Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4012

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/6656
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 98/6656

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

Aan- en verkoopcoöperatie "De Eendracht" B.A., gevestigd te Rouveen, eiseres,

gemachtigde: K. Dunnink, directeur,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder.

Belanghebbende: Provinciale Commissie Overijssel van de Bond Heemschut, gevestigd te Almelo.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 22 oktober 1998.

2. Zitting

Datum: 13 oktober 1999.

Voor eiseres zijn verschenen mr R. van Eck, advocaat te Zwolle, K. Dunnink, voornoemd en K. Bovenhuis en H. Compagner, voorzitter respectievelijk secretaris van eiseres' bestuur.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw K.T. Lambregtse, ambtenaar van de gemeente Staphorst.

Voor belanghebbende is het woord gevoerd door L.S. van Leeuwen.

3. De feiten en het verloop van de procedure

Op 16 januari 1998 is verweerder namens eiseres verzocht een sloopvergunning te verlenen voor het pand gelegen aan de Oude Rijksweg 134 te Staphorst ten behoeve van het aanleggen van een parkeerplaats.

Bij besluit van 8 april 1998 heeft verweerder de gevraagde sloopvergunning verleend.

Bij brief van 29 april 1998 heeft belanghebbende verweerder de sloop van het pand Oude Rijksweg 134 ernstig ontraden, aangezien het onderhavige pand met de directe omgeving een karakteristiek element in het Staphorster dorpsbeeld is.

Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 8 april 1998.

Op 1 juli 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij brief van 23 september 1998 heeft verweerder het Oversticht om advies gevraagd. Op 25 september 1998 heeft het Oversticht van advies gediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door belanghebbende ingediende bezwaar gegrond verklaard en de sloopvergunning in heroverweging geweigerd.

Namens eiseres is bij brief van 1 december 1998 beroep ingesteld tegen dit besluit. De gronden van het beroep zijn op 29 januari 1999 aangevuld.

Verweerder heeft op 1 februari 1999 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Desgevraagd heeft verweerder op 15 april 1999 een aanvullend verweerschrift en nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 16 juni 1999 heeft de rechtbank de Provinciale Commissie Overijssel van de Bond Heemschut in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

4. Motivering

4.1. Algemeen De rechtbank heeft allereerst onderzocht of verweerder de brief van 29 april 1998 van belanghebbende terecht heeft aangemerkt als bezwaarschrift. Gelet op het feit dat verweerder bij ontvangst van die brief zijn besluit in primo van 8 april 1998 reeds had genomen en gelezen de inhoud van de brief van 29 april 1998 is de rechtbank van oordeel dat dit inderdaad het geval is.

De rechtbank heeft in dit geding vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerders besluit op bezwaar, waarbij de aan eiseres verleende sloopvergunning alsnog is geweigerd, in rechte stand kan houden.

4.2. Toepasselijke regelgeving Ingevolge artikel 8.1, lid 1, van de bouwverordening van de gemeente Staphorst is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Een sloopvergunning moet -voorzover hier van belang- ingevolge artikel 8.6, aanhef en onder c, van de bouwverordening worden geweigerd indien voor het slopen een vergunning ingevolge de Monumentenwet of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Artikel 37, lid 1, van de Monumentenwet 1988 bepaalt dat het in beschermde stads- of dorpsgezichten is verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Het derde lid van artikel 37 verklaart - voor-zover hier van belang- artikel 21 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) van toepassing.

Krachtens artikel 21, lid 1, van de WSDV mag de sloopvergunning worden geweigerd, indien bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet is aangevraagd.

4.3. Standpunten van partijen Verweerder heeft zijn besluit tot het alsnog weigeren van de sloopvergunning gegrond op artikel 37 van de Monumentenwet 1988 en daartoe in essentie -mede naar aanleiding van het advies van het Oversticht- overwogen dat het pand Oude Rijksweg 134 is gelegen in de zichtlijn van de Oude Rijksweg en als beeldbepalend kan worden beschouwd. Het slopen van dit pand levert volgens verweerder een "gat" in deze zichtlijn op en daarmee een aantasting van het beschermde dorpsgezicht.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag om sloopvergunning ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 21 WSDV en voorts van zijn bevoegdheid om de vergunning te weigeren gebruik heeft gemaakt voor een ander doel dan waartoe deze gegeven is, namelijk om het "monumentale karakter" van het pand -dat echter geen monument is- te bewaren. Voorts is eiseres van mening dat het beschermde dorpsgezicht niet wordt aangetast, nu geen andere open ruimte ontstaat dan hetgeen in de nabijheid vaker voorkomt. Verweerder heeft volgens eiseres bovendien haar belang bij de sloop van het pand niet meegewogen.

4.4. Beoordeling van het geschil Vaststaat dat het pand Oude Rijksweg 134 is gelegen in het gebied in de gemeente Staphorst dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Ter zitting is gebleken dat verweerder bij zijn besluit in primo d.d. 8 april 1998 heeft voorbijgezien aan artikel 37 van de Monumentenwet 1988. De sloopvergunning is in eerste instantie dan ook in strijd met artikel 8.6, aanhef en onder c, van de bouwverordening verleend. Terecht heeft verweerder bij het thans bestreden besluit op bezwaar de vraag onder ogen gezien of op grond van het bepaalde in artikel 37 van de Monumentenwet 1988 sloopvergunning kan worden verleend. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de wijze waarop verweerder deze bepaling in dit geval heeft toegepast de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Zij overweegt daartoe het volgende. Met eiseres stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven dat het toetsingskader voor de aanvraag om sloopvergunning op grond van artikel 37 van de Monumentenwet 1988 moet worden gevonden in artikel 21, lid 1, WSDV. Reeds om deze reden ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering als vereist volgens artikel 7:12, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van het getoonde, ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oude Rijksweg/Gemeenteweg" geconstateerd dat het op zich mogelijk is bouwvergunning te verlenen voor een in plaats van het te slopen pand op te richten bouwwerk. Nu bovendien vaststaat dat geen bouwvergunning is aan-gevraagd voor een vervangend bouwwerk (eiseres is immers voornemens een parkeerterrein aan te leggen), is de rechtbank - gelet op het bepaalde in artikel 21, lid 1, van de WSDV- van oordeel dat verweerder in beginsel bevoegd is de sloopvergunning te weigeren.

Het is echter de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op juiste gronden gebruik heeft gemaakt van de hiervoor bedoelde bevoegdheid door de aan eiseres verleende sloopvergunning alsnog te weigeren.

Het standpunt van verweerder, dat het beschermde dorpsgezicht door de sloop van het pand wordt aangetast, is mede gebaseerd op het advies d.d. 25 september 1998 van het Oversticht. In dit advies wordt het pand Oude Rijksweg 134 beschreven als enerzijds in het bezit van monumentale waarden en als anderzijds waardevol element in het beschermde dorpsgezicht. Het advies van het Oversticht is totstandgekomen na de -in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift van belanghebbende gehouden- hoorzitting en -zoals ter zitting is gebleken- in strijd met artikel 7:9 van de Awb niet aan eiseres meegedeeld; zij heeft hierop dan ook niet kunnen reageren.

Voorts is -zoals eiseres stelt- niet gebleken dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit de nodige kennis heeft vergaard omtrent de belangen van eiseres bij sloop van het pand. Evenmin is gebleken dat verweerder deze belangen heeft afgewogen alvorens het bestreden besluit te nemen. Verweerder heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4, lid 1, van de Awb.

De conclusie moet zijn dat verweerder bij het bestreden besluit op onjuiste gronden de sloopvergunning alsnog heeft geweigerd, zodat dit besluit in rechte geen stand kan houden.

Schending van artikel 3:3 van de Awb -als gesteld door eiseres- is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. Anders dan eiseres aanvoert is het weigeringsbesluit immers niet alleen gebaseerd op het monumentale karakter van het pand Oude Rijksweg 134 als beschreven in het advies van het Oversticht.

Tenslotte merkt de rechtbank nog op dat namens verweerder ter zitting twijfel is gezaaid of het pand Oude Rijksweg 134 -anders dan in de gedingstukken is vermeld- mogelijk toch een gemeentelijk monument is. Wat hiervan ook zij, verweerder kan dit aspect betrekken bij zijn nieuw te nemen besluit op bezwaar.

4.5. Slotsom Gelet op al het vorenoverwogene moet het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Verweerder zal met toepassing van artikel 8:72, lid 4 en lid 5, van de Awb worden opgedragen binnen de in het dictum genoemde termijn een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Voorts acht de rechtbank voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot betaling van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt aan verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Staphorst aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad ¦ 420,= vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op ¦ 710,=;

wijst de gemeente Staphorst aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiseres.

Gewezen door mr W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 1999 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 28 oktober 1999