vergoeding van de kosten voor de geneeskundige behandeling vastgesteld op f 865,- per maand.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 februari 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep aangetekend en aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de kosten voor levensonderhoud van de kinderen van eiser. Het beroep is geregistreerd onder nummer AWB 98/1742. Op 28 augustus 1998 heeft de rechtbank een verweerschrift ontvangen waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser terecht de kosten van levensonderhoud voor zijn kinderen heeft aangevoerd. Verweerder heeft daarom besloten de eigen bijdrage te herzien. Bij besluit van 5 november 1998 heeft verweerder de eigen bijdrage vastgesteld op f 520,- per maand. Eiser heeft bij brief van 14 december 1998 te kennen gegeven dat dit besluit zijns inziens niet volledig tegemoet komt aan het beroep. Bij brief van 6 januari 1999 heeft de rechtbank aan eiser meegedeeld dat de rechtbank het beroep mede acht te zijn gericht tegen het besluit van 5 november 1998. Het beroep tegen dit tweede besluit is geregistreerd onder AWB 99/6.

4. Motivering

De rechtbank merkt op dat in het eerste bestreden besluit, zoals verweerder zelf ook in zijn verweerschrift heeft gesteld, geen rekening is gehouden met de onderhoudskosten voor eisers thuiswonende kinderen. Verweerder heeft daarom de aanvankelijk op f 860,-- vastgestelde eigen bijdrage in het tweede bestreden besluit vastgesteld op f 520,--. Met dit nieuwe besluit is de grondslag ontvallen aan het besluit van 13 februari 1998. Herziening van het bestreden besluit staat niet aan vernietiging van het eerste bestreden besluit in de weg, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Nu namens eiser is verzocht met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door eiser geleden schade, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een dergelijk belang. De rechtbank zal het beroep ten aanzien van eerste bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Namens eiser is bij het beroepschrift om schadevergoeding verzocht bestaande uit de terzake gederfde wettelijke rente. De rechtbank acht voldoende termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:73 eerste lid Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt, bestaande uit de wettelijke rente te berekenen over de blijkens het tweede besluit aanvankelijk teveel betaalde eigen bijdrage en verschuldigd vanaf de dag waarop de eigen bijdrage conform het eerste bestreden besluit is betaald door eiser tot aan de dag van algehele voldoening.

Met betrekking tot het tweede besluit is in dit geding de vraag aan de orde of verweerder, gezien de kosten van onderhoud voor eigen kinderen, de eigen bijdrage van eiser terecht en op goede gronden heeft vastgesteld op f 520,--.

Ingevolge artikel 6, derde lid, AWBZ is het Bijdrage Besluit Zorg (BBZ) tot stand gebracht, waarin is bepaald dat voor bepaalde verstrekkingen ingevolge de AWBZ een eigen bijdrage is verschuldigd. In artikel 15 van dit besluit is, onder verwijzing naar artikel 8 bepaald dat voor de vaststelling van de eigen bijdrage, uitkeringen gedaan om te voorzien in de kosten van onderhoud van eigen kinderen op de inkomsten in mindering worden gebracht, voor zover deze naar redelijke maatstaven strekken tot dat doel en er voor deze kinderen een recht op kinderbijslag bestaat.

In het tweede bestreden besluit heeft verweerder de eigen bijdrage van eiser opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de kosten van onderhoud van de eigen kinderen. Verweerder hanteert daarbij als forfaitair bedrag voor deze kosten een richtbedrag van f 740,-- per kwartaal dat hij ontleent aan de circulaire van 7 mei 1997 van de Ziekenfondsraad, nummer AWBZ/10/97.

De rechtbank overweegt het volgende. Aangezien het bepalen van de werkelijke onderhoudskosten, zoals partijen ter zitting hebben betoogd, bijna niet doenlijk is, is de rechtbank van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder hiervoor een forfaitair bedrag vaststelt dat als zijnde de kosten voor onderhoud in mindering wordt gebracht op de inkomsten van eiser.

Het richtbedrag, dat verweerder in navolging van de Ziekenfondsraad hanteert, is gebaseerd op de onderhoudsbijdragen die worden gehanteerd in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), met name het Besluit onderhoudsbijdrage kinderbijslag, Stb. 1995,451.

De rechtbank merkt op dat in de situatie zoals die hier van toepassing is, namelijk thuiswonende kinderen onder de 16 jaar, de AKW uitgaat van het verzorgingsbeginsel en in het geheel geen onderhoudsbijdrage als voorwaarde stelt. Een onderhoudsbijdrage komt in de AKW pas aan de orde in het geval kinderen onder de 16 jaar niet meer thuis wonen. Het is de rechtbank dan ook onvoldoende duidelijk waarom verweerder meent voor het vaststellen van een forfaitair richtbedrag voor de onderhoudskosten in dit geval een redelijke maatstaf te kunnen vinden in onderhoudsbijdragen zoals die zijn vastgesteld in het Besluit onderhoudsbijdrage kinderbijslag.

Het is de rechtbank evenmin duidelijk is waarom verweerder het bedrag van f 740,-- per kwartaal in dit geval een redelijke maatstaf acht voor de hoogte van het forfaitair bedrag. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is het bedrag afgeleid van het bedrag van f 56,-- per week dat volgens het Besluit onderhoudsvoorwaarde kinderbijslag ziet op een onderhoud ‘in belangrijke mate’. Uit de systematiek en de toelichting bij dit besluit blijkt dat het daarbij gaat om een onderhoudsbijdrage die voorziet in minder dan 50% van de onderhoudskosten. Aangezien echter in dit geval de onderhoudskosten volledig ten laste van betrokkene komen, ziet de rechtbank dan ook niet in waarom in casu het richtbedrag van f 740,-- in het kader van de AWBZ een redelijke maatstaf is voor de bepaling van de kosten van onderhoud voor eigen kinderen.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 4:16 van de Awb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het door hem gevoerde beleid in de hier van toepassing zijnde situatie een redelijke maatstaf is voor het vaststellen van de onderhoudskosten. Nu het vaststellen van de onderhoudskosten op de weg van verweerder ligt, waarbij de rechtbank een zekere beleidsvrijheid aanvaardbaar acht, zal de rechtbank thans een oordeel over de door eiser als alternatief aangevoerde zogeheten NIBUD-methode achterwege laten. Ook het beroep ten aanzien van het tweede bestreden besluit is gegrond.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand.

Voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding, bestaande uit de gederfde wettelijke rente in verband met de vernietiging van het tweede besluit, acht de rechtbank nog onvoldoende termen aanwezig aangezien nog niet vast staat hoe hoog verweerder de eigen bijdrage zal vast stellen in het door hem nieuw te nemen besluit. Overigens geeft de rechtbank verweerder in overweging bij het nieuw te nemen besluit rekening te houden met dit verzoek tot schadevergoeding.

Beslist wordt als volgt.

5. Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep onder nummer AWB 98/1742 gegrond;

-vernietigt het eerste bestreden besluit;

-veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente als in rubriek 4. van deze uitspraak aangegeven;

-verklaart het beroep onder nummer AWB 99/6 gegrond

-vernietigt het tweede bestreden besluit;

-gelast dat verweerder aan eiser het namens hem gestorte griffierecht ad f 55,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de kosten die eiser heeft moeten maken in verband met de behandeling van de beroepen, welke kosten worden bepaald op f 1775,-- ;

-wijst de O.W.M. OLM Het Groene Land aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser.

Gewezen door dhr. mr H.F.J.M. Schröder en in het openbaar uitgesproken op 22 december 1999 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op