Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:94

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
AWB- 20_8658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8658 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij 1] , [naam derde partij 2] en [naam derde partij 3], allen wonende te [plaatsnaam 2] .

Procesverloop

Eiser heeft op 24 september 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van zijn handhavingsverzoek van 26 juni 2020 (bestreden besluit 1).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 oktober 2020 heeft het college alsnog op de bezwaren van eiser beslist.

Bij besluit van 20 mei 2021 heeft het college eiser kenbaar gemaakt dat het geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank heeft het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen de besluit van 20 oktober 2020 (bestreden besluit 2) en 20 mei 2021 (bestreden besluit 3).

Het beroep is – gelijktijdig met een samenhangend beroep onder zaaknummer BRE 20/8657 GEMWT – besproken op de zitting van de rechtbank op 13 oktober 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en namens het college mr. R.G.L. van de Ven en [naam vertegenwoordiger verweerder] Namens de derde partij is niemand verschenen.

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

Feiten en voorgeschiedenis

1.1.

Eiser woont aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] .

Op 28 augustus 2018 en 31 augustus 2018 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van autowrakken (hierna te noemen: de buitenopslag) en het ontbreken van brandbeveiliging op het perceel [adres 2] te [plaatsnaam 1] . Het perceel ligt direct achter eisers woning. Op het perceel staat een loods en het perceel en de loods waren ten tijde van het bestreden besluit van 20 oktober 2020 eigendom van de heren [naam derde partij 2] , [naam derde partij 1] en [naam derde partij 3] (hierna: [derde partijen] ). Zij exploiteren in [plaatsnaam 2] een autoschadebedrijf.

Die handhavingsverzoeken zijn afgewezen en het bezwaar van eiser daartegen is bij besluit van 20 februari 2020 ongegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan heeft eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 19/6781 GEMWT.

1.2.

Hangende dat beroep heeft eiser bij brief van 26 juni 2020 een nieuw handhavingsverzoek bij het college gedaan, enerzijds opnieuw tegen de buitenopslag, anderzijds tegen de op het perceel aanwezige loods, die volgens eiser niet voldoet aan de eisen voor bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2012 en het Activiteitenbesluit milieubeheer.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 juli 2020 het beroep met zaaknummer BRE 19/6781, voor zover gericht tegen het besluit van 20 februari 2020, gegrond verklaard, waarbij het besluit is vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college in het besluit van 20 februari 2020 geen volledige heroverweging heeft verricht, aangezien het feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordeden buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

1.4.

Eiser heeft het college vervolgens bij brief van 30 juli 2020 gemeld dat hij zijn handhavingsverzoek van 26 juni 2020 handhaaft.

1.5.

Bij brief van 31 augustus 2020 heeft eiser het college erop gewezen dat de wettelijke termijn om te beslissen op zijn handhavingsverzoek van 26 juni 2020 is verstreken, waarbij eiser het college in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft het college daarbij verzocht om binnen 14 dagen alsnog een besluit op zijn handhavingsverzoek te nemen.

1.6.

Op 20 oktober 2020 heeft het college, overeenkomstig de opdracht van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van eiser beslist. Het beroep dat daartegen is ingesteld is betreft het beroep met zaaknummer BRE 20/8657 GEMWT. In het besluit van 20 oktober 2020 heeft het college aangegeven dat tevens wordt beslist op het handhavingsverzoek van 26 juni 2020.

1.7.

Het college heeft op 20 mei 2021 beslist over de verschuldigdheid van een dwangsom.

Omvang geschil

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college met het besluit van 20 oktober 2020 ook op het handhavingsverzoek van 26 juni 2020 heeft beslist. Ook niet in geschil is dat het college de termijn om te beslissen op het handhavingsverzoek van 26 juni 2020 heeft overschreden.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend naar aanleiding van het besluit van 20 oktober 2020 op het handhavingsverzoek van 26 juni 2020.

Aan de rechtbank ligt in deze procedure uitsluitend ter beoordeling voor of het college vanwege de termijnoverschrijding een dwangsom aan eiser is verschuldigd.

Dwangsom verschuldigd?

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom verschuldigd is, omdat eiser het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld.

4. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

In artikel 4:13, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

In artikel 4:14, derde lid, van de Awb is bepaald dat, indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan dit binnen deze termijn meedeelt aan de aanvrager en het daarbij een redelijke termijn noemt binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien:

  1. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

  2. de aanvrager geen belanghebbende is, of

  3. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Artikel 4:18 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn handhavingsverzoek van 26 juni 2020 per post en per elektronische weg aan het college heeft toegezonden. Uit het verweerschrift blijkt dat het verzoek ook op 26 juni 2020 door het college is ontvangen.

Uitgaand van een wettelijke beslistermijn van acht weken had het college op uiterlijk 20 augustus 2020 een besluit op het handhavingsverzoek moeten nemen.

Dat heeft het college in het verweerschrift ook bevestigd. Het college heeft daarbij echter gewezen op zijn brief van 20 augustus 2020, waarin het heeft uitgelegd hoe de verdere procedure zou verlopen. Het college stelt dat deze brief moet worden aangemerkt als een mededeling in de zin van artikel 4:14 van de Awb en dat de termijn om op het handhavingsverzoek te beslissen daarmee is verlengd.

De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt. Weliswaar wordt in de brief van 20 augustus 2020 gerefereerd aan het handhavingsverzoek van 26 juni 2020 en heeft het college in de brief aangegeven dat dit handhavingsverzoek zoveel mogelijk tegelijk wordt behandeld met de eerdere handhavingsverzoeken, maar in de brief van 20 augustus 2020 is niet vermeld dat het niet lukt of is gelukt om binnen de wettelijke termijn op het handhavingsverzoek te beslissen en is ook geen concrete termijn genoemd waarbinnen alsnog op het handhavingsverzoek zal worden beslist. De termijn om op het handhavingsverzoek te beslissen, is door het college dus niet op de voorgeschreven wijze verlengd.

Dat betekent dat de beslistermijn door het college is overschreden.

6. Eiser heeft vervolgens enkele dagen na het verstrijken van de beslistermijn het college in gebreke gesteld, namelijk op 31 augustus 2020.

Dat deze ingebrekestelling onredelijk laat is, zoals het college in bestreden besluit 3 heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De ingebrekestelling volgt immers minder dan twee weken na het verstrijken van de beslistermijn. Het college heeft gesteld dat – gezien de samenhang met de eerdere handhavingsverzoeken – de uitspraak van de rechtbank in die zaken moest worden afgewacht. Ook als hier van wordt uitgegaan, stond niets eraan in de weg om de beslistermijn rechtsgeldig, conform de eisen van artikel 4:14, derde lid, van de Awb te verlengen. De verwijzing van het college naar een e-mailbericht van 17 november 2020 (lees: 2019) waarin reeds een ingebrekestelling is aangekondigd, maakt niet dat de ingebrekestelling onredelijk laat is. Deze e-mail kan, gelet op de datum, geen betrekking hebben op het handhavingsverzoek van 26 juni 2020.

Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb had het college vervolgens nog twee weken om op het handhavingsverzoek van eiser te beslissen, uiterlijk 14 september 2020. Ook die termijn heeft het college niet gehaald. Dat bekent dat het college ten onrechte heeft besloten dat het geen dwangsom aan eiser verschuldigd is.

Conclusie

7. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 is gegrond. Dit besluit zal worden vernietigd en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat het college aan eiser een dwangsom is verschuldigd van € 1.172,=. Dit bedrag heeft de rechtbank als volgt berekend.

In artikel 4:17, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. In het eerste lid van artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat de Algemene termijnenwet daarop niet van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat het college 36 dagen na 14 september 2020 op het handhavingsverzoek heeft beslist. Dat betekent dat het college een dwangsom aan eiser verschuldigd is van (€ 322 + € 490 + € 360 =) € 1.172,=.

8. Omdat eiser geen belang (meer) heeft bij een beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 2, wordt het beroep voor zover gericht tegen die besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 759,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,00 en een wegingsfactor 0,5). Omdat het beroep uitsluitend gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit en van eenvoudige aard is, merkt de rechtbank de zaak als "licht" aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 nietontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit 3;

  • -

    bepaalt dat dat het college aan eiser een dwangsom is verschuldigd van € 1.172,= en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,= aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759,=.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 10 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.