Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:594

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2022
Datum publicatie
07-02-2022
Zaaknummer
02/170874-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft geen voorrang verleend aan de voor haar van links komende fietsster, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit heeft geleid tot een ongeval. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van meer dan één moment van onoplettendheid. Vrijspraak van artikel 6 WVW94. Veroordeling voor artikel 5 WVW94. Geldboete van 500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/170874-21

vonnis van de meervoudige kamer van 7 februari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres verdachte] ,

raadsman mr. S. Arts, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 januari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens is tijdens de zitting de vordering behandeld van de benadeelde partij [slachtoffer] en heeft zij het spreekrecht uitgeoefend.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 mei 2021 in Breda een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte heeft haar snelheid onvoldoende aangepast aan de haar bekende, onoverzichtelijke verkeerssituatie ter plaatse en heeft daardoor de van links komende fietsster niet tijdig gezien en haar geen voorrang verleend, terwijl zij dat gelet op de geldende voorrangsregels wel had moeten doen. Hierdoor is verdachte in botsing gekomen met de fietsster ten gevolge waarvan de fietsster lichamelijk letsel heeft opgelopen. De fietsster moet in de aanloop naar de botsing en direct daarvoor goed zichtbaar zijn geweest voor verdachte, ook omdat de fietsster haar alvorens af te slaan tegemoet kwam rijden en omdat het zicht ter plaatse niet werd belemmerd. Verdachte is dan ook meer dan een kort moment onoplettend geweest en heeft aldus aanmerkelijk onvoorzichtig gereden, waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. Het enige verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, is dat zij geen voorrang heeft verleend aan de fietsster. Deze enkele verkeersfout is in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om schuld in de zin van artikel 6 WVW aan te kunnen nemen. Evenmin kan worden bewezen dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het dossier bevat daarvoor te weinig aanknopingspunten.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verkeersongeval
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 22 mei 2021 omstreeks 14.27 uur op de Stationslaan in Breda een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Bij dit ongeval was verdachte betrokken, die als bestuurster van haar personenauto over de Stationslaan in de richting van de Doornboslaan reed. Ook was bij dit ongeval [slachtoffer] betrokken, die als fietsster, komende van de Terheijdenseweg en gaande in de richting van de Stationslaan, de rijbaan van de Stationslaan overstak bij de oversteekplaats voor voetgangers en (brom)fietsers. Terwijl [slachtoffer] vanuit verdachtes positie bezien van links kwam aanrijden, reed verdachte de oversteekplaats op, waarna zij in botsing kwam met [slachtoffer] . [slachtoffer] liep ten gevolge van dit ongeval lichamelijk letsel op, bestaande uit, onder andere, een hoofdwond en schaafwonden.

Artikel 6 WVW

De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvan is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke (mate van) schuld hangt volgens vaste jurisprudentie af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Ook geldt dat in het algemeen een enkel moment van onoplettendheid niet betekent dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De meetlat waarlangs het optreden van de bestuurder wordt gelegd, bestaat uit de eisen die aan de gemiddeld oplettende en verstandige weggebruiker mogen worden gesteld. Blijft de verdachte daarbij aanzienlijk achter, dan handelt hij met de door artikel 6 WVW vereiste schuld.

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW dient eerst de toedracht van het ongeval te worden vastgesteld. Vast staat in ieder geval dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] die van links kwam en de rijbaan van de Stationslaan overstak bij de oversteekplaats voor voetgangers en (brom)fietsers, terwijl verdachte dat gelet op de geldende voorrangsregels wel had moeten doen.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij haar snelheid heeft geminderd toen zij de voetgangers- en (brom)fietsoversteekplaats naderde. Zij heeft vlak voordat zij de oversteekplaats opreed naar links en naar rechts gekeken. Zij heeft niet gezien dat [slachtoffer] de rijbaan overstak. Zij zag haar pas op het moment dat zij de oversteekplaats opreed en [slachtoffer] in een flits zag. [slachtoffer] kwam voor haar echt uit het niets. Zij heeft nog geremd maar kon een aanrijding niet meer voorkomen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring van verdachte, temeer omdat er verder uit het procesdossier geen contra-indicaties naar voren zijn gekomen dat het anders zou zijn gegaan.

Uit het feit dat verdachte met haar personenauto tegen [slachtoffer] is gebotst, leidt de rechtbank af dat verdachte haar aandacht niet voortdurend op de weg heeft gehouden. Immers, indien verdachte dit wel zou hebben gedaan, zou zij onder de gegeven omstandigheden [slachtoffer] hebben moeten zien aankomen. [slachtoffer] had immers de eerste rijbaan reeds overgestoken. Echter, gelet op het geheel van de hiervoor genoemde gedragingen, kan niet méér worden vastgesteld dan dat sprake is geweest van een moment van onoplettendheid aan de zijde van verdachte, namelijk het moment vlak voordat zij de voetgangers- en (brom)fietsoversteekplaats opreed. Zij is daarbij echter niet aanzienlijk achtergebleven bij de eisen die aan de gemiddeld oplettende en verstandige weggebruiker mogen worden gesteld. Evenmin is er volgens de rechtbank sprake geweest van meer dan één moment van onoplettendheid. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat [slachtoffer] verdachte tegemoet kwam fietsen voordat zij afsloeg, niet meebrengt dat sprake is van meer dan een kort moment van onoplettendheid bij verdachte. [slachtoffer] reed toen op een andere weg. Verdachte had er niet zonder meer op bedacht hoeven te zijn dat [slachtoffer] zou oversteken.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele moment van onoplettendheid niet de conclusie kan dragen dat verdachte roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend heeft gereden zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Artikel 5 WVW

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg in de zin van artikel 5 WVW. Vooropgesteld wordt dat niet iedere overtreding van een verkeersregel een schending van genoemd artikel oplevert. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Door geen voorrang te verlenen aan [slachtoffer] heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt in het verkeersongeval. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte artikel 5 WVW heeft overtreden en komt daarmee tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

op 22 mei 2021 te Breda als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Stationslaan,

- geen voorrang heeft verleend aan een van links komende fietsster,

- waardoor het door haar, verdachte, bestuurde voertuig in botsing is gekomen met die fietsster,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 1000,-, alsmede een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit een geldboete van € 500,- aan verdachte op te leggen. Indien de gevoerde bewijsverweren niet worden gevolgd, verzoekt de verdediging aansluiting te zoeken bij de eis van de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding door geen voorrang te verlenen aan de voor haar van links komende fietsster, [slachtoffer] . Hierdoor heeft zij gevaar veroorzaakt op de weg, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt in een aanrijding met [slachtoffer] . Als gevolg van de aanrijding heeft [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit, onder andere, een hoofdwond en schaafwonden.

Uit de verklaring die [slachtoffer] ter terechtzitting heeft voorgelezen, blijkt dat het ongeval nog altijd veel invloed heeft op haar dagelijkse leven. Zij heeft nog dagelijks (rug)pijn en last van concentratieproblemen. Door haar beperkingen kan zij niet meer paardrijden en kan zij haar werkzaamheden op het land in het kader van haar bijbaan niet meer (volledig) zelf verrichten.

Verdachte heeft ter terechtzitting laten blijken dat het ongeval grote indruk op haar heeft gemaakt. Zij vindt het heel erg wat er is gebeurd en heeft via de politie contact gezocht met [slachtoffer] , maar dit contact is op verzoek van de moeder van [slachtoffer] beëindigd.

De rechtbank houdt bij de oplegging van de straf rekening met de straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De straffen die passen bij een overtreding van artikel 5 WVW, staan in beginsel los van de ernstige gevolgen die dergelijke overtredingen kunnen veroorzaken. Dit betekent niet dat de rechtbank geen oog heeft voor de gevolgen die [slachtoffer] door deze overtreding heeft opgelopen. De rechtbank realiseert zich dat [slachtoffer] nu nog steeds de gevolgen ondervindt van de aanrijding en dat dit voor haar uitermate pijnlijk is. Deze gevolgen mag de rechtbank echter niet laten meewegen in de hoogte van de straf. De rechtbank komt daarom, ook omdat verdachte wordt vrijgesproken van het veel ernstiger verwijt van artikel 6 WVW, tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis, passend en geboden is. Vanwege het aan verdachte gemaakte verwijt en de blanco documentatie van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

7 De benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 2.200,-. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 500,- materiële schade en een bedrag van € 1700,- immateriële schade.

Uit de stukken in het dossier en wat ter zitting is besproken, is gebleken dat de gevorderde schade volledig door de verzekering van verdachte is/wordt vergoed. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A.S.E. Maandag, voorzitter, mr. T.M. Brouwer en
mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 februari 2022.

Mr. Maandag en mr. Brouwer zijn niet in de gelegenheid het vonnis te ondertekenen.