Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:8

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
07-01-2022
Zaaknummer
BRE 20/8297
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-1-2022
FutD 2022-0156
V-N Vandaag 2022/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/8297

uitspraak van 4 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrente van € 1.165, die bij beschikking aan belanghebbende in rekening is gebracht bij de aan hem over het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringen (IB/PVV), met aanslagnummer [aanslagnummer] .

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende,

mr. S.E. van der Vet, verbonden aan Vettax te Rijswijk, en namens de inspecteur,

[naam] en [naam] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft het gehele jaar 2014 gewoond en gewerkt in het Verenigd Koninkrijk.

2.2.

Belanghebbende heeft op 17 december 2019 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. In de aangifte heeft belanghebbende opgenomen dat hij (deels) belastingplichtig en (deels) premieplichtig in Nederland is. Verder heeft hij opgenomen dat over zijn loon van € 84.999 een bedrag van € 8.901 aan loonheffing is ingehouden en tevens dat het gehele loon elders is belast.

2.3.

Met dagtekening 23 januari 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een premie-inkomen van nihil.

2.4.

Belanghebbende heeft op 28 januari 2020 nogmaals een aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. Deze aangifte is gelijk aan de eerdere aangifte, behalve dat vraag 57 van de aangifte is ingevuld en dat het premie-inkomen € 84.999 is.

2.5.

Met dagtekening 14 maart 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een (maximaal) premie-inkomen van € 33.363 en daarbij gelijktijdig de beschikking belastingrente van € 1.165 gegeven. De belastingrente is berekend over de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 april 2020.

2.6.

De navorderingsaanslag als zodanig is tussen partijen niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of tot het juiste bedrag aan belastingrente in rekening is gebracht.

2.7.

Belanghebbende betwist, naar het oordeel van de rechtbank terecht, niet dat de belastingrente conform de wettelijke bepalingen uit Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is berekend. Belanghebbende doet een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat volgens hem de inspecteur naar aanleiding van de aangifte van 17 december 2019 een onjuiste aanslag heeft opgelegd. De inspecteur had, toen hij bemerkte dat de aangifte niet volledig was ingevuld, belanghebbende de gelegenheid moeten bieden de aangifte aan te vullen, aldus belanghebbende. De inspecteur verwerpt het betoog van belanghebbende en stelt dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (impliciet) een vrijstelling voor de premieheffing gevraagd door de premievragen in de aangifte niet te beantwoorden.

2.8.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan met zich meebrengen dat de in rekening gebrachte belastingrente dient te worden gematigd. Er moet dan wel sprake zijn van een onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat zijn aangifte van 17 december 2019 onvolledig was. De rechtbank overweegt – zoals ook de inspecteur terecht heeft opgemerkt – dat die onvolledigheid niet dusdanig onwaarschijnlijk is dat het opleggen van een aanslag zonder nader onderzoek is aan te merken als onzorgvuldig handelen. De rechtbank is het met belanghebbende eens dat de onvolledige aangifte weliswaar vragen had kunnen oproepen, maar de onvolledigheid leidt niet tot een dusdanig onwaarschijnlijke uitkomst dat de inspecteur in redelijkheid had behoren te twijfelen aan de juistheid van de in de aangifte opgenomen gegevens.1 De omstandigheid dat de inspecteur de aanslag automatisch – dus zonder controle vooraf op de volledigheid van de aangifte – heeft opgelegd maakt dat niet anders. De in rekening gebrachte belastingrente is dus een gevolg van de onvolledige aangifte van belanghebbende en is niet te wijten aan een onzorgvuldigheid aan de zijde van de inspecteur. Het betoog van belanghebbende faalt daarom.

2.9.

Belanghebbende doet tevens een beroep op het evenredigheidsbeginsel, omdat het volgens hem onredelijk is vast te houden aan een wettelijke regeling die in zijn geval leidt tot een ongewenst rente-effect. Volgens belanghebbende heeft de wetgever bij het formuleren van de regeling omtrent de belastingrente uitdrukkelijk niet de situatie van belanghebbende voor ogen gehad. Belanghebbende verwijst hierbij naar het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3126) en de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de regeling.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke bepalingen waarop het in rekening brengen van de belastingrente is gebaseerd, dwingendrechtelijke bepalingen zijn. De inspecteur heeft dus geen beleidsvrijheid bij de toepassing ervan. De renteberekening vloeit rechtstreeks voort uit de wet en de wet kent geen, voor onderhavig geval relevante, matigingsmogelijkheden. Als uitgangspunt speelt het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Awb daarom geen rol bij de wetstoepassing, ook niet het tweede lid van dat artikel. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 december 2017, voor zover van belang, overwogen dat onder omstandigheden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, mee kunnen brengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt.2 De rechtbank is van oordeel dat dergelijke omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen. Dat over een periode van bijna vijf jaar belastingrente is berekend, is het gevolg van het handelen van belanghebbende zelf. Niet alleen heeft belanghebbende zijn aangifte niet volledig ingevuld, ook heeft belanghebbende er zelf voor gekozen pas in 2019 aangifte te doen en die aangifte is de aanleiding geweest voor de tweede aangifte in 2020.

2.11.

Het betoog van belanghebbende dat de wetgever er vanuit is gegaan dat ongewenste rente-effecten bij een herziening van een aanslag voorkomen kunnen worden, slaagt evenmin. De wetgever heeft ongewenste rente-effecten willen voorkomen door de mogelijkheid te bieden tijdig om een voorlopige aanslag te vragen of om een herziening van een reeds opgelegde voorlopige aanslag te verzoeken die zo goed mogelijk aansluit bij de feitelijk verschuldigde belasting.3 Het gaat in dit geval echter niet om een herziening van een voorlopige aanslag, maar om een herziening van een definitieve aanslag.

2.12.

Belanghebbende beroept zich naar het oordeel van de rechtbank dus tevergeefs op het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Alles wat belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd en hiervoor nog niet expliciet is besproken, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.13.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. De rentebeschikking wordt gehandhaafd.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 4 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie ook Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, r.o. 3.3.1.

2 Zie Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.

3 Zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 003, nr. 3. p. 32-33.