Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:70

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
AWB - 21_571, 21_633 tm 21_637
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-1-2022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 21/571 en 21/633 tot en met 21/637

uitspraak van 11 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 24 december 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de kennisgeving beslissing op verzoek teruggave motorrijtuigenbelasting betreffende de tijdvakken:

  • -

    19-12-2017 t/m 18-03-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.790111;

  • -

    19-03-2018 t/m 18-06-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890024;

  • -

    19-06-2018 t/m 18-09-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890053;

  • -

    30-01-2018 t/m 29-04-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890012;

  • -

    30-04-2018 t/m 29-07-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890042; en

  • -

    30-07-2018 t/m 29-10-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890071

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde mr. drs. A.C.M. Brom, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart zich onbevoegd zover het beroep zich richt tegen de ambtshalve beslissing die gelijktijdig is genomen met de uitspraak op bezwaar;

  • -

    wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is een besloten vennootschap. Haar activiteiten bestaan uit de verhuur en lease van machines, werktuigen en overige goederen. Op 13 maart 2018 is er bij belanghebbende een inval geweest. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft bij die inval motorrijtuigen (met de kentekenbewijzen) van belanghebbende in beslag genomen. De motorrijtuigen zijn in september 2018 weer vrijgegeven. Belanghebbende heeft de motorrijtuigenbelasting ter zake van de in beslag genomen motorrijtuigen tijdens de periode van de inbeslagname betaald.

2.2.

Bij brieven van 30 augustus 2018 en 1 september 2018 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf dan wel verrekening van de motorrijtuigenbelasting voor de volgende motorrijtuigen (vrachtauto’s):

  • -

    kenteken [kenteken 1] voor de tijdvakken gelegen tussen 19 december 2017 tot en met 18 september 2018;

  • -

    kenteken [kenteken 2] voor de tijdvakken gelegen tussen 30 januari 2018 tot en met 29 oktober 2018.

2.3.

De inspecteur heeft de verzoeken van belanghebbende bij kennisgeving van 14 juli 2020 afgewezen. De inspecteur heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat de belastingplicht voortvloeit uit het houderschap, zoals bepaald in artikel 6 en artikel 7, eerste lid, sub a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: wet MRB). De inbeslagname en het daardoor feitelijk niet meer ter beschikking staan van de motorrijtuigen is geen omstandigheid die leidt tot het einde van het formele houderschap. Bovendien is volgens de inspecteur het bepaalde in paragraaf 9 van het Kaderbesluit motorrijtuigenbelasting1 niet van toepassing in onderhavige situatie, omdat er geen sprake is van verbeurdverklaring van de motorrijtuigen.

2.4.

Belanghebbende heeft tegen de onder 2.3 genoemde kennisgeving bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2020 heeft de inspecteur dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de uitspraak op bezwaar is in het gesloten stelsel van belastingwetgeving voor de motorrijtuigenbelasting een afwijzing van een verzoek om teruggaaf geen voor bezwaar vatbare beschikking. De inspecteur heeft na ambtshalve inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift, geen aanleiding gezien om anders te beslissen.

2.5.

In beroep is in geschil of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of belanghebbende motorrijtuigenbelasting verschuldigd is over de periode waarover teruggaaf wordt verzocht.

2.6.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving van 14 juli 2020 een niet voor bezwaar vatbare beslissing is. De inspecteur kan volgens artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ambtshalve verlenen. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de wet MRB wordt teruggaaf van belasting verleend over het nog niet verstreken deel van een lopend tijdvak op het tijdstip waarop het motorrijtuig van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd. Van die situatie is geen sprake aldus de inspecteur. De inspecteur heeft het verzoek om teruggaaf ambtshalve beoordeeld, tegen de afwijzing daarvan staat geen bezwaar open. De onjuiste rechtsmiddelverwijzing op de kennisgeving rechtvaardigt geen andere conclusie, aldus nog steeds de inspecteur.

2.7.

Belanghebbende beroept zich er op dat tegen de beslissing van de inspecteur bezwaar mogelijk is op grond van artikel 8 van de wet MRB. Hij stelt daartoe dat hij door de inbeslagneming door het OM feitelijk niet meer over de motorrijtuigen beschikte en deze niet kon schorsen omdat de kentekenbewijzen ook in beslag waren genomen. Belanghebbende stelt dat de inspecteur van de inbeslagneming op de hoogte was, zodat de inspecteur op grond van artikel 8, eerste lid, sub b van de wet MRB het OM als houder van de motorrijtuigen diende aan te merken. Volgens belanghebbende volgt bovendien uit de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 oktober 20092 dat tegen een afwijzing van een verzoek om teruggaaf wel bezwaar (en beroep) mogelijk is. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd expliciet gesteld dat zij geen bezwaar heeft gemaakt c.q. heeft willen maken tegen de betalingen van motorrijtuigenbelasting, maar een verzoek heeft willen doen om teruggave van niet verschuldigde motorrijtuigenbelasting.

2.8.

Voor de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, stelt de rechtbank voorop dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf ambtshalve heeft beoordeeld en heeft afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht en op goede gronden geoordeeld dat tegen die beslissing van de inspecteur geen bezwaar en beroep openstaat.

2.9.

De rechtbank kan het beroep van belanghebbende op artikel 8 van de wet MRB niet volgen. Op grond van dit wetsartikel kan de inspecteur een motorrijtuig welke feitelijk en niet geheel voorbijgaand aan een ander ter beschikking staat dan degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld, die ander ofwel op gezamenlijk verzoek (eerste lid, sub a) ofwel ambtshalve (eerste lid, sub b) als houder van het motorrijtuig aanmerken. Vaststaat dat er geen gezamenlijk verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, sub a, van de wet MRB. Daarnaast staat ook vast dat de inspecteur geen gebruik heeft gemaakt van de ambtshalve bevoegdheid uit artikel 8, eerste lid, sub b, van de wet MRB. Dat betekent dus dat er geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel. De rechtbank overweegt, ten overvloede, nog het volgende. De stelling van belanghebbende dat bij de inspecteur bekend was dat de motorrijtuigen door het OM in beslag waren genomen en de inspecteur dus ambtshalve het OM als houder had dienen aan te merken, faalt. Er is geen (wettelijke) bepaling of beleidsregel waaruit volgt dat de inspecteur daartoe gehouden was.

2.10.

Het standpunt van belanghebbende dat uit de, hiervoor in 2.7 vermelde, uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam zou volgen dat tegen een afwijzing van een verzoek om teruggaaf van motorrijtuigenbelasting wel bezwaar en beroep mogelijk is, kan de rechtbank evenmin volgen. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak ziet niet op de hier aan de orde zijnde artikelen uit de wet MRB, maar op de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en reeds om die reden biedt die uitspraak evenmin soelaas aan belanghebbende.

2.11.

Indien en voor zover het beroep zich richt tegen de ambtshalve beslissing die gelijktijdig is genomen met de uitspraak op bezwaar, verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Tegen een ambtshalve genomen beslissing kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld3. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. De rechtbank komt, gelet op het voorstaande en de omstandigheid dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de betalingen, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten over de verschuldigdheid.

Met betrekking tot de immateriële schade

2.12.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de termijn aanvangt met de indiening van de verzoekschriften van 30 augustus 2018 en 1 september 2018, omdat ter zake van de ontvangst van die verzoeken een ontvangstbevestiging is verstuurd voor een bezwaarschrift. Voor de beoordeling of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn dient daarom van deze data te worden uitgegaan aldus belanghebbende.

2.13.

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van de regels die de Hoge Raad heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 bedraagt de redelijke termijn in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank4. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen op 21 augustus 2020. De verstreken tijd vanaf die datum is onvoldoende om te kunnen spreken van een overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan belanghebbende stelt bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de data waarop de verzoekschriften zijn ingediend. De enkele omstandigheid dat de inspecteur, volgens belanghebbende ten onrechte, een ontvangstbevestiging voor een bezwaarschrift heeft verstuurd, maakt dat niet anders. Bijzondere omstandigheden die een afwijking van voormelde tweejaarstermijn rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank heeft het verzoek om immateriële schadevergoeding daarom afgewezen.

Slotsom

2.14.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard en dient het beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard. Ten aanzien van de grieven inzake de ambtshalve beoordeling heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard. Dat betekent dat de rechtbank niet toe komt aan een verdere (inhoudelijke) beoordeling van het geschil. Het verzoek tot toewijzing van immateriële schade is afgewezen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Nandram, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 11 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

<de rechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen>

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Besluit van 23 november 2015, nr. BLKB 2015/1381M

2 Belanghebbende verwijst naar de uitspraak met nummer ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ9446.

3 Vgl. HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797

4 Vgl. ECLI:NL:HR:2016:252