Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:5791

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
14-10-2022
Zaaknummer
C/02/391468 / HA ZA 21-640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

VVR erfgrens, (kosten) verwijdering beplanting/bomenwal, extinctieve verjaring, verkrijgende verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/391468 / HA ZA 21-640

Vonnis van 24 augustus 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. M.C.J. Houben,

tegen

[gedaagde] , weduwe van [naam] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.M. Nuijten.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 december 2021;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de op 4 juli 2022 gehouden terechtzitting, die deels ter plaatse en deels op de rechtbank heeft plaatsgevonden

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 20 juli 2020 eigenaar van het perceel, kadastraal bekend Bergen op Zoom [perceel eiser] , gelegen aan de [adres] . [eiser] realiseert op zijn perceel een nieuw te bouwen woning waarvan de bouwwerkzaamheden zijn gestart per 12 januari 2021.

2.2.

[gedaagde] is eigenaresse van het perceel, kadastraal bekend Bergen op Zoom [perceel gedaagde] , gelegen aan [adres perceel gedaagde] in Bergen op Zoom. Dit perceel grenst aan het perceel van [eiser] .

2.3.

Naast de kadastrale erfgrens tussen partijen bevindt zich aan de, kadastraal gezien, kant van [eiser] een strook grond, hierna ‘de strook’, die taps toeloopt van 20 centimeter tot 140 centimeter. Deze strook grond is gearceerd aangegeven op de als productie 2 bij de dagvaarding overgelegde Kadastrale Kaart van Perceel [perceel eiser] . Op deze strook bevindt zich beplanting waaronder een groep van ongeveer zeven bomen die circa tien meter zijn verwijderd van de nieuwbouw van [eiser] . De strook wordt begrensd door een afrastering van palen met gaas welke, kadastraal gezien, op het perceel van [eiser] staat en die in 1975 is geplaatst.

2.4.

In 1985 heeft de rechtsvoorganger van [gedaagde] bij de aanleg van een vijver op zijn perceel de vrijkomende grond verspreid over de strook tot aan de afrastering. Hierdoor is ter hoogte van een aanzienlijk deel van de afrastering op de strook een ophoging van de grond ontstaan.

2.5.

Vanaf november 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht mee te werken aan verwijdering van de beplanting op de strook. [eiser] heeft hier geen gehoor aan gegeven. Op 5 januari 2021 heeft [eiser] per brief aan [gedaagde] laten weten dat hij over zal gaan tot de noodzakelijke rooi- en snoeiwerkzaamheden en haar gesommeerd tot verwijdering van de afrastering. [gedaagde] heeft hier geen gevolg aan gegeven.

2.6.

Bij e-mail van 26 februari 2021 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd de overhangende beplanting bij de afrastering te verwijderen met aankondiging dat, indien aan deze sommatie geen gevolg zou worden gegeven, de overhangende beplanting eigenmachtig zou worden weggesneden en toegeëigend. Bij brief van 1 maart 2021 heeft [gedaagde] zich bereid verklaard om aan de sommatie te voldoen. Op 5 maart 2021 heeft [gedaagde] aan [eiser] bevestigd dat zij de houtwal, kadastraal gezien aan de kant van [eiser] , heeft laten opschonen en snoeien, waar zulks tot de mogelijkheden behoorde. [eiser] heeft vervolgens resterende overhangende beplanting weggesneden en zich toegeëigend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. te verklaren voor recht dat de, op de Kadastrale Kaart van Perceel [perceel gedaagde] , geleverd op 26 februari 2021, ingetekende vastgestelde kadastrale grens tussen de percelen van partijen, de huidige eigendomssituatie weergeeft;

II. [gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [eiser] de beplanting op de litigieuze strook grond geheel of ten dele verwijdert;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van:

€ 3.025,00 ter zake de kosten van verwijdering van overhangende beplanting, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 23 maart 2021 (factuurdatum) tot aan de dag van voldoening;

€ 6.642,90, in geval de tuin ten tijde van het ten deze te wijzen vonnis is aangelegd, of € 4.319,70 in het geval de tuin ten tijde van het ten deze te wijzen vonnis nog niet is aangelegd, ter zake de extra kosten voor verwijdering van de bomen van de litigieuze strook grond, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag van voldoening;

€ 326,70 en € 245,03 ter zake de kosten van de aktes van constatering te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag der dagvaarding (factuurdatum) tot aan de dag van de voldoening;

IV. en [gedaagde] voorts te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.1.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de erfgrens zoals volgt uit het kadaster, de huidige eigendomssituatie weergeeft. Dit betekent dat de strook zijn eigendom is op grond waarvan [gedaagde] dient te gehengen en gedogen dat [eiser] de beplanting op de strook geheel of ten dele verwijdert. [eiser] wenst de verwijdering van de beplanting op de strook omdat de zich daarop bevindende bomen, gezien hun ligging nabij zijn bebouwing, een gevaar vormen voor zijn bebouwing omdat zij door gebrek aan onderhoud topzwaar zijn en kunnen omvallen. [eiser] heeft voorts kosten gemaakt voor de verwijdering van de overhangende beplanting bij de afrastering. Deze kosten komen voor rekening van [gedaagde] nu zij verantwoordelijk is voor het verwijderen van de overhangende beplanting en na aanmaning daartoe deze niet heeft verwijderd. [eiser] moet daarnaast extra kosten maken voor de verwijdering van de bomen van de strook omdat [gedaagde] niet heeft willen meewerken aan het verwijderen hiervan. Deze kosten komen voor rekening van [gedaagde] . Ten slotte heeft [eiser] kosten gemaakt voor de aktes van constatering voor wat betreft de door [gedaagde] op de strook verrichte verwijdering van de (overhangende) beplanting. Deze kosten komen ook voor rekening van [gedaagde] .

3.2.

De conclusie van antwoord strekt tot afwijzing van de door [eiser] ingestelde vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. [gedaagde] stelt daartoe dat de kadastrale grenzen geen recht doen aan de feitelijke eigendomsgrenzen. [gedaagde] is door middel van verjaring eigenaar geworden van de strook. [eiser] kan geen verwijdering, en de kosten daarvan, vorderen van beplanting die niet op zijn eigendom staat. Ook is er geen gevaar aanwezig dat de bomen op de strook zullen omvallen op de bebouwing van [eiser] . Verder heeft [gedaagde] de overhangende beplanting bij de afrastering voor zover mogelijk verwijderd. Nu [eiser] zonder enig nader overleg zelf nog beplanting heeft verwijderd, dienen de kosten daarvan, en ook van de aktes van constatering, voor zijn rekening te blijven.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De erfgrens

4.1.

Met betrekking tot de vaststelling van de erfgrens overweegt de rechtbank het volgende. Vastgesteld kan worden dat de strook waarvan [gedaagde] rechthebbende stelt te zijn, op grond van de kadastrale kaart bij het perceel van [eiser] hoort. Partijen verschillen hierover niet van mening. De kadastrale meting heeft als uitgangspunt te gelden voor de bepaling van de erfgrens. Toch is het mogelijk dat [gedaagde] de strook heeft verkregen. Voor verkrijging van de strook door verjaring op basis van zowel artikel 3:99 Burgerlijk Wetboek (BW) (met een verjaringstermijn van 10 jaren) als artikel 3:105 BW (met een verjaringstermijn van twintig jaar) is inbezitneming van de grond vereist. De rechtbank zal dan ook als eerste beoordelen of de strook grond door [gedaagde] of haar rechtsvoorganger in bezit is genomen. Als dit niet het geval is, dan kan van verkrijging van de grond geen sprake zijn.

Verjaring?

4.2.

De vraag of op het tijdstip van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de artikelen 3:107 e.v. BW, aan welke artikelen, voor zover hier van belang, het volgende kan worden ontleend. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen dat de feitelijke macht over een goed wordt uitgeoefend met de pretentie rechthebbende te zijn. Wanneer het goed in het bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende. Bij de machtsuitoefening komt het aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen (en dus in de optiek van de objectieve derde) een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De louter interne wil om als rechthebbende op te treden is voor het zijn van bezitter niet van betekenis. Het bezit dient ondubbelzinnig te zijn. Er is geen (ondubbelzinnig) bezit indien de machtsuitoefening met betrekking tot de zaak evenzeer kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik in een andere hoedanigheid. Het moet gaan om gedragingen van de bezitter waaruit de oorspronkelijke rechthebbende kan en moet opmaken dat eigendom wordt gepretendeerd, zodat de oorspronkelijke rechthebbende tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen en aldus te voorkomen dat hij zijn recht verliest doordat hem verjaring kan worden tegengeworpen. Uit het voorgaande vloeit voort dat feitelijke gedragingen met betrekking tot een onroerende zaak, zoals het in gebruik nemen van een stukje grond, afhankelijk van de omstandigheden van het geval zullen kunnen duiden op de inbezitneming van het recht van eigendom.

4.3.

De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. De rechtbank stelt vast dat nabij de kadastrale erfgrens in 1975 een hekwerk met gaas is geplaatst. Deze afrastering bevindt zich op het perceel van [eiser] uitgaande van het kadaster. Volgens [gedaagde] is het hekwerk gezamenlijk door de rechtsvoorgangers van partijen geplaatst. Uit de door [eiser] overgelegde verklaring van de kinderen van zijn rechtsvoorganger - [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] - volgt dat zij verklaren dat de afrastering door hun vader, de rechtsvoorganger van [eiser] , is geplaatst om een wei te creëren voor zijn vee. Het hekwerk zou niet op de erfgrens zijn geplaatst omdat dit, in verband met een verhoging, een lastige plek voor het hekwerk zou zijn geweest en voorts omdat de rechtsvoorganger van [eiser] ruimte tussen de afrastering en de erfgrens wilde hebben omdat hij niet wilde dat de dieren hekken en bomen van anderen zouden vernielen. Het hekwerk zou nooit als erfafscheiding bedoeld zijn geweest. De rechtbank oordeelt dat, gelet op hetgeen in r.o. 4.2. is overwogen, de wil of bedoeling van de rechtsvoorganger van [eiser] bij het plaatsen van de afrastering, voor zover deze nu nog zou zijn vast te stellen, niet in de weg staat aan een mogelijke verkrijging van de strook op grond van verjaring. Op grond van het dossier, het fotomateriaal en hetgeen de rechtbank ter plaatse heeft geconstateerd, kan worden vastgesteld dat de strook, gezien het hekwerk, optisch deel lijkt uit te maken van de tuin van [gedaagde] . De strook is niet toegankelijk voor [eiser] . [gedaagde] heeft gesteld dat zij de strook heeft onderhouden. [gedaagde] heeft deze stelling onderbouwd met verklaringen.

[naam 4] , zoon van de rechtsvoorganger van [gedaagde] , die van 1976 tot 1991 op het perceel van [gedaagde] heeft gewoond, verklaart uit eigen wetenschap:

‘De tuin aan onze kant van het hek en de bomen zijn altijd door ons onderhouden.’

[naam 6] , zoon van de rechtsvoorganger van [gedaagde] , verklaart uit eigen wetenschap:

‘Hierbij verklaar ik dat zolang ik weet de bomen zijn onderhouden door mijn vader. … Wij maaiden tussen de bomen het gras en zorgden dat de gaten regelmatig werden dichtgemaakt in het gaas zodat er geen schapen doorheen kwamen die in de weilanden rondom het huis van de familie [Achternaam] liepen.’

[naam 7] van [groenonderhoudsbedrijf] verklaart:

‘Sedert half jaren 80 ben ik (ondergetekende) incidenteel betrokken bij aanleg en groot onderhoud aan de tuin van [gedaagde] aan [adres perceel gedaagde] in Bergen op Zoom. … De tuin, inclusief de struiken op de houtwal maar met uitzondering van de bomen, is door mijn bedrijf meermaals onderhouden. … Ik was betrokken bij de aanleg van de vijvers in de tweede helft van de jaren 80. De vrijkomende grond uit de grote vijver is daarbij verspreid over de gehele achtergrond van de vijver incl. de houtwal tot aan de afrastering.’

[naam 8] van [bedrijf] verklaart het volgende:

‘Middels deze brief verklaar ik dan mijn bedrijf, [bedrijf] , sinds Januari 2014 medeverantwoordelijk is voor het onderhoud in de tuin tot aan de afscheidingen.’

De broer van [gedaagde] , [broer gedaagde] , verklaart:

‘Hierbij verklaar ik dat ik sinds 2011 werkzaamheden op het gebied van groenonderhoud aan de tuin van mijn zus, [gedaagde] verricht. … Daarin inbegrepen incidenteel beheer van de lage begroeiing onder de bomensingel, in het zicht van de woning van [gedaagde] .’

[eiser] heeft betwist dat [gedaagde] onderhoud aan de strook heeft verricht. De door hem overgelegde verklaring van de kinderen van zijn rechtsvoorganger luidt ter zake als volgt:

‘Aan de betreffende bomen is de afgelopen 40 jaar nooit onderhoud gepleegd en zij zien er hetzelfde uit als de bomen elders op het terrein van de familie [Achternaam] .’

Een buurman van [gedaagde] , de [buurman gedaagde] , verklaart ter zake:

‘Bij deze verklaar ik, dat [gedaagde] aan mij heeft bevestigd op donderdag 17 december ter plaatse bij de afrastering bij de houtwal tussen [gedaagde] en [eiser] (voorheen [Achternaam] ) dat er nooit enig onderhoud heeft plaatsgevonden aan de houtwal. Dit was overigens ook duidelijk te zien.’

Ondanks de betwisting door [eiser] en de door hem overgelegde verklaringen acht de rechtbank het op grond van de door [gedaagde] overgelegde verklaringen aannemelijk dat eerst haar rechtsvoorganger, en vervolgens [gedaagde] zelf, het onderhoud heeft verricht aan de beplanting op de strook. De kinderen [Achternaam] verklaren namelijk slechts dat er geen onderhoud aan de bomen is verricht, en niet dat er helemaal geen onderhoud door [gedaagde] op de strook heeft plaatsgevonden. De verklaring van de buurman staat haaks op de door [gedaagde] overgelegde verklaringen en hetgeen zij zelf over het onderhoud heeft verklaard. De door [eiser] overgelegde verklaringen geven naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing aan zijn stelling dat er geen onderhoud door [gedaagde] aan de strook is gepleegd. De rechtbank oordeelt dan ook dat [gedaagde] , en haar rechtsvoorganger voor haar, tot de komst van [eiser] onderhoud aan de strook heeft gepleegd. Nu [gedaagde] geen toestemming voor het onderhoud heeft gevraagd of gekregen van de rechtsvoorganger van [eiser] , moet het ervoor worden gehouden dat daarmee voor de rechtsvoorganger van [eiser] duidelijk was, althans had het hem duidelijk moeten zijn, dat [gedaagde] de strook in bezit nam, met de pretentie daarvan eigenaar te zijn.

Verder heeft [gedaagde] in 1985 de vrijkomende grond uit de grote vijver op haar terrein verspreid over de houtwal tot aan de afrastering, waarbij ter hoogte van een aanzienlijk deel van de afrastering een grote heuvel is ontstaan die tot op de dag van vandaag zeer goed zichtbaar is vanaf het perceel van [eiser] . Ook hieruit leidt de rechtbank een wilsuiting van [gedaagde] af om als rechthebbende op te treden. Deze machtsuitoefening over de strook duidt naar het oordeel van de rechtbank op een gebruik als eigenaar. Het is immers een gedraging van de bezitter waaruit de oorspronkelijke rechthebbende kan en moet opmaken dat eigendom wordt gepretendeerd. Dit temeer nu de ontstane heuvel op de strook al 37 jaar goed zichtbaar is geweest vanaf het perceel van [eiser] . Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de feitelijke situatie sinds 1975 anders is dan de kadastrale gegevens aangeven. De afpaling van de strook grond met een afrastering, het onderhoud en gebruik daarvan om grond uit de aangelegde vijver te verspreiden, het uitblijven van protest tegen dit onderhoud en gebruik en de uiterlijke verschijningsvorm van de tuin van [gedaagde] kunnen bezwaarlijk tot een andere conclusie leiden dan dat [gedaagde] , althans haar rechtsvoorganger, de grond tot aan het hekwerk vanaf 1975 in haar bezit heeft gehad. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich niet als eigenaar van de grond heeft gedragen. [gedaagde] pretendeert derhalve eigenaar te zijn, dit was ook kenbaar voor de rechtsvoorganger van [eiser] en hij heeft zich daartegen nooit verzet. Daarmee heeft [gedaagde] , althans haar rechtsvoorganger, naar verkeersopvatting gedurende minimaal twintig jaar bezit gehad van de strook. Uitgaande van de aanvang van de verjaring in 1975 - door partijen is geen specifieke datum binnen dat jaar genoemd - is ingevolge het bepaalde in artikel 3:105 BW de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van bedoelde grensstrook in ieder geval uiterlijk 31 december 1995 voltooid. Het gevolg is dat [gedaagde] zich terecht op extinctieve verjaring heeft beroepen. Nu dit het meest verstrekkende verweer betreft, behoeft het beroep op verkrijgende verjaring geen behandeling meer. De vordering van [eiser] te verklaren voor recht dat de door het kadaster uitgezette erfgrens tussen de percelen van partijen de huidige eigendomssituatie weergeeft, zal worden afgewezen. De vordering van [eiser] om [gedaagde] op grond van zijn eigenaarschap te veroordelen om te gehengen en gedogen dat [eiser] de beplanting op de strook geheel of ten dele verwijdert alsmede de vordering tot betaling van de daarmee gepaard gaande extra kosten ter hoogte van respectievelijk € 6.642,90 en € 4.319,70, zullen, nu [eiser] geen eigenaar van de strook is, eveneens worden afgewezen.

Verwijdering beplanting op de strook

4.4.

Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd, zo begrijpt de rechtbank, zijn vordering sub II subsidiair te gronden op het door hem gestelde feit dat de bomen op de strook, gezien de nabijheid van zijn bebouwing, gevaar opleveren voor deze bebouwing omdat zij door hun hoogte en gewicht in de top zouden kunnen omvallen en dan schade zouden kunnen toebrengen aan de bebouwing. Nu het [eiser] primair gaat om de bomen op de strook, zal de rechtbank hierna het woord ‘bomen’ in plaats van ’beplanting’ bezigen. [gedaagde] heeft betwist dat de bomen kunnen omvallen. Nu vast is komen te staan dat [gedaagde] eigenaar is van de strook, kan de vordering zoals nu door [eiser] geformuleerd, niet door de rechtbank worden toegewezen. Een eigenaar van een strook behoeft niet te gehengen en gedogen dat een derde de bomen op haar eigendom verwijdert. In dat wat gevorderd of verzocht is, kan echter impliciet een vordering of verzoek tot het treffen van een minder verstrekkende voorziening besloten liggen. In dergelijke gevallen komt het aan op een uitleg van het petitum, meer in het bijzonder of aannemelijk is dat in wat is gevorderd of verzocht ook het mindere ligt besloten. De rechtbank legt het petitum aldus uit dat hierin impliciet een vordering tot gehele of gedeeltelijke verwijdering van de bomen op de strook door [gedaagde] besloten ligt. Of deze vordering toegewezen kan worden, hangt af van de beantwoording van de vraag of er aan de kant van [gedaagde] sprake is van onrechtmatige gevaarzetting, zoals [eiser] stelt, door de bomen in hun huidige stand te laten staan. Een eigenaar van een groenstrook met bomen heeft immers een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat risico’s op schade aan eigendommen van anderen door de bomen worden beperkt. Een eigenaar dient maatregelen te treffen die van haar als zorgvuldig handelend eigenaar van bomen op een specifieke plaats redelijkerwijze mogen worden verlangd. Dit alles, ter beperking van het risico dat schade zal kunnen worden toegebracht aan eigendommen van anderen. Voor het aannemen van onrechtmatigheid is niet vereist dat schade is of dreigt te worden geleden. Gevaarzettend gedrag is echter alleen onrechtmatig als de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag dient te onthouden. Dit betekent dat ook bij gebreke van (geleden of dreigende) schade een verbod van onrechtmatig handelen kan worden gevorderd. Nu de bewijslast ter zake van het gevaar van de bomen en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot gehele of gedeeltelijke verwijdering van de bomen op [eiser] rust, zal de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , [eiser] toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat (een of meer van) de bomen op de strook een concreet gevaar vormen voor zijn bebouwing omdat zij kunnen omvallen en waaruit blijkt dat de enige manier om dit gevaar te voorkomen het geheel of ten dele verwijderen van de bomen is. Mocht [eiser] slagen in zijn bewijsopdracht dan zal zijn vordering worden toegewezen. Slaagt [eiser] niet in zijn bewijsopdracht dan zal zijn vordering worden afgewezen.

4.5.

De rechtbank acht, indien [eiser] bewijs wenst te leveren, een deskundigenbericht aangewezen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bomen en dat de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

  1. Kunt u de mate van waarschijnlijkheid aangeven dat (een of meer van) de bomen op de strook een concreet gevaar vormen voor de bebouwing van [eiser] omdat zij kunnen omvallen?

  2. Indien op grond van vraag 1 enige mate van waarschijnlijkheid wordt vastgesteld: wilt u de risicobomen nummeren en aanduiden op een schematische kaart waarbij u het risico per boom aangeeft met een omschrijving van de reden van dit risico en daarbij per risicoboom opneemt welke maatregelen u aanraadt om gevaar van omvallen te voorkomen?

  3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.6.

De rechtbank zal, voordat tot inschakeling van een deskundige wordt overgegaan, partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Voorts zal de rechtbank [eiser] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of de inschakeling van een deskundige zijns inziens voldoende is voor de uitvoering van zijn bewijsopdracht of dat hij naast dit bewijs nog op andere wijze bewijs, bijvoorbeeld schriftelijke stukken of door het horen van getuigen, wenst te leveren. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiser] moeten worden betaald.

Overhangende beplanting

4.8.

Partijen zijn het erover eens dat de bomen op het perceel van [gedaagde] nabij de afrastering in de toppen enigszins overhangen op het perceel van [eiser] . [gedaagde] heeft aan de sommatie van [eiser] om de overhangende beplanting te verwijderen voldaan voor wat betreft de laag overhangende beplanting waarvan [eiser] op zijn perceel hinder ondervond. Ten aanzien van de bij de toppen overhangende beplanting stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] ook deze overhang had moeten verwijderen. De rechtbank overweegt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om het hebben van een boom met over het erf van de buurman hangende takken altijd als onrechtmatig te bestempelen. Het zou te ver gaan om het oversteken van takken zonder meer als onrechtmatig te kwalificeren en om alle boomeigenaren reeds vanwege dat oversteken de verplichting op te leggen om die bomen in de hoogte af te knotten boven de erfgrens.

Om aan te kunnen nemen dat sprake is van een onrechtmatige toestand, waaruit een dergelijke verbintenis voortvloeit, zijn bijkomende omstandigheden nodig. Daarbij kan gedacht worden aan gevaarzetting vanwege die overhangende takken of het veroorzaken van ontoelaatbare hinder, in het bijzonder het ontnemen van licht of lucht. [eiser] heeft ter zake van de overhang bij de toppen van de bomen onvoldoende dusdanige bijkomende omstandigheden gesteld, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake is geweest van een onrechtmatige toestand. Verder overweegt de rechtbank dat, zoals [gedaagde] onbetwist heeft gesteld, de bomen van oudsher deel uitmaken van diverse soortgelijke boomwallen in de omgeving, waardoor er mogelijk sprake is van beschermingswaardigheid van deze bomen. In dat kader kunnen de snoeiwerkzaamheden van [eiser] bij de toppen van de bomen mogelijk, zoals [gedaagde] heeft gesteld, aangemerkt worden als misbruik van recht nu [eiser] geen concreet belang heeft gesteld bij het verwijderen van de hoge overhang. Daarbij komt dat, als [eiser] al een concreet belang bij verwijdering van de hoge overhang zou hebben gehad, hij [gedaagde] niet de mogelijkheid heeft geboden om deze alsnog te verwijderen. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank geen grond aanwezig op basis waarvan [gedaagde] de kosten dient te dragen van het laten verwijderen van de overhang bij de toppen. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van een bedrag van € 3.025,00 ter zake de kosten van verwijdering van overhangende beplanting af.

4.9.

De vorderingen van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 326,70 en € 245,03 ter zake de kosten van de aktes van constatering wijst de rechtbank, nu deze met de onder punt 4.8. afgewezen vordering van [eiser] samenhangen, eveneens af.

4.10.

De rechtbank houdt de beslissing voor wat betreft de reeds beslechte onderwerpen opgenomen in de overwegingen 4.2. tot en met 4.9. aan totdat in deze zaak eindvonnis wordt gewezen.

Vervolg procedure

4.11.

De rechtbank geeft partijen nog in overweging om, nu de uitgangspunten zijn vastgesteld, nogmaals te betrachten onderling tot overeenstemming te komen, teneinde aktewisseling, het inwinnen van een deskundigenadvies en verdere kosten te voorkomen.

4.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [eiser] toe, om door alle middelen rechtens bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat (een of meer van) de bomen op de strook een concreet gevaar vormen voor zijn bebouwing omdat zij kunnen omvallen en waaruit blijkt dat de enige manier om dit gevaar te voorkomen het geheel of ten dele verwijderen van de bomen is;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 31 augustus 2022 te 10.00 uur opdat [eiser] dan bij akte aangeeft of en zo ja op welke wijze hij dit bewijs wenst te leveren;

5.3.

bepaalt dat partijen zich op de rol van 31 augustus 2022 bij akte kunnen uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage, zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.5. en bepaalt dat [eiser] tevens de eventuele nadere schriftelijke stukken in het geding kan brengen en/of kan meedelen of hij bewijs door getuigen wil laten leveren;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.