Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:75

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
AWB- 19_6300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE BRE 19/6300 WIA

uitspraak van 11 januari 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. I. van Barneveld,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaatsnaam 2] , ex-werkgever,

gemachtigde: mr. K.L. Wouterse.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 oktober 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het beroep is op 3 december 2020 op zitting behandeld.

Bij tussenuitspraak van 14 januari 2021 heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken te herstellen.

Bij brief van 11 maart 2021 heeft het UWV in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser en derde partij hebben op deze aanvullende motivering gereageerd op 3 juni 2021, respectievelijk 25 juni 2021.

Eiser heeft bij brief van 3 augustus 2021 nog nadere stukken ingebracht.

Bij beslissing van 14 september 2021 heeft de rechtbank bepaald dat kennisname van een aantal (medische) stukken is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is.

Derde partij en het UWV hebben gereageerd op de door eiser ingebrachte stukken op 28 september 2021, respectievelijk 13 oktober 2021. Daarna hebben partijen over en weer nog op elkaar gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 30 november 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het medisch oordeel op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er kan daarom uitgegaan worden van de belastbaarheid zoals weergeven in de FML van 8 maart 2019.

Met betrekking tot twee van de geduide functies heeft de rechtbank overwogen dat het UWV nader moet motiveren waarom deze functies passend zijn.

3. Gelet op de aanvullende reactie van eiser op 3 augustus 2021 ziet de rechtbank aanleiding om eerst de omvang van het geding vast te stellen.

Met het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd vastgesteld. Dit betekent dat de datum in geding 27 mei 2019 is. Omdat de uitkering niet eerder kan worden beëindigd dan na afloop van de loongerelateerde uitkering betekent dit dat de uitkering op zijn vroegst per 27 mei 2021 kan worden beëindigd. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet is volstaan met een vooraankondiging dat de uitkering per 27 mei 2021 zal worden beëindigd als er geen sprake is van een gewijzigde (medische) situatie, maar dat de uitkering daadwerkelijk ook al beëindigd is per 27 mei 2021. Nu daarbij geen voorbehoud is gemaakt, betekent dit dat met het bestreden besluit ook besloten is over de datum 27 mei 2021. Er zijn dus feitelijk twee data in geding, 27 mei 2019 en 27 mei 2021.

4. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld per 21 december 2020. Deze melding heeft ertoe geleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid hoger is vastgesteld en eiser alsnog recht op uitkering heeft per 27 mei 2021. Dit is aan eiser meegedeeld bij besluit van 30 juli 2021. Met dit besluit is de beëindiging per 27 mei 2021 komen te vervallen. Eiser heeft niet gesteld het niet eens te zijn met de nieuw vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 27 mei 2021. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een oordeel over de datum 27 mei 2021.

5.1

Met betrekking tot de datum 27 mei 2019 heeft de rechtbank al in de tussenuitspraak geoordeeld dat bij de beoordeling uitgegaan kan worden van de beperkingen zoals deze neergelegd zijn in de FML van 8 maart 2019. Nu moet nog beoordeeld worden of het UWV de passendheid van de functies documentalist cargo services en afdelingsmanager voldoende heeft toegelicht.

5.2

Met betrekking tot de functie van documentalist heeft de arbeidsdeskundige b&b toegelicht dat er sprake is van het werken via een vast rooster en dat hiermee voldaan is aan de eis van regelmaat. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is toegelicht dat de functie passend is. Overigens heeft eiser tegen deze aanvullende toelichting geen gronden meer naar voren gebracht, zodat ervan uitgegaan kan worden dat ook eiser deze toelichting voldoende vindt.

5.3

Inzake de functie van afdelingsmanager heeft de arbeidsdeskundige b&b nader gemotiveerd waarom eiser voldoet aan de gevraagde ervaringseis. De arbeidsdeskundige b&b heeft een toelichting gegeven op de werkzaamheden die eiser heeft verricht in de functie van medewerker brandpreventie. Gelet op die werkzaamheden is de arbeidsdeskundige b&b van mening dat eiser voldoet aan de technische ervaringseis. Verder heeft de arbeidsdeskundige b&b verwezen naar het curriculum vitae (cv) van eiser. Daaruit volgt volgens de arbeidsdeskundige b&b dat eiser ook ervaring heeft in de logistieke richting. Ook daarmee voldoet hij aan de ervaringseis, aldus de arbeidsdeskundige b&b. Eiser heeft in zijn reactie betwist dat hij technische kennis en ervaring heeft.

De rechtbank is van oordeel dat uit het cv van eiser blijkt dat hij logistieke ervaring heeft. Hij voldoet daarmee aan de gestelde ervaringseis. Nu de functie van afdelingsmanager gelet op de logistieke ervaring al passend is voor eiser, zal de rechtbank in het midden laten of eiser technische ervaring heeft.

5.4

Zowel eiser als derde partij hebben nog een opmerking gemaakt over het ontbreken van een beoordeling van de geschiktheid voor de maatman. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het UWV in overweging gegeven om ook de geschiktheid voor de maatman te beoordelen. Omdat hiertoe geen opdracht is gegeven en het UWV inmiddels de passendheid van de geduide functies voldoende heeft toegelicht en daarmee ook een voldoende onderbouwing heeft gegeven voor de vaststelling dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kon een beoordeling van de geschiktheid van de maatman achterwege blijven.

Daarbij merkt de rechtbank op dat derde partij niet zelf beroep heeft aangetekend tegen het bestreden besluit. Nu hij alleen betrokken is als derde partij kan hij reageren op de beroepsgronden van eiser, maar kan hij niet zelf nieuwe beroepsgronden naar voren brengen. Eiser heeft geen gronden naar voren gebracht tegen de vaststelling dat de einde wachttijd is bereikt. De stelling van derde partij dat de geschiktheid voor de maatman moet worden beoordeeld omdat bij geschiktheid voor de maatman mogelijk de einde wachttijd niet is bereikt, kan niet worden aangemerkt als een reactie op een van de beroepsgronden van eiser. Deze stelling valt daarmee buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal deze stelling over de maatman daarom verder onbesproken laten.

6. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het onderzoeks- en motiveringsgebrek.

Omdat het UWV de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen, voor zover betrekking hebbend op de datum 27 mei 2019, in stand. Ter informatie deelt de rechtbank mee dat, omdat het UWV zelf de intrekking per 27 mei 2021 ongedaan heeft gemaakt met het besluit van 30 juli 2021, geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de datum 27 mei 2021 in stand te laten.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.897,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 759,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de datum 27 mei 2019 in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.897,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 11 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.