Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:5081

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2022
Datum publicatie
07-09-2022
Zaaknummer
21/1410 tot en met 21/1415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belastbaarheid schade-uitkering in verband met bedrijfsongeval. Gedeeltelijk blijvend verlies aan arbeidsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-9-2022
V-N Vandaag 2022/2146
FutD 2022-2486
NLF 2022/1763
PS-Updates.nl 2022-0585
Belastingadvies 2022/23.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 21/1410 tot en met 21/1415


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. L.E. Warendorf),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 maart 2021 en 24 maart 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2016 tot en met 2018 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en premie Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen is aan belanghebbende bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 gegrond verklaard. De bezwaren voor de overige aanslagen zijn ongegrond verklaard. Aan belanghebbende is geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

1.4.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen op 18 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, haar gemachtigde en mr. M.J.J. de Ridder. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [inspecteur] , [inspecteur] en [inspecteur] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is en was in de onderhavige jaren ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001. De onderneming wordt gedreven in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . De activiteiten van de onderneming bestonden uit buitensportactiviteiten, de verhuur van tenten, 4x4 evenementen, buitensportinstructie, 4x4 instructie en fotografie en daarnaast werkzaamheden in de horeca die met eerder genoemde activiteiten samenhingen.

2.2.

Op 10 september 2014 is belanghebbende betrokken geraakt bij een bedrijfsongeval waarbij zij voetletsel heeft opgelopen. Zij werkte toen in een restaurant bij [naam] , een van de klanten van haar onderneming. Belanghebbende heeft daarna een langdurig medisch traject doorlopen en heeft uiteindelijk aan het incident chronische pijnklachten overgehouden. [naam] was tegen de gevolgen van ongevallen verzekerd bij MS Amlin Insurance SE (hierna: Amlin). Amlin heeft de aansprakelijkheid erkend.

2.3.

Op 11 mei 2015 is door [personenschade BV] een rapportage uitgebracht aan Amlin over de door belanghebbende geleden schade. Daarin staat onder meer:

Verlies van arbeidsvermogen

Het letsel heeft consequenties voor het werk van betrokkene. Betrokkene is buitengewoon sportief en probeert de werkzaamheden zo goed als het gaat vol te houden en door het verschuiven van het werk, soms wat uitbesteden van werk en het regelmatig houden van rust tussendoor, is het tot nu toe enigszins gelukt. Wel is het zo dat betrokkene een paar keer een vervanger heeft ingeschakeld en ook dat ze een dag heeft vrij moeten nemen voor bijvoorbeeld bezoek aan de dokter. Daardoor zijn wel wat inkomsten gemist. Betrokkene zal kopieën maken van facturen die betrekking hebben op het inschakelen van een vervanger.

Ik heb betrokkene gevraagd om wat stukken aan te leveren aan de hand waarvan meer zicht ontstaat op de financiën. Het gaat dan om de verlies- en winstrekeningen van 2011 tot en met 2014, maar de boekhouder is nog met de jaren 2013 en 2014 bezig. Verder heb ik begrepen dat betrokkene per kwartaal aangifte doet voor de BTW. Op basis van een aantal kwartaalaangiften is wellicht te zien hoe het omzetverloop is gedurende de afgelopen jaren. Verder is gevraagd om facturen met betrekking tot de vervanging.

Overige schade

Verder heeft betrokkene wat medische kosten gemaakt, onder meer voor de podotherapeut en de zooltjes en daarnaast het eigen risico. Betrokkene zal nog een opgave insturen van deze kosten.”

2.4.

De advocaat van belanghebbende heeft bij e-mail van 6 oktober 2015 aan Cordaet, de door Amlin ingeschakelde schade-expert, geschreven:

“U weet dat cliënte zzp-er is, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft en niet kan terugvallen op andere inkomstenvoorzieningen. Ter onderbouwing van haar

inkomensverlies is zij in afwachting van stukken van haar boekhouder. In dit stadium en omdat de nood zo hoog is doe ik nu namens cliënte de aanslagen Inkomstenbelasting 2013 toekomen, waaruit blijkt dat dat jaar het inkomen van cliënte € 22.926,00 (€ 21.974,00 + € 952,00) bruto was, ofwel € 1.910,50 bruto per maand. Namens cliënte verzoek ik u het daarheen te leiden dat aan haar bij wijze van voorschot en met onmiddellijke ingang maandelijks een bedrag van € 1.910,50 wordt betaald.”

2.5.

Medisch adviseur [medisch adviseur] schrijft op 15 februari 2016 aan Amlin:

“Beeldvorming 1 jaar na het ongeval toonde nog immer aanwijzingen voor botoedeem, geen breuk, wat volgens de orthopeed geen duidelijke verklaring is voor de aanhoudende pijn.

Relevante diagnosen t.a.v. linker voet.

Conclusie.

Botoedeem.

Posttraumatisch persisterende pijnklachten.

De gevolgen.

Aanhoudende beperkingen door pijn bij ADL en werk.

Er lijkt inmiddels sprake van een chronisch pijnsyndroom van de voet na (kennelijk een) crush- ofwel pletletsel van de linker voet.”

2.6.

In een door belanghebbende gemaakt overzicht, gedateerd 2 maart 20161, heeft zij de ontwikkelingen sinds het ongeval en de door haar in verband daarmee gemaakte kosten uiteengezet. In het overzicht zijn de studiekosten begroot op ruim € 15.000 en zijn data weergegeven van arts en fysiotherapeutbezoeken in 2015 en 2016. Tevens is een nadere toelichting gegeven op de inkomstenderving, de gevolgen van het ongeval en door ouders en buren verleende hulp. Tevens heeft belangende aan haar onderneming gerichte facturen overgelegd van een coach van totaal €12.168,18, van de aankoop van een zitmaaier ad € 4.803, en van een studie kindercoach ad € 7.990.

2.7.

In een traumatologische expertise van 12 april 2017 staat onder meer het volgende:

“Conclusie: status na voetletsel, opgelopen doordat een bijl met de hamerkant op de linker voet van betrokkene viel. Hierdoor ontstaan er chronische pijnklachten, welke vooral neuropathisch van aard zijn. Geen aanwijzingen voor het bestaan van een CRPS, differentiaaldiagnostische overwegingen worden hierboven weergegeven.”

2.8.

Op 2 februari 2018 is een rapport opgemaakt van een bedrijfseconomisch onderzoek naar het verlies van arbeidsvermogen van belanghebbende na het ongeval op 10 september 2014. In dat rapport wordt uitgegaan van de hypothetische resultaten van de onderneming in de jaren 2014, 2015 en 2016 indien het ongeval niet was gebeurd, afgezet tegen de werkelijk in die jaren gerealiseerde resultaten. Samengevat leverde dit een mogelijk netto verlies arbeidsvermogen op van € 92.771,--. Tevens is een inschatting gemaakt van de hypothetische werkuren in de jaren tot en met 2018.

2.9.

Op 19 oktober 2018 heeft de advocaat van belanghebbende een voorstel aan Amlin gedaan voor een minnelijke schikking. Daarin is het verlies aan arbeidsvermogen begroot op € 485.000, de immateriële schade op € 15.000 en zijn de overige te vergoeden kosten als volgt gespecificeerd:

“(…) -ad d. Overige kosten

Voor de post 'overige kosten' rekent u een totaalbedrag van € 50.000,--. Naar mening van cliënte dekt dit bedrag wel de door cliënte tot nu toe gemaakte kosten (zoals studiekosten, reiskosten en medische kosten), maar wordt in dit bedrag geen rekening gehouden met de noodzakelijke kosten in de toekomst (zoals bijvoorbeeld medische kosten). Naar verwachting bedragen deze kosten ± € 3.000,-- per jaar. Cliënte stelt voor om de post overige kosten tot en met eind 2018 vast te stellen op € 12.900,-- en vanaf 1 januari 2019 te kapitaliseren. Uitgaande van een kapitalisatiefactor van 22,5386 en een looptijd tot de leeftijd van 70 jaar komt dit op: € 67.615,--, Tezamen bedraagt de post overige kosten: € 80.516,--

-ad e. Boxverhuur en bed & breakfast

De voor het ongeval door cliënte gestarte realisatie van opslagboxen voor verhuur en een bed & breakfast is door het ongeval vertraagd, waardoor cliënte vertragingsschade heeft geleden. In uw voorstel houdt u daar geen rekening mee. Wat de boxverhuur betreft is er sprake van een vertraging in de bouw van vier van de boxen, gedurende een periode van ± 3 jaar. Gelet op het feit dat de huurprijs van deze boxen in totaal € 385,-- per maand bedraagt, is er sprake van een vertragingsschade van € 13.860,--.

De bouw en afronding van de bed & breakfast heeft 3 jaar vertraging opgelopen.

Uitgaande van een opbrengst van ten minste € 7.000,-- per jaar, is er wat de bed & breakfast betreft sprake van een vertragingsschade van € 21.000,--.

In totaal komen deze posten samen op € 34.080,--.

-ad f Verlies aan zelfwerkzaamheid

Voor het verlies aan zelfwerkzaamheid gaat u uit van een bedrag van € 800,-- per jaar. Cliënte meent dat dit, daarbij ook gelet op hetgeen de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid voorschrijft, te laag is.

Volgens de richtlijn bedraagt het normbedrag € 1.197,-- per jaar. In het geval van cliënte dient dit te worden vermeerderd met de (voorgeschreven) omrekenfactor van 1,3 voor een vrijstaand huis. De woning van cliënte wijkt, zowel wat betreft de ruime omvang van de woning en bijgebouwen alsook het omliggende terrein, af van 'standaard' vrijstaande woningen. Cliënte deed ook veel meer werkzaamheden zelf dan hetgeen als norm

kan worden aangehouden. Dit rechtvaardigt in haar optiek het aanhouden van een mate van beperking van 100% ten opzichte van het (te lage) normbedrag. Tot eind 2018 betekent dit wat betreft het verlies van zelfwerkzaamheid derhalve een verschenen schade van € 6.691,--. Vanaf 1 januari 2019 gaat het (gekapitaliseerd tot de leeftijd van 70 jaar, kapitalisatiefactor 22,5386) om een bedrag van € 35.072,--. Dit brengt het totale verlies aan zelfwerkzaamheid op € 41.763,--.

-ad g. Huishoudelijke hulp

Cliënte kan instemmen met uw voorstel om uit te gaan van huishoudelijke hulp gedurende 48 weken per jaar en een tarief € 12,50 per uur. Cliënte meent echter dat gelet op de specifieke omstandigheden, in het bijzonder haar fysieke klachten, 2 uur per week onvoldoende is, en dat dient te worden uitgegaan van huishoudelijke hulp gedurende 4 uur per week.

Wat betreft de kosten voor huishoudelijke hulp maakt cliënte ingevolge de

Letselschade Richtlijn huishoudelijke hulp voor de eerste drie maanden aanspraak op een bedrag van in totaal € 845,--.

Vanaf 3 maanden na het ongeval tot en met 31 december 2018 komt deze

schadepost (uitgaande van 48 weken per jaar, 4 uur per week en een tarief van € 12,50 per uur) op € 7.200,--. Vanaf 1 januari 2019, gekapitaliseerd tot de leeftijd van 70 jaar, wordt dat € 54.093,--. Dit brengt de post huishoudelijke hulp in totaal op: € 62.138,--.”

2.10.

Op 22 februari 2019 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen belanghebbende en Amlin waarbij een lumpsum schadevergoeding is overeengekomen van € 480.000. In de overeenkomst staat:

“Belanghebbende en verzekeraar komen overeen dat de door belanghebbende geleden en te lijden schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 480.000,-. Met dit bedrag vergoedt verzekeraar alle materiële en immateriële schade, die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.”

In een berekening van de door Amlin ingeschakelde letselschadespecialist is dit bedrag als volgt gespecificeerd:

Verlies arbeidsvermogen

€ 388.135

Overige verschenen schade

€ 40.000

Schade verlies zelfwerkzaamheid

€ 14.000

Schade huishoudelijke hulp

€ 22.000

Overige materiële schade

€ 76.000

Immateriële schade

€ 15.000

Berekende schade

€ 479.135

Afronding

€ 866

Totaal

€ 480.000

2.11.

Belanghebbende heeft van de schadevergoeding per jaar de volgende bedragen ontvangen:

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal

€ 7.500

€ 67.500

€ 30.000

€ 100.000

€ 275.000

€ 480.000

Belanghebbende heeft voor de jaren 2016 tot en met 2018 aangifte IB/PVV gedaan. Het door haar aangegeven verlies uit werk en woning is respectievelijk € 6.553, € 9.529 en € 5.444. Daarbij heeft belanghebbende met betrekking tot de van Amlin ontvangen bedragen geen belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen.

In de aangifte van het jaar 2016 heeft belanghebbende bovendien een bedrag van € 4.729 aan persoonsgebonden aftrek geclaimd welk bedrag door het negatieve inkomen niet aftrekbaar was en zou moeten resulteren in een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.2a Wet IB 2001.

2.12.

De inspecteur heeft de aangiften gecorrigeerd en de van Amlin ontvangen bedragen, met uitzondering van een bedrag van € 15.000 dat was betaald als vergoeding voor immateriële schade, tot de belastbare winst uit onderneming gerekend. De aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2018 zijn opgelegd naar een verzamelinkomen van respectievelijk € 45.682, € 21.713 en € 79.234. De vaststelling van de aanslagen wordt geacht mede te behelzen een beschikking tot vaststelling van het verlies uit werk en woning voor alle jaren op nihil, het vaststellen van de niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek2 en persoonsgebonden aftrek3 op nihil en de vaststelling van de met de winst 2018 alsnog verrekende zelfstandigenaftrek4 op nihil.

Daarnaast zijn aan belanghebbende voor deze jaren aanslagen inkomensafhankelijke premie ZVW opgelegd naar een bijdrage-inkomen van respectievelijk € 56.882, € 21.713 en € 82.315.

2.13.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen (en de daarin vervatte beschikkingen, zie hiervoor onder 2.12) bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bewaren afgewezen voor zover ze betrekking hebben op de belastbaarheid van de uitkeringen van Amlin. De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 zijn om andere redenen gegrond verklaard. Aan belanghebbende is geen kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.3.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat het hier gaat om vergoedingen voor een ongeval dat belanghebbende bij de uitoefening van haar onderneming is overkomen. Eventuele vergoedingen in verband daarmee behoren dan in beginsel tot de winst uit onderneming. Op belanghebbende rust als meest gerede partij de bewijslast om aannemelijk te maken dat de aan haar toegekende vergoedingen niet tot de winst uit onderneming gerekend moeten worden.

3.4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat het hele bedrag door Amlin is uitgekeerd vanwege blijvende arbeidsongeschiktheid omdat zij de door haar vóór het ongeluk in de onderneming uitgeoefende fysieke activiteiten niet meer kan verrichten. De inspecteur bestrijdt dat. Hij acht dat niet bewezen en vindt daarbij mede van belang dat geen arbeidsdeskundige rapportage is overgelegd.

3.4.2.

De rechtbank acht aannemelijk dat van blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid sprake is. De door belanghebbende overgelegde rapportages (zie hiervoor onder 2.5 en 2.7) geven daarvoor voldoende aanwijzingen en belanghebbende heeft de mate van arbeidsongeschiktheid ter zitting geloofwaardig toegelicht. Het komt er op neer dat belanghebbende in haar onderneming tot het ongeval actief deelnam aan - in het algemeen sportieve - activiteiten, dat die deelname en de daarbij behorende activiteiten een wezenlijk onderdeel van die onderneming vormden en dat zij dat sinds het ongeval niet meer kan waardoor die activiteiten zijn weggevallen. Aan dit oordeel van de rechtbank doet niet af dat de omzet van de onderneming van belanghebbende, na een dip van enkele jaren na het ongeval, vanaf 2019 weer flink is toegenomen. Belanghebbende heeft gesteld en uitgebreid toegelicht, en daarmee voldoende aannemelijk gemaakt, dat die toename het gevolg is van gewijzigde activiteiten ten opzichte van de activiteiten die zij voor het ongeval in haar onderneming verrichtte en sindsdien niet meer kan verrichten.

3.4.3.

Uit de in 2.10 weergegeven overeenkomst tussen Amlin en belanghebbende blijkt dat Amlin aan belanghebbende een bedrag van € 388.135 heeft vergoed ter zake van verlies aan arbeidsvermogen. De rechtbank heeft geen reden er aan te twijfelen dat dit bedrag betrekking heeft op vergoeding van de schade die is gelegen in het feit dat belanghebbende de fysiek belastende tot haar onderneming behorende activiteiten blijvend niet meer kan uitoefenen. Dat betekent dat die vergoeding onbelast is. De inspecteur heeft overigens ook niet betwist dat, indien sprake is van een vergoeding voor blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, het gehele ten titel daarvan betaalde bedrag onbelast is.

3.5.1.

De inspecteur heeft gesteld dat de ten titel van overige vergoedingen betaalde bedragen van in totaal € 76.000 tot de winst uit onderneming moeten worden gerekend omdat belanghebbende de daaraan ten grondslag liggende schadecomponenten niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende meent dat op de inspecteur de bewijslast rust dat deze vergoedingen, in afwijking van hetgeen partijen hebben beoogd, kwalificeren als vergoeding voor gederfde of te derven winst uit onderneming.

3.5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank rust ook voor wat betreft deze onderdelen van de vergoeding op belanghebbende, als meest gerede partij, de bewijslast dat het hier gaat om vergoeding van werkelijke gemaakte of te maken kosten. Dat bewijs is niet geleverd met de enkele stelling dat Amlin en belanghebbende hebben beoogd om kosten te vergoeden. Die bedoeling sluit immers niet de mogelijkheid uit dat de vergoeding in werkelijkheid hoger is dan de gemaakte of te maken kosten en daardoor geheel of gedeeltelijk tot de winst uit onderneming moet worden gerekend.

3.5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat tegenover het gehele bedrag van € 76.000 werkelijk gemaakte of te maken kosten staan die verband houden met het ongeval. Met betrekking tot de posten verlies zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp heeft belanghebbende slechts heel in het algemeen gesteld dat zij hulp nodig had van haar ouders en buren. Concrete op belanghebbende drukkende kosten zijn niet aannemelijk geworden, behalve die voor de aanschaf van de zitgrasmaaier. Voor wat betreft de post ‘overige kosten’ heeft belanghebbende meer gegevens verstrekt, onder meer met betrekking tot de kosten van coaching, omscholing tot kindertherapeute en extra kosten fysiotherapie, maar ook daarvan zijn de betaalde bedragen niet alle geconcretiseerd. De rechtbank stelt daarom schattenderwijs het bedrag van de door het ongeval opgeroepen extra kosten vast op € 35.000 en is van oordeel dat het meerdere (€ 41.000 + de afronding van € 866) tot de belastbare winst behoort.

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoeding voor immateriële schade (€ 15.000) onbelast is.

3.7.1.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat tot de winst uit onderneming moet worden gerekend:

3.7.2.

Dat leidt tot de volgende belastbare inkomens:

2016

Aangegeven winst uit onderneming

- 95

Correctie schade-uitkering

5.887

Winst

5.792

Zelfstandigenaftrek

- 5.792

MKB winstvrijstelling

0

Belastbare winst

0

Inkomen uit eigen woning volgens aangifte

- 6.471

Nieuw verzamelinkomen

- 6.471

Niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek5

1.488

Niet gerealiseerde persoonsgebonden aftrek

4.729

2017

Aangegeven winst uit onderneming6

-3.814

Correctie schade-uitkering

2.617

Winst

-1.197

Zelfstandigenaftrek

0

MKB winstvrijstelling

168

Belastbare winst

-1.029

Inkomen uit eigen woning volgens aangifte

-6.248

Nieuw verzamelinkomen

-7.277

Niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek

7.280

2018

Aangegeven winst uit onderneming

- 1.159

Correctie schade-uitkering

8.722

Winst

7.563

Zelfstandigenaftrek

- 7.280

Restant zelfstandigenaftrek uit 2016

- 283

MKB winstvrijstelling

0

Belastbare winst

0

Inkomen uit eigen woning volgens aangifte

- 4.447

Nieuw verzamelinkomen

- 4.447

3.7.3.

Daarnaast moet voor de jaren 2016 en 2017 het bedrag van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek worden vastgesteld op € 1.488 respectievelijk € 7.280, en voor het jaar 2018 de verhoging van de zelfstandigenaftrek op € 283 vanwege de tot dit bedrag alsnog in aanmerking genomen restant zelfstandigenaftrek van het jaar 2016.

Tevens moet voor het jaar 2016 het restant persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.2a Wet IB 2001 worden vastgesteld op € 4.729. Daarvan wordt € 1.366 verrekend met het inkomen uit sparen en beleggen in 2018, zodat dat inkomen nihil wordt.

3.7.4.

Het premie-inkomen Zvw is gelijk aan de belastbare winst uit onderneming en wordt voor alle drie de jaren vastgesteld op nihil. Dat betekent dat alle drie de aanslagen Zvw moeten worden vernietigd.

4 Conclusie en gevolgen

4.1.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen gegrond zijn. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.

4.2.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

4.3.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat belanghebbende ook recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep en dat daar niet aan afdoet dat Amlin die kosten draagt. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 269,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 759,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift en een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank neemt een wegingsfactor van 1 in aanmerking, plus een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken (meer dan vier). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.680,50.

4.4.

Belanghebbende vraagt tevens een vergoeding voor de reiskosten. Voor de reiskosten voor het bijwonen van de zitting wordt de vergoeding bepaald naar een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse ofwel voor een retour [plaats] -Breda tot een bedrag van € 42,56. De totaal te vergoeden proceskosten bedragen daarmee afgerond € 2.723 (€ 2.680,50 plus € 42,56).

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 tot aanslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van nihil;

- stelt het verlies uit werk en woning vast op € 6.471 voor het jaar 2016, € 7.277 voor het jaar 2017 en € 4.447 voor het jaar 2018;

- stelt het bedrag van de niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek vast op € 1.488 voor het jaar 2016 en € 7.280 voor het jaar 2017;

- stelt de verhoging van het bedrag van de in het jaar 2018 in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek in verband met in het jaar 2016 niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek vast op € 283;

- stelt het bedrag van de in 2016 niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast op € 4.729;

- vernietigt de aanslagen premie Zvw voor de jaren 2016, 2017 en 2018;

- vermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49,- aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.723,- aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 1 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Bijlage 17 bij het verweerschrift.

2 Artikel 3.76, lid 6, Wet IB 2001

3 Artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001

4 Artikel 3.76, lid 8, Wet IB 2001

5 Deze wordt doorgeschoven naar 2018

6 De rechtbank heeft de aangegeven winst zelf berekend aan de hand van de gegevens uit de aangifte