Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:93

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
AWB- 20_8657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8657 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij 1] [naam derde partij 2] en [naam derde partij 3], allen wonende te [plaatsnaam 2] .

Procesverloop

Eiser heeft op 24 september 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van zijn handhavingsverzoeken van 28 augustus 2018 en 31 augustus 2018.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 oktober 2020 heeft het college alsnog op de bezwaren van eiser beslist. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Eiser heeft op 29 oktober 2020 aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het beroep is – gelijktijdig met een samenhangend beroep onder zaaknummer BRE 20/8658 GEMWT – besproken op de zitting van de rechtbank op 13 oktober 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en namens het college mr. R.G.L. van de Ven en [naam vertegenwoordiger verweerder] . Namens de derde partij is niemand verschenen.

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

Feiten en voorgeschiedenis

1.1.

Eiser woont aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] .

Op 28 augustus 2018 en 31 augustus 2018 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van autowrakken en het ontbreken van brandbeveiliging op het perceel [adres 2] te [plaatsnaam 1] . Het perceel ligt direct achter eisers woning. Op het perceel staat een loods. Het perceel en de loods waren ten tijde van het bestreden besluit van 20 oktober 2020 eigendom van [naam derde partij 2] , [naam derde partij 1] en [naam derde partij 3] (hierna: [derde partijen] ). Zij exploiteren in [plaatsnaam 2] een autoschadebedrijf.

Bij een controle op 6 maart 2019 is vastgesteld dat buiten op het perceel zes auto’s stonden. Eén daarvan was bedoeld voor autocross en enkele andere auto’s waren afkomstig van het autoschadebedrijf. In de loods stonden onder andere 11 caravans, een boot, een camper, een vorkheftruck en een auto.

Bij brief van 1 april 2019 heeft het college eiser medegedeeld dat het voornemen bestaat om handhavend op te treden tegen de autowrakken en het stallen van schadeauto’s buiten de loods. Ten aanzien van stalling in de loods zal het college [derde partijen] eerst de mogelijkheid bieden om de overtreding te legaliseren. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen.

Op 16 april 2019 heeft een medewerker van het college geconstateerd dat op één auto na, de auto’s zijn verwijderd van het buitenterrein. De medewerker heeft [derde partijen] medegedeeld dat ook de auto die nog buiten staat, in de loods moet worden gezet. Er zijn geen autowrakken meer aanwezig en voor de stalling in de loods is inmiddels een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2019 (primair besluit) heeft het college het verzoek om handhaving van eiser afgewezen, omdat er volgens het college geen sprake meer is van een overtreding.

Bij besluit van 6 mei 2019 heeft het college aan [derde partijen] een omgevingsvergunning verleend om de loods op het perceel in strijd met het bestemmingsplan te kunnen gebruiken voor het stallen van caravans en schadeauto’s.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en tegen het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Eiser heeft de bezwaren toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften van 11 juli 2019.

1.3.

Bij besluit van 20 februari 2020 heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het primaire besluit is daarbij in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

1.4.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 19/6781 GEMWT.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 juli 2020 het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 20 februari 2020, gegrond verklaard, waarbij het besluit is vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college in het besluit van 20 februari 2020 geen volledige heroverweging heeft verricht, aangezien het feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordeden buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

1.5.

Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft het college opnieuw op de bezwaren van eiser beslist. Het college is tot de vaststelling gekomen dat ten tijde van het primaire besluit er sprake was van een overtreding van artikel 24 van de beheersverordening ‘Woonwijken’ in samenhang met artikel 5.1 en 5.4.2, sub d, van het bestemmingsplan ‘Woonwijken’, maar dat die overtreding thans is opgeheven.

Het college heeft de bezwaren van eiser daarom gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. De handhavingsverzoeken van eiser zijn daarbij alsnog toegewezen en [derde partijen] is alsnog een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het beëindigd houden van de overtreding. Concreet zijn [derde partijen] daarbij gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang met artikel 24 van de beheersverordening ‘Woonwijken’ in combinatie met artikel 5.1 en artikel 5.4.2, sub d, van het bestemmingsplan ‘Woonwijken’ beëindigd te houden door het gebruik van het perceel ten behoeve van opslag buiten op het perceel zonder de vereiste omgevingsvergunning gestaakt te (doen) houden. Het college heeft daarbij vermeld dat, indien [derde partijen] niet aan de last voldoen, zij een dwangsom verbeuren van € 500,= voor iedere dag dat wordt geconstateerd dat niet aan de last is voldaan, met een maximaal te verbeuren bedrag van € 5.000,=.

In het besluit van 20 oktober 2020 heeft het college ten aanzien van een nog op het perceel staande blauwe container overwogen dat deze op het achtererfgebied staat, dat deze dus vergunningvrij aanwezig is en dat er op dat punt geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.

Ontvankelijkheid en procesbelang

2.1.

Het inleidend beroep is gericht tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser na de uitspraak van de rechtbank van 24 juli 2020. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of dat beroep ontvankelijk is.

2.2.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is – voor zover van belang – bepaald dat het beroep, indien dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet aan een termijn gebonden is.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb – voor zover van belang – kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

  1. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

  2. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Artikel 6:12, derde lid, van de Awb bepaalt dat, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 24 september 2020 beroep heeft ingesteld. Voorafgaand aan dat beroep heeft hij het college echter niet schriftelijk in gebreke gesteld. Weliswaar bevat het dossier een brief van 31 augustus 2020, maar in die brief wordt het college enkel in gebreke gesteld voor wat betreft het niet tijdig beslissen op het (nieuwe) handhavingsverzoek van 26 juni 2020. De rechtbank vindt in de formulering van de brief van 31 augustus 2020 geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de ingebrekestelling was bedoeld als mede betrekking hebbend op het nog te nemen besluit op het bezwaarschrift naar aanleiding van de uitspraak van 24 juli 2020.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat van hem niet kon worden gevergd dat hij het college ook voor het nog te nemen besluit op zijn bezwaarschrift in gebreke zou stellen. Eiser heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat gezien de houding van het college in het verleden, het niet te verwachten was dat het college, nadat er een ingebrekestelling zou zijn gedaan, wel tijdig in actie zou zijn gekomen. Daarom had het volgens eiser geen zin om in gebreke te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze inschatting van eiser geen rechtsgeldige reden om een ingebrekestelling achterwege te mogen laten.

Niet valt te zien welk belang eiser (nog) heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Aangezien hij het college niet in gebreke heeft gesteld in de zin van artikel 6:12 van de Awb, heeft hij ook geen recht op een dwangsom.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. De rechtbank constateert dat eiser op 29 oktober 2020 beroepsgronden heeft ingediend tegen het besluit van 20 oktober 2020 (het bestreden besluit), en dat hij daarmee ook tijdig beroep heeft ingesteld tegen dit besluit.

Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

4. Ter zitting is meegedeeld dat [derde partijen] . het perceel [adres 2] inmiddels hebben verkocht en dus geen eigenaar meer zijn. De rechtbank ziet in dat gegeven geen consequenties voor wat betreft het procesbelang, aangezien de opgelegde last ook geldt voor de rechtsopvolger(s) van [derde partijen] .

5. Het college heeft ter zitting nog een controlerapport van 7 oktober 2021 ingebracht. Bij die controle zijn door de gemeentelijk toezichthouder geen bijzonderheden geconstateerd. Opgemerkt is dat het terrein leeg is.

Ter zitting heeft eiser daarop toegelicht dat hij nog wel procesbelang heeft. Hij stelt nog belang te hebben bij een rechterlijk oordeel over de omvang van het achtererfgebied, aangezien partijen daarover van standpunt verschillen. De rechtbank volgt eiser daarin. Het bestreden besluit betreft een preventieve last onder dwangsom, ter voorkoming dat er in de toekomst opnieuw buitenopslag plaatsvindt, en de uitleg van het achtererfgebied is een onderdeel van dat besluit.

Achtererfgebied

6. De rechtbank stelt vast dat het inhoudelijke geschil (uitsluitend) betrekking heeft op de blauw/grijze container die volgens het college een vergunningvrij bouwwerk is en waartegen daarom niet handhavend kan worden opgetreden. Eiser stelt dat geen sprake is van een vergunningvrij bouwwerk omdat dit niet in het achtererfgebied is gelegen. Daarbij verschillen partijen met name van standpunt over de ligging van de grens van het achtererfgebied.

Beide partijen gaan uit van de begripsomschrijving van ‘achtererfgebied’ die is opgenomen in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor): erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

7. Het ‘openbaar toegankelijk gebied’ als hiervoor bedoeld, is in dit geval de [straatnaam adres] . De woning van eiser, [adres 1] , en de woning [adres 3] zijn direct aan die openbare weg gelegen. Het in geding zijnde perceel [adres 2] ligt achter deze woningen. Het perceel [adres 2] ligt schuin ten opzichte van de [straatnaam adres] . Tussen de woningen [adres 1] en [adres 2] ligt een weggetje, haaks op de [straatnaam adres] . Dat weggetje biedt toegang tot het achterliggende perceel [adres 2] . Ter zitting is toegelicht dat dit weggetje geen openbare weg is. Het is eigendom van eiser.

Het in geding zijnde perceel [adres 2] grenst dus nergens aan de [straatnaam adres] . Dat betekent dat er ook geen sprake is van ‘aangrenzend openbaar toegankelijk gebied’ in de zin van de begripsomschrijving van ‘achtererfgebied’ van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor.

Tussen partijen is niet in geschil dat de grote loods op het perceel [adres 2] het hoofdgebouw van het perceel is.

De rechtbank volgt de uitleg die het college voor het perceel [adres 2] aan het begrip ‘achtererfgebied’ heeft gegeven. Dat betekent dat de grens van het achtererfgebied ligt achter de lijn die evenwijdig loopt met de voorgevel van de loods en een meter daarachter ligt. Omdat er geen sprake is van ‘aangrenzend openbaar toegankelijk gebied’ dient die lijn recht doorgetrokken te worden. De uitleg die eiser heeft gegeven, dat de lijn vanaf de zijkant van de loods evenwijdig gaat lopen met de [straatnaam adres] , wat een knik in de lijn oplevert, volgt de rechtbank dus niet. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bebouwing achter de (recht doorgetrokken) lijn niet zichtbaar is vanaf het openbare gebied. Dit brengt met zich dat bouwen op dit deel van het (achter)erf eerder ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van de bepalingen over vergunningvrij bouwen in het Bor.

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2023) waarnaar eiser heeft verwezen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit deze uitspraak blijkt niet dat de feitelijke situatie waarop die uitspraak betrekking heeft gelijk is aan de situatie in dit geval, namelijk dat sprake is van een perceel dat niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied.

Slotoverwegingen

8. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit een correcte invulling gegeven aan het begrip ‘achtererfgebied’. Dit betekent dat het college de blauw/grijze container waarop het geschil betrekking heeft terecht heeft aangemerkt als vergunningvrij, zodat geen strijd is met de beheersverordening en er dus geen grondslag is voor handhavend optreden. Het bestreden besluit kan dus rechtens standhouden.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, dient dus ongegrond te worden verklaard.

Vanwege de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 20 oktober 2020 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 10 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.