Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3655

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
07-04-1999
Datum publicatie
24-06-2003
Zaaknummer
Awb 99/883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

DE PRESIDENT

reg.nr. : Awb 99/883 uitspraak: 7 april 1999

U I T S P R A A K

Uitspraak ex artikel 8:75 juncto 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A te B, verzoeker, gemachtigde: mr. A.J. Borg, juridisch me dewerker bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten, verweerder.

1. Inleiding

Bij besluit van 29 december 1998 heeft verweerder met toepassing van de artikelen 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en 50, vijfde lid, Woningwet (Wow) aan C te D - verder te noemen vergunninghouder - vrijstelling van de bepalingen van het geldende bestemmingsplan alsmede vergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie C, nummer 573 gedeeltelijk.

Tegen dat besluit is namens verzoeker bij schrijven van 20 januari 1999 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 11 februari 1999 is namens vergunninghouder aan de gemachtigde van verzoeker medegedeeld dat indien binnen een week na dagtekening van dat schrijven nog immer geen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, vergunninghouder met de bouwwerkzaamheden een aanvang zal maken.

Bij schrijven van 15 februari 1999 heeft de gemachtigde van verzoeker zich daarop tot de president van de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit.

Bij schrijven d.d. 18 februari 1999 heeft de griffier van de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld ter zitting van de president van de rechtbank op 4 maart 1999. Vergunninghouder alsmede Gedeputeerde Staten van Flevoland zijn ambtshalve in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partijen aan het geding deel te nemen.

Bij (telefax)schrijven van 3 maart 1999 is namens vergunninghouder aan de gemachtigde van verzoeker medegedeeld dat vergunninghouder inmiddels een nieuwe woning aan de [ ]laan 105 te [ ] heeft gekocht en dat vergunninghouder in verband daarmede - hoewel hij niet afziet van de bouw van een woning op genoemd perceel - hangende de bezwaarschrift procedure geen aanvang zal maken met de bouw op het onderhavige perceel. De gemachtigde van verzoeker is daarbij in overweging gegeven het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken bij gebrek aan een spoedeisend belang. Bij (telefax)schrijven d.d. 3 maart 1999 heeft de gemachtigde van verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening inge trokken. Daarbij is de president verzocht vergunninghouder te veroordelen in de kosten van het geding, omdat deze het verzoek om een voorlopige voorziening heeft uitge lokt.

2. Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75a Awb kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, tegelijk met de intrekking van het beroep gedaan.

De rechtbank is op grond van artikel 8:75 Awb bij uitsluiting bevoegd een partij in de kosten te veroordelen die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld, neergelegd.

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, Awb zijn de artikelen 8:75 en 8:75a Awb van overeen komstige toepassing bij intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening.

Vastgesteld moet worden dat in casu geen sprake is van een situatie als bedoeld in voormeld artikel 8:75a Awb. Verzoeker heeft dan ook niet verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Verzocht is uitsluitend vergunninghouder in deze kosten te veroorde len, omdat deze het verzoek zou hebben uitgelokt.

Ingevolge het eerste lid van voormeld artikel 8:75 Awb kan een natuurlijk persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. In het onderhavige geval is echter sprake van een situatie waarin vergunninghouder niet zelf een procedure heeft geëntameerd. Vergunninghouder is immers ambtshalve door de president van de rechtbank als partij - in casu als derde belanghebbende, wiens rechtspositie in geding is - bij het onderhavige geding be trokken. Vergunninghouder zelf heeft geen gebruik gemaakt van procesrecht, laat staan misbruik van procesrecht. Reeds om deze reden is voor een proceskostenveroordeling als namens verzoeker verzocht geen plaats. Dat vergunninghouder het verzoek om een voorlopige voorziening heeft uitgelokt, zoals namens verzoeker is gesteld, doet hieraan niet af. Te meer nu vergunninghouder ook zonder meer, zij het op eigen risico, met de werkzaamheden had kunnen beginnen.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De president

- wijst het verzoek tot veroordeling van vergunninghouder in de proceskosten af.

Gewezen door mr. H.C. Moorman, fungerend-presi dent,

en in het openbaar uitgesproken op 7 april 1999 in tegenwoordigheid van A. Kanis als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: