Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3406

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WW 98/1848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: WW 98/1848

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1971, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mw mr M.B.W.G. Beutener, advocaat en procureur te Deventer,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam

(uitvoeringsinstelling: het GUO, dk Arnhem), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 18 februari 1998.

2. Zitting

Datum: 8 februari 1999.

Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is niet verschenen.

3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt

Eiser is op 21 september 1992 werkzaamheden gaan verrichten voor X te Y, verder te noemen X. In de jaren 1992 tot en met 1995 zijn die werkzaamheden gedurende de wintermaanden telkens onderbroken geweest in verband met het seizoensgebonden karakter ervan.

Het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven (de rechtsvoorganger van verweerder) heeft eiser op basis van de onderbrekingsregeling telkens voor de winterperiode, voor het eerst met ingang van 21 december 1992, een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Aldus is aan eiser uitkering op grond van de WW betaald gedurende de periode van 21 december 1992 tot 22 maart 1993, van 19 november 1993 tot 14 maart 1994 en van 12 december 1995 tot 20 maart 1995

Uit een terzake ingesteld onderzoek is gebleken dat eiser in deze perioden van werkloosheid werkzaamheden heeft verricht voor X, zonder dat hij daarvan mededeling heeft gedaan aan verweerder. Bij besluit van 27 februari 1997 (medegedeeld bij brief d.d. 13 maart 1997) heeft het bestuur van de Bedrijfsvereniging het volgende besloten.

1. Ingaande 21-12-1992, 19-11-1993, en 12-12-1994 bestaat er geen recht meer op uitkering omdat eiser niet werkloos c.q. beschikbaar voor de arbeidsmarkt is.

2. Over de periode 23-01-1995 tot en met 29-01-1995 en 06-03-1995 t/m 19-03-1995 dient de uitkering gedeeltelijk te worden beëindigd.

3. Ingaande 21-12-1992, 19-11-1993, en 12-12-1994 voorzover eiser werkloos is te achten, de uitkering krachtens de Werkloosheidswet blijvend geheel te weigeren in verband met de door eiser gepleegde benadelingshandeling.

4. De ten onrechte verstrekte uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet over de perioden: 21-12-1992 t/m 21-03-1992, 19-11-1993 t/m 13-03-1994, 12-12-1994 t/m 19-03-1995 tot een totaal bedrag van fl. 16.516,32 inclusief fl. 4248,33 loonheffing terug te vorderen dan wel te verrekenen met later te betalen uitkeringen krachtens de WW, ZW AAW/WAO en/of de Toeslagenwet.

5. Vanwege het plegen van een benadelingshandeling gedurende de periode 12-12-1994 t/m 05-03-1995 een bedrag van fl. 10.432,43 inclusief fl. 2543,14 loonheffing terug te vorderen dan wel te verrekenen met later te betalen uit keringen krachtens de WW, ZW, AAW/WAO en/of de Toeslagenwet. Op grond daarvan vordert verweerder fl. 26.948,75 van eiser terug.

Namens eiser is bij brief van 22 april 1997 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft op 18 februari 1998 besloten dit bezwaar ongegrond te verklaren en zijn besluit van 13 maart 1997 te handhaven. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 1 april 1998 beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit, aangevuld bij een op 16 juli 1998 ter griffie van de rechtbank ingekomen brief.

Verweerder heeft bij brief van 3 september 1998 een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 16 november 1998 door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering

In geschil is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Eiser heeft doen aanvoeren enerzijds dat hij in de betreffende perioden weliswaar heeft gewerkt maar slechts gedurende een deel van de tijd en dat verweerder zulks niet nauwkeurig genoeg heeft uitgezocht en anderzijds dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de druk waaraan hij werd blootgesteld door zijn werkgever.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, voorzover er in de betreffende perioden wel sprake is geweest van werkloosheid er over die dagen niettemin geen recht op uitkering bestaat in verband met de blijvende gehele weigering van de uitkering bij wege van sanctie wegens het plegen van een benadelingshandeling, bestaande uit het niet opgeven van de uren en genoten inkomsten. Het resultaat is per saldo een volledige weigering van uitkering over de betreffende perioden, zodat het niet relevant is om precies na te gaan op welke dagen door eiser wel en niet is gewerkt.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser, in de jaren 1992 tot en met 1995 gedurende de perioden dat hij uitkering op grond van de WW genoot, werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten zonder daarvan mededeling te doen aan verweerder. Deze vaststelling leidt in de eerste plaats tot de conclusie dat eiser gedurende de dagen dat hij gewerkt heeft niet werkloos was en dus geen recht op uitkering had. Terecht heeft verweerder over deze dagen uitkering geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 16 juncto artikel 20 van de WW. De door verweerder gebruikte formulering (gedeeltelijke weigering van uitkering over de betreffende perioden) is minder juist. De rechtbank verstaat dit echter als een weigering van uitkering over die weken waarin geen sprake is van werkloosheid en een gedeeltelijk weigering over die weken waarin sprake is van gedeeltelijke werkloosheid.

In dit verband kan niet voor juist worden gehouden hetgeen verweerder in het primaire besluit onder 1 heeft besloten, te weten dat ingaande 21 december 1992, 19 november 1993 en 12 december 1994 geen recht op uitkering bestaat omdat eiser niet werkloos is c.q. niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Dit impliceert immers dat in de betreffende perioden in het geheel geen sprake zou zijn geweest van werkloosheid, hetgeen in strijd is met de aanname van verweerder dat er in die perioden sprake is geweest van (gedeeltelijke) werkloosheid. Ten onrechte is dit onderdeel van het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.

Over de precieze omvang van deze werkzaamheden heeft eiser geen zekerheid kunnen verschaffen. Wel heeft eisers gemachtigde een overzicht van gewerkte weken in de procedure gebracht, maar aangezien de betreffende werkzaamheden en verdiensten volledig buiten de administratie van zijn werkgever zijn gehouden kan aan dit, door eiser zelf opgestelde en in geen enkel opzicht onderbouwde overzicht geen bewijskracht worden toegekend.

Het achterhalen van het aantal gewerkte dagen zou overigens ook alleen zin hebben indien de blijvende gehele weigering bij wege van sanctie over de betreffende perioden, waartoe verweerder tevens heeft besloten, geen stand zou kunnen houden.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de hiervoor vastgestelde nalatigheid van eiser om mededeling te doen van zijn werkzaamheden en inkomsten tot de conclusie leidt dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een gedraging in strijd met de inlichtingenplicht zoals deze is vervat in artikel 25 (tot 1 augustus 1996: sub a) van de WW.

Op grond van artikel 27 van de WW, zoals dat luidde tot 1 augustus 1996 en ingevolge het overgangsrecht van toepassing is gebleven op de hier aan de orde zijnde gedragingen, is verweerder bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.

Blijkens het antwoord van verweerder op de door de rechtbank gestelde vragen werd ten tijde hier van belang ter zake van de uitoefening van de genoemde sanctiebevoegdheid als beleid gevoerd dat de uitkering blijvend geheel werd geweigerd in geval van ernstige en aperte fraude. De rechtbank kan dat beleid niet voor onredelijk houden.

Het gedrag van eiser kan naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als ernstige en aperte fraude. Eiser heeft immers bij herhaling en naar zijn eigen opgave in elk winterseizoen telkens voor een tijdsduur variërend van vier tot acht weken gewerkt en daaruit inkomsten genoten naast zijn uitkering zonder daarvan melding te maken, in het besef dat zulks in strijd met de regels was en wetend daarmee verweerder te benadelen.

Verweerder heeft dan ook in redelijkheid, overeenkomstig het terzake geformuleerde beleid, gebruik kunnen maken van de bevoegdheid de uitkering over de onderscheidene perioden blijven geheel te weigeren, met één uitzondering, waarop hierna zal worden teruggekomen.

Van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten doen besluiten af te zien van het weigeren van de uitkering is niet gebleken. Als zodanige omstandigheid merkt de rechtbank niet aan dat, naar eiser stelt, door de werkgever druk op hem is uitgeoefend. Uit het procesverbaal van verhoor van eiser d.d. 26 februari 1996 blijkt dat hij is ingegaan op het voorstel van de werkgever om zwart te gaan werken. Hij heeft wel gevraagd aan de werkgever hoe dat kon naast zijn uitkering, maar heeft genoegen genomen met het antwoord "daar komen we wel uit" of woorden van gelijke strekking, want hij kon het geld goed gebruiken en alle andere personeelsleden van X deden hetzelfde. Dat duidt niet op grote pressie van de zijde van de werkgever. Voorzover er anderszins sprake is geweest van sociale druk had van eiser verwacht mogen worden dat hij daaraan weerstand bood.

De blijvende gehele weigering over de hier in geding zijnde perioden kan in één opzicht geen stand houden en wel op grond van het volgende. Blijkens het overzicht van gewerkte weken zoals dat door eiser bij de rechtbank is ingebracht heeft hij in de periode 22 december 1992 tot en met 21 maart 1993 vier weken gewerkt op een project te Z. Volgens de agenda die eiser in het kader van de bezwarenprocedure heeft overgelegd, zouden die werkzaamheden zijn aangevangen op 12 januari 1993.

Dat stemt geheel overeen met hetgeen eiser bij zijn verhoor op 26 februari 1996 heeft verklaard: "De eerste keer dat ik in verband met onderbrekingswerkloosheid door X werd aangemeld bij de bedrijfsvereniging was op 22 december 1992. Ik heb toen aaneengesloten een uitkering ontvangen tot 21 maart 1993. Al vrij snel nadat ik in de onderbreking zat, voorzover ik mij herinner ergens in de maand januari 1993, nam W. X telefonisch contact met mij op. Hij vroeg aan mij of ik zaagwerkzaamheden kon verrichten binnen een project alwaar hij al sinds enige tijd werkzaam was te Z-V. Ik ben daar toen mee accoord gegaan. Dit betroffen dus werkzaamheden die ik deed tijdens mijn uitkeringsperiode."

Op grond daarvan mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat eiser na het ontstaan van zijn werkloosheid op 22 december 1992 eerst werkzaamheden is gaan verrichten op 12 januari 1993, zodat met ingang van week 2 (aanvangend op 11 januari 1993) de werkloosheid gedeeltelijk en met ingang van week 3 van 1993 de werkloosheid geheel is geëindigd. Dat betekent dat er geen grond is om over de periode tussen 22 december 1992 en 11 januari 1993 de uitkering te weigeren op grond van het eindigen van de werkloosheid. Evenmin kan over die periode de uitkering worden geweigerd bij wege van sanctie. Immers eiser heeft niet eerder dan op 12 januari 1993 melding hoeven maken van zijn op die datum aangevangen werkzaamheden. Pas op die datum is hij, door zulks na te laten, in overtreding van het bepaalde in artikel 25 van de WW en pas op dat moment is voor verweerder de bevoegdheid ontstaan de uitkering blijvend geheel te weigeren over de (dan nog resterende) uitkeringsperiode tot en met 21 maart 1993.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de blijvende gehele weigering over de periode van 22 december 1992 tot en met 21 maart 1993 in rechte geen stand kan houden en bij het bestreden besluit ten onrechte is gehandhaafd.

Aangezien het teruggevorderde bedrag niet is gespecificeerd naar de onderscheidene perioden betekent dit dat het bedrag van de terugvordering, zoals opgenomen in het besluit van 27 februari 1997 onjuist is. De handhaving in het bestreden besluit van de terugvordering komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. Nu dat bedrag moet worden verlaagd met een thans niet vast te stellen bedrag kan de rechtbank niet, zelf voorziend, het juiste terugvorderingsbedrag vaststellen.

Daarnaast is de rechtbank opgevallen dat over de periode van 12 december 1994 tot en met 19 maart 1995 (een niet te traceren bedrag aan) uitkering wordt teruggevorderd (primair besluit onder 4) en daarnaast nogmaals uitkering (ten bedrage van f 10.432,43) wordt teruggevorderd over een deel van deze periode, te weten het tijdvak van 12 december 1994 tot en met 5 maart 1995 (primair besluit onder 5).

Ieder inzicht in de berekening van het terug te vorderen bedrag ontbreekt. In het dossier bevindt zich geen deugdelijke specificatie. De enige cijfermatige opstelling die hier relevant lijkt te zijn (het ongedateerde overzicht van aan eiser uitbetaalde bruto uitkering plus overhevelingstoeslag, resulterend in een totaalbedrag van f 24.676,22) lijkt bij vluchtige beschouwing reeds onjuist omdat daarin ook is begrepen hetgeen eiser aan uitkering is verstrekt in de periode van 19 december 1991 tot en met 23 februari 1992. De in het primaire besluit vervatte weigering van uitkering strekt zich niet tot die periode uit, zodat terugvordering van de in die periode betaalde uitkering niet aan de orde kan zijn. Het besluit van 27 februari 1997 ontbeert op dit punt derhalve een deugdelijke feitelijke onderbouwing, hetgeen in strijd is met artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dat besluit is in bezwaar dan ook ten onrechte gehandhaafd.

Hoewel van de zijde van eiser niet de berekening van het terug te vorderen bedrag ter discussie is gesteld is de rechtbank van oordeel niet de grenzen van het geding, zoals die volgen uit het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te miskennen door de juistheid van die berekening te toetsen. Immers eiser heeft met het instellen van het beroep beoogd de hoogte van de terugvordering op een lager bedrag vastgesteld te krijgen, zij het met argumenten die geen doel blijken te treffen. Bovendien is door het ontbreken van een behoorlijke specificatie de juistheid van het terugvorderingsbedrag nu juist moeilijk te beoordelen en met argumenten te bestrijden.

Resumerend komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de beslissing op het bezwaarschrift de volgende onderdelen van het besluit d.d. 27 februari 1997 ten onrechte zijn gehandhaafd:

1) hetgeen daarin onder 1 is besloten aangaande het niet bestaan van recht op uitkering;

2) de blijvende gehele weigering ingaande 21 december 1992;

3) de terugvordering.

Het bestreden besluit komt om die redenen voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift hebben te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen aan eiser de kosten te vergoeden die hij in redelijkheid heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke worden begroot op f 1420,-, door verweerder te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ad f 55,vergoedt.

Gewezen door mr H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 1999

in tegenwoordigheid van H.C. Koopmans als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op