Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3615

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
20-05-1999
Datum publicatie
19-02-2004
Zaaknummer
Awb 99/3468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester en het college van college van burgemeester en wethouders van Almere hebben besloten medewerking te verlenen aan het houden van dansfestival 'The New Frontier" van zaterdag 19 juni 1999 vanaf 16.00 uur tot zondag 20 juni 1999 uiterlijk 07.00 uur op het Zilverstrand te Almere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1999/4290 met annotatie van L. Doorduijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

DE PRESIDENT

reg. nr. : Awb 99/3468

uitspraak : 20 mei 1999

U I T S P R A A K

van de president van de rechtbank betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

1. Bewoners Vereniging Muiden-Muiderberg, gevestigd te Muiderberg, gemachtigde: dhr. R.J.L.B. Königel

2. A en 13 andere private personen, allen wonende te B,

gemachtigden: de heren M.C.P. Braat en C.H. van der Tak, verzoekers,

en

de burgemeester van Almere,

gemachtigden: mw. M.K.F. Kievit, mw. L.Y. Niekoop en dhr. D.J. Rietkerk, ambtenaren van de gemeente Almere en dhr. J.W. Niggebrugge (Akoestisch adviesbureau Kupers en Niggenbrugge te Utrecht), verweerder

en LOC 7000 B.V., belanghebbende/ ontheffinghouder,

gemachtigden: H. Kuipers en W. Westerman (Mojo Concerts B.V.).

1. Besluiten waarop het verzoek betrekking heeft

De burgemeester en het college van college van burgemeester en wethouders van Almere hebben besloten medewerking te verlenen aan het houden van dansfestival 'The New Frontier" van zaterdag 19 juni 1999 vanaf 16.00 uur tot zondag 20 juni 1999 uiterlijk 07.00 uur op het Zilverstrand te Almere.

Daartoe zijn de volgende besluiten genomen:

1. Het besluit van 1 april 1999 van de burgemeester waarbij hij op grond van artikel B17 van de Algemene Plaatselijke Verordening 1996 (APV) vergunning heeft verleend voor het houden van voornoemd dansfestival van zaterdag 19 juni 1999 vanaf 16.00 uur tot zondag 20 juni 1999 uiterlijk 07.00 uur.

2. Het besluit van 1 april 1999 de burgemeester waarbij hij op grond van artikel D3, tweede lid, van de APV ontheffing heeft verleend voor het ten gehore brengen van levende muziek tijdens voornoemd dansfestival.

3. Het besluit van 1 april 1999 van het college van burgemeester en wethouders waarbij zij vergunning hebben verleend op grond van artikel 2.1.1. van de Brandbeveilingingsverordening voor het in gebruik hebben en/of houden van een inrichting waarin meer dan vijfentwintig personen tegelijk aanwezig zullen zijn tijdens voornoemd festival.

4. Het besluit van 1 april 1999 van de burgemeester waarbij hij ontheffing heeft verleend op grond van artikel 4, derde lid, van de Zondagswet, ten behoeve van het houden van een openbare vermakelijkheid, daartoe gelegenheid te geven of daaraan deel te nemen.

2. Het verloop van de procedure

Op 2 februari 1999 heeft belanghebbende aan verweerder vergunning gevraagd voor het houden van het dansfestival 'the New Frontier" op een gedeelte van het Zilverstrand te Almere van zaterdag 19 juni 1999 vanaf 16.00 uur tot zondag 20 juni 1999 uiterlijk 07.00 uur.

Op 11 februari 1999 heeft verweerder belanghebbende verzocht bovenvermelde vergunningaanvraag aan te vullen met maatregelen die genomen zullen worden om de (geluids)overlast zoveel mogelijk te beperken.

Op 3 maart 1999 heeft belanghebbende verweerder bericht welke maatregelen zullen worden getroffen teneinde de geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken.

Op 1 april 1999 heeft verweerder de bestreden beschikkingen verleend.

Op 8 april 1999 zijn de bestreden beschikkingen gepubliceerd in de plaatselijke bladen van de gemeente Almere en de gemeente Naarden.

Op 26 april 1999 hebben verzoekers bezwaar ingediend tegen deze beschikkingen. Voorts hebben verzoekers zich op dezelfde datum tot de president van de rechtbank gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb. Het verzoek strekt tot schorsing van het besluit van de burgemeester op grond van artikel D3, tweede lid van de APV 1996, waarbij ontheffing is verleend voor het ter gehore doen brengen van muziek tijdens het dansfestival.

Op 4 mei 1999 heeft verweerder de stukken ingediend. Op 7 mei 1999 is een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 mei 1999, waar partijen zijn verschenen. Zij hebben hun standpunten, in persoon en bij monde van genoemde gemachtigden nader toegelicht. Voor verzoeker sub 1 is het woord gevoerd door de heer M.C.P. Braat.

Als deskundige is gehoord ing. G. Nijhoff, werkzaam bij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te 's- Gravenhage.

3. Overwegingen

3.1Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dit in aanmerking genomen dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder d.d. 1 april 1999 het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2 Standpunten van partijen

Verzoekers voeren aan dat het te houden dansfestival, als gevolg van de locatie, de vergunningsdatum, de toegestane tijdsduur, de toegestane luidheid en de soort muziek, te veel (geluids)overlast in een relatief dicht bevolkte omgeving zal veroorzaken. Verzoekers achten de locatie Zilverstrand voor het festival onwenselijk. Uit protesten naar aanleiding van het in 1997 en in 1998 gehouden soortgelijke festival, blijkt dat de locatie Muiderzand overlast heeft bezorgd. Aangezien het Zilverstrand nog dichter bij Muiderberg is gelegen, zal de te verwachten overlast nog meer toenemen. Verzoekers achten voorts de datum waarop het festival zal worden gehouden ongewenst, aangezien mensen in dit midzomernachtweekeinde tot laat in de avond buitenshuis vertoeven. Bovendien kunnen, gelet op de - warme - tijd van het jaar, de ramen veelal niet tegen het lawaai worden gesloten. Voorts zijn verzoekers van mening dat de voor het festival toegestane tijdsduur te lang is en het toegestane geluidsniveau te hoog is. Volgens verzoekers is het te houden dansfestival aan te merken als een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer en valt het derhalve onder de werking van het Besluit horeca-, sport-en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna te noemen: het besluit). Volgens verzoekers overschrijden de door de bestreden beschikking toegestane geluidsni- veaus de normen van dit besluit met een factor honderd. Verzoekers zijn verder van mening dat de beschikking voorschriften ontbeert ter beperking van de overlast door trillingen. Bovendien is de beschikking niet voorzien van een deugdelijk akoestisch rapport. Voorts menen verzoekers dat de bestreden beschikking voorschriften ontbeert ter voorkoming van geluid- geïnduceerde gehoorschade bij deelnemers en medewerkers. Volgens verzoekers is de APV, waarop de bestreden beschikking is gebaseerd, voor wat betreft geluidhinder, niet meer in werking, nu in de APV wordt verwezen naar het Besluit horecabedrijven milieubeheer en deze, blijkens artikel 9.1. van het besluit, op 1 oktober 1998 is ingetrokken. Verzoekers zijn verder nog van mening dat elders in de gemeente Almere alternatieve locaties voor handen zijn om het festival te houden. Indien het festival toch doorgang moet vinden, wensen verzoekers verplaatsing van het festival naar het voor- of najaar, een verkorting van de toegestane tijdsduur, een vermindering van de maximaal toegestane luidheid bij de meetpunten in Muiderberg en het in de bestreden beschikking opnemen van een maximaal toegestane trillingsterkte. Volgens verzoekers zijn de bij hen bestaande bezwaren tegen het festival reeds geruime tijd - namelijk sinds juni 1998 - bij verweerder bekend zijn, zodat eventuele financiele consequenties van verplaatsing van het festival naar een andere locatie geen argument kan zijn.

Volgens verweerder is het dansfestival niet aan te merken als een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer. Derhalve is het Besluit horeca-, sport-en recreatie-inrichtingen op het evenement dan ook niet van toepassing en valt het evenement voor wat betreft de geluidsaspecten onder artikel D3 van de APV. Verweerder is van mening dat met de aan de ontheffing verbonden voorschriften voldoende rekening is gehouden met de belangen van verzoekers. Als uitgangspunt voor het stellen van deze voorschriften heeft verweerder de Nota 'Evenementen met een luidruchtig karakter' van de Inspectie Milieuhygiëne in Limburg genomen. Deze provincie heeft veel ervaring opgedaan met het jaarlijks terugkerend evenement Pinkpop in de gemeente Landgraaf. De nota geeft een handreiking met betrekking tot mogelijke geluidsniveau's om de ergste overlast te beperken. Verweerders hebben bovendien niet de door de nota ingegeven maximale geluidsniveau's gehanteerd. Zij hebben rekening gehouden met de klachten van omwonenden van vorig jaar doordat de door hun toegestane geluidsniveau's liggen onder de door de nota aangegeven geluidsniveau's. Het gemeten geluidniveau in Muiderberg tijdens het evenement van vorig jaar is een van de aanknopingspunten geweest voor de gestelde normen.

Bovendien is dit jaar, in tegenstelling tot voorgaande jaren, onderscheid gemaakt tussen het maximale geluidniveau overdag en gedurende de avond en het maximaal toegestane geluidniveau in de nachtelijke uren. In de ontheffing zijn waarneem- c.q. controlepunten opgenomen met betrekking tot maximale toegestane geluidniveau in de buurgemeenten. Tijdens het evenement zullen medewerkers van de gemeentelijke afdeling Milieu op deze waarneempunten metingen uitvoeren. Overigens is het bij dergelijke evenementen niet gebruikelijk om trillingsnormen op te nemen. Aan de bestreden beschikking zijn voorts middelvoorschriften verbonden om de geluidoverlast zoveel mogelijk te voorkomen.

Bovendien zullen gedurende het evenement voldoende poltiefunctionarissen aanwezig zijn om zorg te dragen voor een goed verloop van het evenement binnen de normen die zijn gesteld in de vergunning. Verweerder is van mening dat met voornoemde maatregelen en voorschriften voldoende rekening is gehouden met de belangen van verzoekers. Ten aanzien van de duur van het evenement merkt verweerder nog op dat deze weliswaar langer is dan vorig jaar maar dat het tijdstip vervroegd is. Voorts zijn de geluidbelastende acts zoveel mogelijk voor 01.00 uur ingepland.

Volgens verweerder zijn voor het festival geen geschikte alternatieve locaties voorhanden. De keuze voor het Zilverstrand als locatie voor het festival is met name voortgekomen uit het feit dat het Muiderstrand dit jaar - in verband met een daar te houden ander evenement - niet beschikbaar is. Voorts meent verweerder dat de aanwezigheid van de snelweg A6 en de spoorverbinding tussen de Randstad en Flevoland een gunstig effect zullen hebben op de geluidsoverlast. Tevens is de goede bereikbaarheid van deze locatie een belangrijk voordeel. De door verzoekers voorgestelde alternatieve locaties hebben voornoemde voordelen niet.

Ten aanzien van de door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren met betrekking tot het dreigende gevaar van gehoorschade voor bezoekers is verweerder van mening dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn, aangezien geen sprake is van een rechtstreeks en persoonlijk belang. Volgens verweerder zal de geluidsbelasting, gelet op de verklaringen van de GGD en een arts, voor bezoekers geen gehoorschade opleveren. Bij het verlenen van de vergunningen c.q. ontheffing ten behoeve van het festival heeft verweerder een weloverwogen afweging gemaakt tussen de belangen van de omgeving en de belangen van de organisatie en het publiek. Verweerder heeft bij het maken van deze afweging de belangen laten prevaleren van de ongeveer 15.000 jongeren die het festival zullen bezoeken en waarvoor in de regio weinig uitgaansvoorzieningen zijn.

Belanghebbende heeft naar voren gebracht dat het festival nu voor de derde keer georganiseerd wordt. Het eerste jaar was een succes, er kwamen geen klachten binnen. De organisatie is dan ook geschrokken van de naar aanleiding van het vorig jaar gehouden festival ingekomen klachten. Derhalve is gekozen om het evenement dit jaar op een andere locatie te laten plaatsvinden. Men hoopt dat de aanwezigheid van de spoorlijn en de snelweg de geluidsoverlast zal verminderen zodat eveneens de grootste toestroom van bezwaren zal worden ingeperkt.

Dit soort evenementen gaat echter normaliter gepaard met een behoorlijk volume aan geluid. Het is voorts niet mogelijk om een lager geluidniveau te hanteren, aangezien dan een openbare orde probleem zal ontstaan. Evenmin ligt het in de rede om het festival op een eerder tijdstip te laten eindigen of deze naar een andere datum te verschuiven. Belanghebbende benadrukt voorts dat het van zeer groot belang is dat het festival doorgang kan vinden. De voorbereidingen voor het festival zijn reeds in volle gang.

3.3Beoordeling van het verzoek

Verzoekers wonen in Muiderberg. De bewonersvereniging stelt zich blijkens haar statuten en feitelijke activi- teiten ten doel de verbetering en het behoud van de kwaliteit van het leefmilieu van de inwoners van Muiderberg en Muiden. Muiderberg is gelegen aan de andere zijde van het IJmeer, op ca. 1,3 km afstand van het feestterrein en daarvan slechts gescheiden door water, aan de andere zijde van de Hollandse brug, waar- achter het festival zal plaatsvinden.

Anders dan verzoekers is de president van oordeel dat het dansfestival met tenten, geluidsinstallaties en andere voorzieningen niet kan worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer. Een bepaalde bedrijvigheid die zich met een zekere regelmaat op dezelfde plaats afspeelt kan wel als zodanige inrichting worden aangemerkt, maar een activiteit die eenmaal per jaar wordt georganiseerd, en op deze lokatie voor de eerste keer, valt daar niet onder. Derhalve heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel D3 van de APV 1996 van Almere op het dansfeest van toepassing is.

Wat betreft de waardering van de in aanmerking te nemen belangen overweegt de president dat verweerder de bezwaren, ingediend tegen de ontheffingverlening voor het vergelijkbare dansfeest in 1998 wegens verlies van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat ten tijde van de beslissing op het bezwaarschrift het evenement reeds had plaats gevonden. Datzelfde zal, naar valt te verwachten, uitgaande van dezelfde behandelduur van circa 6 maanden, weer gebeuren met de tegen het thans in geding zijnde dansfeest ingediende bezwaren.

Dat betekent dat het rechterlijk oordeel over de aanvaardbaarheid van het evenement alleen in de voorlopige voorzieningprocedure kan worden ingeroepen. Om die reden zal geen groot gewicht worden toegekend aan argumenten die ertoe strekken te betogen dat de gevraagde voorlopige voorziening moet worden geweigerd omdat de organisatie van het evenement al ver is gevorderd, er al verplichtingen zijn aangegaan en al kosten zijn gemaakt. Een andere benadering zou tot gevolg hebben dat de rechtsbescherming van derden illusoir zou worden.

Ingevolge artikel D3, eerste lid, van de APV Almere is het verboden met geluidsapparaten handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen worden verricht. Blijkens artikel D3, tweede lid, kan de burgemeester indien de in het eerste lid bedoelde handelingen verband houden met een evenement, van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Blijkens het derde lid van voornoemd artikel geldt het in het eerste lid niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet Geluidhinder, de Zondagswet en het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

In 1997 is op een op ongeveer 1,5 km van Muiderberg gelegen lokatie, het Muiderzand, een dansfeest gehouden dat in Muiderberg niet tot zeer hoge geluidsniveaus heeft geleid omdat er een sterke wind stond vanaf Muiderberg naar het festivalterrein. Ten tijde van het in 1998 gehouden dansfeest, eveneens op het Muiderzand, was het windstil weer, als gevolg waarvan in Muiderberg geluidniveaus werden bereikt van 65 à 67 dB(A). Dit heeft geleid tot een groot aantal klachten, zowel telefonisch als schriftelijk, waaronder ook een klacht van het gemeentebestuur van Muiden. De evaluatie van het evenement in 1998 heeft geleid tot de conclusie dat bij een herhaling van het overigens geslaagde feest vroegtijdig aandacht diende te worden besteed aan de beheersbaarheid van het geluid.

Voor 1999 is het dansfeest gepland op het Zilverstrand, dat nog iets dichter bij Muiderberg is gelegen (op 1,3 km afstand) maar daarvan akoustisch enigzins wordt afgeschermd door de spoordijk met brug. Voor de normstelling heeft verweerder bij de ontheffingverlening aansluiting gezocht bij de Nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Inspectie Milieuhygiëne Limburg) van augustus 1996, verder te noemen de Nota. Door de deskundige is deze Nota aangemerkt als een bruikbare handreiking voor het bevoegd gezag bij vergunning- en ontheffingverlening.

Uitgangspunt van deze Nota is dat ten gevolge van een evenement binnenshuis het geluidsniveau niet dusdanig mag toenemen dat de spraakverstaanbaarheid in het gedrang komt, met andere woorden dat men luid moet gaan spreken om elkaar nog te kunnen verstaan. Dit uitgangspunt leidt tot een normstelling voor het binnenniveau van 50 dB(A) en daarvan afgeleid, uitgaande van een gevelisolatie van 20 à 25 dB(A), tot een maximale geluidsbelasting buiten van 70 à 75 dB(A). Voor de nachtperiode is volgens de Nota normstelling gerelateerd aan de spraakverstaanbaarheid onvoldoende, aangezien daarbij een normale nachtrust niet mogelijk is. Uitgaande van een gewenst binnenniveau van 25 dB(A) en een gevelisolatie van 20 à 25 dB(A) mag in de nachtperiode de geluidsbelasting op de gevel van een woning niet meer bedragen dan 45 à 50 dB(A). De nachtperiode kan volgens de Nota 1 à 2 uur later ingaan dan normaal (23.00 uur) indien de volgende dag een vrije dag is.

Verweerder heeft als geluidsimmissienorm voor de woningen in (onder andere) Muiderberg gesteld: 65 dB(A) in de dag- en avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode, die om 01.00 uur ingaat. Bij die normstelling is tevens bepaald dat de straffactor voor muziekgeluid niet wordt toegepast.

De strekking van die straffactor is tot uitdrukking te brengen dat muziekgeluid als extra hinderlijk wordt ervaren in verband met de herkenbaarheid van het geluid, evenals het geval is met tonaal of pulserend geluid. Volgens de algemeen aanvaarde en toegepaste regels voor het meten en beoordelen van geluid (Handleiding Meten en rekenen Industrielawaai IL-HR-13- 01), die ook bij deze ontheffing zijn toegepast, dient daartoe bij het gemeten muziekgeluidsniveau 10 dB(A) te worden opgeteld. Van dat niveau dient vervolgens te worden beoordeeld of het de gestelde norm al dan niet overschrijdt. De deskundige heeft verklaard dat er geen enkele reden is om in dit geval van die regels af te wijken en toepassing van die straffactor achterwege te laten. Verweerder heeft daarvoor ook geen argumenten aangedra- gen.

Dat betekent dat voor de beoordeling of aan de gestelde norm wordt voldaan bij de te meten waarden 10 dB(A) moet worden opgeteld. Derhalve mag, wil de norm niet worden overschreden, afhankelijk van de dag- dan wel de nachtperiode, niet meer dan 55 respectievelijk 50 dB(A) aan muziekgeluid in Muiderberg waarneembaar zijn. De gestelde norm van 65/60 dB(A) is zodanig gekozen dat, rekening houdend met de reductie door de afstand, in de tenten op het feestterrein nog een geluidsniveau mogelijk is dat als minimum voor de deelnemers nog juist aanvaardbaar is (in de nachtperiode afhankelijk van het weer: 98 dan wel 93 dB(A)). Een lager niveau zal, aldus de mededeling ter zitting zijdens de vergunninghouder, tot ordeproblemen met de bezoekers leiden, want die verlangen een minimum geluidsniveau van circa 95 dB(A).

Dit op het feestterrein minimaal aan te houden expositieniveau zal volgens de berekeningen van verweerder in Muiderberg leiden tot een immissieniveau van 65/60 dB(A), welke belasting door toepassing van de straffactor voor de beoordeling moet worden gelijkgesteld met 75/70 dB(A). Met de mogelijkheid dat evenals in 1997 een harde wind uit een gunstige richting de geluidsproblematiek beheersbaar zou maken is bij de berekening van de te verwachten geluidsbelasting terecht geen rekening gehouden.

De berekende geluidsbelasting inclusief straffactor is hoger dan de door verweerder gestelde norm, maar komt overeen met de in de Nota genoemde norm van 75/70 dB(A).

Effectief komt de door verweerder gestelde norm van 60/65 dB(A) exclusief straffactor overeen met de hogere norm van 75/70 dB(A) inclusief straffactor. Aldus bezien zou een geluidsbelasting van 65 dB(A) in de dag- en avondperiode wellicht aanvaardbaar kunnen worden geacht. Het betekent weliswaar dat er van rustig buiten zitten en converseren en van midzomerfestiviteiten in (een aanzienlijk deel van) Muiderberg niet of nauwelijk sprake kan zijn, maar het betreft overlast die eenmaal per jaar optreedt en waaraan de bewoners zich kunnen onttrekken door gedurende die periode elders hun heil te zoeken.

Anders ligt dat naar het ordeel van de president voor de nachtperiode. Dat verweerder die eerst laat aanvangen om zondag 01.00 uur is aanvaardbaar nu het niet om een werkdag gaat. Volgens de Nota dient in de nachtperiode niet de spraakverstaanbaarheid binnenshuis maar de mogelijkheid van nachtrust uitgangspunt te zijn. De deskundige heeft stellig en zonder voorbehoud verklaard dat bij een beoordelingsniveau van 60 + 10 dB(A) als gevelbelasting binnenshuis het geluidsniveau zodanig zal zijn dat geen nachtrust meer mogelijk is. Daarbij speelt mede een rol dat het ontvangen geluidsniveau relatief veel lage tonen bevat, omdat door de afstand absorbtie van geluid aan de lucht plaats vindt en dat betreft vooral de hoge tonen. Het geluidwerend effect van de gevel is juist voor lage tonen geringer, zodat de isolatiewaarde van de gevel niet op de gebruikelijke 20 à 25 dB(A) mag worden gesteld.

Ter zitting is van de zijde van verweerder verklaard dat bij de keuze van de normstelling de doorslag heeft gegeven dat het evenement moet kunnen doorgaan, ook in de nachtperiode, en dat daarbij voor lief is genomen als dat voor een deel van de inwoners van Muiderberg tot gevolg heeft dat in hun woning een akoustisch klimaat onstaat waarbij het niet mogelijk is te slapen. Het argument dat daarvoor een oplossing zou kunnen worden gevonden door in de woning in een andere ruimte te gaan slapen waar dat vanwege het geluidsniveau wel mogelijk zou zijn, kan niet overtuigen. Er is immers in het geheel niet duidelijk of die mogelijkheid er is. Gelet op de geluidsimmissie van relatief veel lage tonen valt te verwachten dat niet alleen de isolatiewaarde van de gevel maar ook van de binnenwan- den beperkt is.

De consequentie is derhalve dat de betreffende bewoners ofwel van hun nachtrust worden beroofd ofwel ook 's nachts hun woning moeten verlaten en elders onderdak en slaapgelegenheid moeten zoeken. Verweerder heeft niet kunnen aangeven hoeveel bewoners door de ontheffingverlening in die positie worden gebracht. Gelet op hetgeen door verzoekers is gesteld en in aanmerking genomen het grote aantal klachten in 1998 moet het ervoor worden gehouden dat het ten minste om vele tientallen en zeer waarschijnlijk om honderden bewoners gaat.

Een dergelijk vergaande inbreuk in de persoonlijke levenssfeer kan alleen gerechtvaardigd worden geacht wanneer andere, zeer zwaarwegende belangen dat vorderen.

De vergunninghouder heeft een commercieel belang bij het kunnen houden van het dansfestival (hoewel blijkens het evaluatieverslag het feest van 1998 financieel niet positief is afgesloten) en de potentiele bezoekers (verwacht worden ongeveer 15.000) hebben belang bij het kunnen bijwonen van het evenement. Het festival voorziet, gelet op het feit dat het thans voor het derde achtereenvolgende jaar wordt georganiseerd, in een behoefte.

Blijkens het verhandelde ter zitting komt de helft van de bezoekers uit Flevoland. Het feest kan blijkens het verhandelde ter zitting niet naar een andere datum worden verschoven omdat het is ingepast in een kalender van dergelijke evenementen. Daaruit kan worden afgeleid dat de liefhebbers van een dergelijk feest niet alleen op het festival in Almere zijn aangewezen. De lokatie op het strand maakt deze plaats tot een aantrekkelijke voor het evenement. Dat betekent echter niet dat er in de gemeente Almere (of daarbuiten) niet andere ook voor dit doel geschikte lokaties zouden zijn waarbij de belangen van derden niet of in veel mindere mate in het geding zijn.

Ter zitting is gebleken dat daarnaar niet serieus is gekeken. Dat er in de gemeente Almere of elders in Flevoland geen andere bruikbare lokaties zijn, is niet aannemelijk gemaakt. Het argument dat andere mogelijke lokaties niet of minder goed per openbaar vervoer bereikbaar zijn ziet voorbij aan het feit dat ook de opzet van het feest aan het Zilverstrand er in voorziet dat de bezoekers die per openbaar vervoer komen vanaf het station per bus zullen worden vervoerd naar het feestterrein. Datzelfde kan gebeuren naar elke andere lokatie.

Verweerder heeft onderzocht of door het treffen van tijdelijke geluidwerende voorzieningen op het feestterrein te bewerkstelligen is dat de geluidsemissie buiten dat terrein in betekenende mate kan worden teruggebracht. Die mogelijkheden zijn echter als praktisch niet uitvoerbaar en ook weinig effectief terzijde geschoven.

Het beperken van de duur van het feest tot de aanvang van de nachtperiode (in casu tot 01.00 uur) biedt ook geen mogelijkheid de tegengestelde belangen te verzoenen aangezien daarmee de exploitatie van het evenement niet meer mogelijk is.

Het vorenstaande leidt de president tot het oordeel dat er geen zwaarwegende belangen zijn die een vergaande inbreuk op de belangen van verzoekers rechtvaardigen, terwijl die inbreuk niet tot aanvaardbare proporties is terug te brengen door het treffen van enige voorziening. Evenmin kan een oplossing worden gevonden door de betreffende bewoners financieel te compenseren of anderszins genoegdoening te geven. Belanghebbende heeft verklaard daartoe in beginsel zeker bereid te zijn, maar vanwege de grootte van de groep is dat hier niet haalbaar.

Door de ontheffingverlening voor het feest op deze lokatie worden, in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, de belangen van verzoekers dan ook onevenredig geschaad, hetgeen in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de president zal het besluit tot ontheffingverlening om die reden in rechte geen stand kunnen houden. Derhalve is er reden het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit te schorsen.

Gelet op het voorgaande acht de president termen aanwezig om te bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht vergoedt en om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten, die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ? 1.420,-.

4. Beslissing

De president van de rechtbank,

- wijst het verzoek toe;

- schorst het bestreden besluit van verweerder van 1 april 1999, houdende het verlenen van ontheffing op grond van artikel D3, tweede lid, van de APV voor het ten gehore brengen van muziek tijdens het dansfestival 'New Frontier';

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek hebben moeten maken, tot op heden begroot op f 1.420,-;

- wijst de gemeente Almere aan als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers vergoedt;

- gelast dat de gemeente Almere aan verzoekers het griffierecht vergoedt ad f 450,-.

Aldus gewezen door mr. H.C. Moorman, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. K. Heiting als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 1999.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: