Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:5083

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
06-09-2022
Zaaknummer
AWB- 21_4755
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/4755 WIA


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [Plaatsnaam] , eiser

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1.1

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verlaging van de toeslag op grond van de Toeslagenwet (Tw), de daarmee samenhangende terugvordering, de opgelegde boete en de door het UWV vastgestelde aflossingscapaciteit.

1.2

Bij besluiten van 31 mei 2021 heeft het UWV respectievelijk de toeslag van eiser herzien en de te hoog uitbetaalde toeslag teruggevorderd (eerste besluit) en aan eiser een boete wegens overtreding van de inlichtingenplicht opgelegd (tweede besluit). Op

9 juni 2021 heeft het UWV besloten dat eiser respectievelijk de teruggevorderde toeslag (derde besluit) en de boete (vierde besluit) binnen zes weken moet betalen. Bij besluit van 15 juli 2021 (vijfde besluit) heeft het UWV de aflossingscapaciteit van eiser op € 59,69 bruto per maand vastgesteld. Met het bestreden besluit van 22 september 2021 is het UWV in bezwaar bij het eerste, derde en vijfde besluit gebleven. Het UWV heeft bij het bestreden besluit de boete verlaagd tot € 552,00.

1.3

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4

Eiser is wegens betalingsonmacht voorlopig vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

1.5

De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een telefonische verbinding) en de gemachtigde van UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

2. Eiser heeft, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, aangegeven dat hij wegens betalingsonmacht niet in staat is het griffierecht te betalen. Eiser heeft onderbouwd

dat hij in de te beoordelen periode1 niet over minimaal een netto-inkomen van 95% van de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm beschikt. De rechtbank verleent eiser een vrijstelling voor de betaling van het griffierecht.

Omvang geschil

3. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden heeft besloten om de toeslag op de WIA-uitkering van 1 januari 2017 tot en met 30 november 2020 te verlagen en of het UWV op goede gronden de te hoog uitbetaalde toeslag heeft teruggevorderd. De rechtbank beoordeelt ook of de vastgestelde aflossingscapaciteit klopt en of het UWV op goede gronden de boete aan eiser heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Het beroep is ongegrond

4. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal eerst ingaan op de herziening en de terugvordering (overweging 7.1 tot en met 7.3.4 ), dan de aflossingscapaciteit (overweging 8.1 tot en met 8.3.2) en tot slot de boete (overweging 9.1 tot en met 9.3.3).

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

6. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten die niet betwist zijn en die de rechtbank ook aanvaardt. Eiser heeft van 8 maart 2011 tot 2 mei 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen. Vanaf 2 mei 2013 ontvangt eiser een vervolguitkering op basis van 45-55% arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft eiser bij besluit van 1 maart 2013 vanaf

2 mei 2013 een toeslag van € 27,56 bruto per dag op grond van de Toeslagenwet toegekend.

Eiser ontvangt vanaf 1 januari 2017 een pensioenuitkering van € 519,49 bruto per maand van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Eiser heeft op 15 mei 2020 telefonisch gesproken met een handhavingsmedewerker van het UWV over onder meer de pensioenuitkering. Het UWV heeft eiser op 7 april 2021 geïnformeerd dat het voornemens is om hem, wegens overtreding van de inlichtingenplicht, een boete op te leggen van

€ 5.466,67. Eiser heeft volgens het UWV de toekenning van de pensioenuitkering namelijk niet eerder dan tijdens het telefoongesprek op 15 mei 2020 aan het UWV doorgegeven. Met het eerste besluit heeft het UWV de toeslag vanaf 1 januari 2017 tot en met 30 november 2020 herzien en € 26.176,96 bruto aan te hoog uitbetaalde toeslag teruggevorderd. Het UWV heeft eiser met het tweede besluit een bestuurlijke boete van € 5.466,67 opgelegd. Bij het derde en vierde besluit heeft het UWV bepaald dat eiser zowel de terugvordering als de boete binnen zes weken dient (terug) te betalen. De aflossingscapaciteit heeft het UWV bij het vijfde besluit vastgesteld op € 46,00 netto per maand (€ 59,69 bruto per maand).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het eerste tot en met vijfde besluit. Bij bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren tegen het eerste, derde en vijfde besluit ongegrond verklaard. Vanwege de aflossingscapaciteit heeft het UWV de boete van het tweede besluit gematigd tot € 552,00.

Heeft het UWV op goede gronden besloten tot herziening van de toeslag van 1 januari 2017 tot 30 november 2020 en om de te hoog uitbetaalde toeslag terug te vorderen?

7.1

Eiser voert aan dat hij de toekenning van de pensioenuitkering in 2017 aan het UWV heeft doorgegeven, maar het is eiser niet gelukt om de specificaties van de telefoonrekeningen hierover te overleggen. Ook had het UWV al via de Belastingdienst van de pensioenuitkering op de hoogte had kunnen zijn. Eiser verwijst naar zijn fysieke en psychische problemen en verzoekt om kwijtschelding of beperking van de terugvordering.

7.2

Het UWV verwijst naar de beslissing op bezwaar en stelt dat het eiser voldoende duidelijk had moeten zijn welke inkomsten van invloed zijn op zijn uitkeringsrechten. Eiser is onder meer bij toekenning van de toeslag gewezen op de inlichtingenplicht. Tijdens het contact tussen eiser en het UWV op 23 april 2013 is aan de orde gesteld dat een pensioenuitkering wordt betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag.

7.3.1

Het besluit tot het herzien en terugvorderen van toeslag is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekken is voldaan in beginsel op het UWV. Dit betekent dat het UWV de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.2

7.3.2

Eiser is als ontvanger van een toeslag op grond van artikel 12, eerste lid, van de Tw gehouden om alles dat van invloed kan zijn op onder meer het recht op en de hoogte van de toeslag aan het UWV te melden (de inlichtingenplicht). Tussen partijen staat vast dat ook de pensioenuitkering als inkomen wordt beschouwd in het kader van de Toeslagenwet. Als eiser de inlichtingenplicht niet nakomt, moet het UWV de toeslag op grond van artikel 11a, eerste lid, sub a, van de Tw herzien als eiser door het schenden van deze plicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag heeft ontvangen. De inlichtingplicht geldt niet voor een adreswijziging of gegevens over het verblijfsrecht van een vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden kan het UWV zelf vaststellen3. Het ontvangen van een pensioenuitkering valt dus niet onder de uitzondering op de inlichtingenplicht.

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het UWV een toeslag aan eiser toegekend en is eiser erop gewezen dat hij alle wijzigingen in zijn situatie binnen één week aan het UWV moet doorgeven. Eiser stelt dat hij de pensioenuitkering heeft doorgegeven in 2017, maar heeft deze stelling niet onderbouwd en de specificaties van de telefoongesprekken heeft eiser niet in de procedure gebracht. Het UWV heeft meerdere telefoongesprekken uit zijn administratie overgelegd. Uit het telefonisch contact op 23 april 2013 volgt in ieder geval dat aan de orde is geweest dat een pensioenuitkering voor het recht op toeslag wordt meegewogen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de door het UWV aangegeven telefonische contacten. Het UWV heeft voldaan aan de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan. In dat kader stelt de rechtbank vast dat eiser de omvang van de terugvordering zelf niet betwist en de rechtbank is niet gebleken dat de terugvordering verkeerd is berekend.

7.3.3

Het UWV kan besluiten om van herziening en terugvordering af te zien als er sprake is van een dringende reden. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)4 volgt dat alleen van een dringende reden sprake is als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor eiser. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzondere en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De door eiser aangevoerde omstandigheden merkt de rechtbank – alhoewel niet specifiek als dringende redenen aangevoerd – niet aan als dergelijke bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden. Voor de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering geldt dat deze zich in het algemeen pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Eiser heeft als schuldenaar bescherming, omdat het door het UWV in te houden bedrag gereguleerd is. De rechtbank zal daar bij de overwegingen over de aflossingscapaciteit nader op ingaan.

7.3.4

De beroepsgronden van eiser tegen de herziening en terugvordering slagen niet. Het UWV is op goede gronden overgegaan tot herziening van de toeslag over de periode van

1 januari 2017 tot en met 30 november 2020 en tot het terugvorderen van een bedrag van

€ 26.176,96 bruto.

Heeft het UWV de aflossingscapaciteit op goede gronden vastgesteld?

8.1

Eiser voert aan dat het UWV de aflossingscapaciteit te hoog heeft vastgesteld.

8.2

Het UWV stelt zich op het standpunt dat dat de aflossingscapaciteit correct is vastgesteld. Het UWV gaat uit van een beslagvrije voet van € 1.033,00 per maand en

€ 1.079,00 netto aan inkomsten per maand. De aflossingscapaciteit is het verschil tussen de beslagvrije voet en de inkomsten, ofwel € 46,00 netto per maand. Het UWV houdt hiervan het bruto-equivalent, ofwel € 59,69 bruto, als maandelijkse aflossing op de uitkering in.

8.3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers maandelijkse WIA-uitkering inclusief toeslag en vakantiegeld € 686,00 netto bedraagt en dat eiser vanaf 1 januari 2017 ook een pensioenuitkering ontvangt. Eiser dient zijn volledige aflossingscapaciteit te gebruiken om de boete en de terugvordering terug te betalen5 en hij moet in ieder geval 95% van zijn netto inkomsten overhouden. Het UWV begroot de netto pensioenuitkering op € 393,00, terwijl eiser stelt dat hij € 297,70 netto6 als pensioenuitkering ontvangt. De rechtbank volgt in dit geval de door eiser gestelde netto pensioenuitkering van € 297,70, omdat dit bedrag overeenkomt met de door eiser overgelegde specificatie en deze bruto pensioenuitkering ook overeenkomt met de in de SUWI-prints van het UWV aangegeven bedrag.

8.3.2

De rechtbank begroot het netto-inkomen van eiser op € 983,707 en dat inkomen ligt onder de relevante bijstandsnorm8. Voor de berekening van de aflossingscapaciteit mag het UWV uitgaan van 5% van het netto-inkomen van eiser, ofwel € 49,19 netto per maand, maar het UWV gaat uit van € 46,00 netto per maand. Daarmee staat vast dat de berekening van het UWV dus gunstiger is voor eiser dan de wettelijke berekening. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd waarom de aflossingscapaciteit te hoog is vastgesteld en die zijn de rechtbank ook niet gebleken. De beroepsgrond tegen de aflossingscapaciteit slaagt niet.

Heeft het UWV op goede gronden de boete aan eiser opgelegd?

9.1

Eiser betwist de overtreding van de inlichtingenplicht en daarmee ook dat aan hem een boete opgelegd mag worden.

9.2

Het UWV stelt zich op het standpunt dat dat de overtreding van de inlichtingenplicht op basis van normale verwijtbaarheid aan eiser te verwijten is. In het bestreden besluit heeft het UWV de boete – door de beperkte aflossingscapaciteit – beperkt tot € 552,00.

9.3.1

Naar vaste rechtspraak van de CRvB9 is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en bij de terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het UWV moet aantonen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van de vanaf

1 januari 2017 ontvangen pensioenuitkering.

9.3.2

De rechtbank is van oordeel – onder verwijzing naar overweging 7.3.2 – dat het UWV ook heeft voldaan aan de zwaardere bewijslast voor het aantonen van de schending van de inlichtingenverplichting. Dit betekent dat het UWV een boete mocht opleggen10. De rechtbank oordeelt dat het UWV conform de gehanteerde normen de verwijtbaarheid al normaal heeft gekwalificeerd; de boete is dan in beginsel 50% van het benadelingsbedrag11.

9.3.3

Het UWV heeft in het bestreden besluit, vanwege financiële omstandigheden, de oorspronkelijk opgelegde boete van € 5.466,67 beperkt tot € 552,00. Daarmee is de boete verlaagd tot de aflossingscapaciteit van eiser, gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. Bij normale verwijtbaarheid gaat het dan om een termijn van twaalf maanden12. De rechtbank heeft in overwegingen 8.1 tot en met 8.3.2 de vastgestelde aflossingscapaciteit al getoetst en akkoord bevonden. De rechtbank beschouwt deze boete als evenredig, omdat de boete volgens de rechtbank in verhouding staat tot het ten onrechte genoten bedrag en voldoende aansluit bij de financiële omstandigheden van eiser. Dat betekent dat het UWV de boete op goede gronden heeft beperkt tot € 552,00 en dat het beroepsgrond tegen de opgelegde boete niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziening van de toeslag, de terugvordering, de boete en de vastgestelde aflossingscapaciteit in stand blijven. Eiser is vrijgesteld van het griffierecht en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 31 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Toeslagenwet (Tw)

Artikel 11a, eerste lid, sub a en tweede lid:

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag (…), herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit (…):

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 (…) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 12, eerste lid:

Degene die aanspraak maakt op toeslag (…), zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 14a, eerste, tweede, achtste en tiende lid:

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag (…) van de verplichting, bedoeld in artikel 12. (…) Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen.

8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Artikel 20, eerste, vijfde en zevende lid:

1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a (…) onverschuldigd is betaald (…), wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

Artikel 475dc, eerste lid:

In afwijking van de artikelen 475da en 475db bedraagt de beslagvrije voet 95% van het maandelijkse inkomen inclusief vakantietoeslag dat de geëxecuteerde op basis van zijn vorderingen tot periodieke betaling (…) ontvangt, (…).

Regeling uitzondering inlichtingenplicht (regeling inlichtingenplicht)

Artikel 4a, eerste lid:

De inlichtingenplicht van degene die aanspraak maakt op toeslag (…), bedoeld in artikel 12 van de Toeslagenwet, geldt niet ten aanzien van gegevens die in de basisregistratie personen zijn opgenomen ten aanzien van:

a. een adreswijziging als bedoeld in artikel 2.39 van de Wet basisregistratie personen;

b. gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling (…).

Boetebesluit socialezekerheidswetten (boetebesluit)

Artikel 2, vierde en tiende lid:

4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.

10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. (…)

Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde bedragen (regeling tenuitvoerlegging)

Artikel 4, tweede en vijfde lid:

2. De periode betalingen of verrekening worden door het UWV (…) zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledig aflossingscapaciteit van de schuldenaar.

Beleidsregel boete werknemer 2017 (beleidsregel boete)

Artikel 2, eerste lid:

Betrokkene heeft onverwijld aan de spontane inlichtingenverplichting voldaan als de inlichtingen over de wijziging van feiten of omstandigheden binnen één week door het UWV is ontvangen.

Artikel 6, eerste en tweede lid, sub c:

1. Indien de financiële omstandigheden waarin een betrokkene verkeert daartoe aanleiding geven, verlaagt het UWV de bestuurlijke boete.

2. Verlaging van de bestuurlijke boete vindt plaats door de aflossingscapaciteit per maand te vermenigvuldigen met het aantal maanden, gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. Dit aantal is:

c. in geval van verwijtbaarheid 12 maanden;

1 De datum van het verzoek tot betaling van het griffierecht tot de datum waarop het griffierecht uiterlijk betaald had moeten zijn.

2 Bijvoorbeeld CRvB 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470.

3 Op grond van artikel 4a, eerste lid, van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht.

4 Bijvoorbeeld CRvB 21 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3710.

5 Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde bedragen in samenhang met artikel 475dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6 € 519,49 bruto aan pensioenuitkering per maand.

7 € 686,00 + € 297,70.

8 De bijstandsnorm voor eiser bedroeg tussen 1 juli 2021 en 1 januari 2022 € 1.078,70 netto per maand.

9 Bijvoorbeeld CRvB 21 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:145.

10 Op grond van artikel 14a van de Tw.

11 Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

12 Artikel 6, eerste en tweede lid, sub c, van de Beleidsregel boete werknemer 2017. Twaalf maanden a € 46,00 komt uit op € 552,00.