Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:5072

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
C/02/399680 / JE RK 22-1254
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Minderjarige zit, na eerdere terugplaatsing in de thuissituatie, nu in een gezinshuis waar ze zich veilig voelt, ze weet waar ze na de vakantie naar school zal gaan en krijgt behandeling en begeleiding. Dit is voor haar rust enorm van belang. Daarnaast is van groot belang dat de moeder voor ogen houdt dat, ondanks de evident aanwezige problemen in haar persoonlijke situatie, zij voor de minderjarige een betrouwbare factor wordt. Het is dus van belang dat zij voor langere tijd meewerkt aan de door de GI ingezette behandeling en begeleiding en ervoor zorgt dat zij binnen de komende periode van een jaar niet meer van mening verandert over het perspectief van minderjarige. Het volstaat in dat verband niet dat de moeder zich erop beroept ook belangen te hebben en te weten dat zij eigenwijs is. Dat mag juist zijn, maar het is niet helpend in de begeleiding van minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/399680 / JE RK 22-1254

Datum uitspraak: 24 augustus 2022

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

locatie Middelburg, hierna te noemen: de GI,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te Oostburg,

advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer, te Middelburg,

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 20 juli 2022, ingekomen bij de griffie op 20 juli 2022.

Op 24 augustus 2022 heeft de meervoudige kamer van de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. C.E.J.E. Kouijzer;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van 15 juni 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 13 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 13 september 2022.

Bij diezelfde beschikking van 13 september 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 13 september 2018 en tot 13 februari 2019. Deze maatregel is daarna verlengd tot 13 september 2019.

Bij beschikking van de kinderrechter van 6 augustus 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 13 december 2021.

Bij beschikking van 3 juni 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 13 september 2022.

Op basis van deze machtiging verblijft [minderjarige] bij gezinshuis [naam 1] .

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar.

Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige] verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van de belanghebbende(n)

De GI handhaaft de verzoeken. [minderjarige] verblijft sinds april 2022 bij gezinshuis [naam 1] . Het gezinshuis lijkt aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . [minderjarige] wil hier graag blijven wonen, ze voelt zich er veilig en ontspannen. [minderjarige] heeft het voorbije schooljaar veel van de opgelopen achterstand ingehaald. School ziet weinig bijzonderheden op sociaal emotioneel gebied. Ze vinden [minderjarige] gezellig, recht voor de raap. [minderjarige] heeft groep 8 afgerond en staat ingeschreven bij een middelbare school, niveau VMBO kader.

Het doel om [minderjarige] thuis te laten wonen, is in april 2022 mislukt. Na een escalatie tussen moeder en [minderjarige] is [minderjarige] opgevangen in gezinshuis [naam 1] . Moeder heeft aangegeven dat ze [minderjarige] niet meer thuis wil hebben, omdat ze erg teleurgesteld is in [minderjarige] . Op 24 juni 2022 heeft ze onder begeleiding van een IPT-er zelf aan [minderjarige] verteld dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij moeder ligt. Moeder heeft niet de draagkracht om [minderjarige] thuis op te voeden en opvoedomgeving sluit niet aan bij de ontwikkeling van [minderjarige] .

Gelet hierop wil de GI onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft in contact met moeder en wat het uiteindelijke perspectief van [minderjarige] zal zijn.

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat op dit moment geen verweer wordt gevoerd tegen de gevraagde maatregelen. De ondertoezichtstelling kan worden verlengd voor de duur van een jaar. Voor de gevraagde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ligt dat genuanceerder. De moeder stelt vast dat een thuiskomst op dit moment nog niet mogelijk is, maar zij bepleit dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt beperkt tot een periode van zes maanden, met aanhouding van het restant van het verzoek, zodat daarna de stand van zaken kan worden bekeken. De moeder heeft veel gedaan om [minderjarige] (en haar zuster) weer thuis te krijgen. Zij had bijvoorbeeld een goede samenwerking met Basic Trust en IPT. Met het zusje gaat het thuis heel goed. Met [minderjarige] is het moeizamer gelopen. Zij heeft kindeigen problematiek en werd in de thuissituatie ook belast door de grote reisafstand naar haar school. Het is een meisje met een eigen wil. Dat was te zien in het gezin, bij [naam 2] en nu ook bij het gezinshuis. De moeder wil niet kiezen tussen de twee kinderen, maar het gedrag van [minderjarige] zorgt ervoor dat het vertrouwen bij haar voor dit moment weg is. Er is dus hulp nodig om dat te herstellen, en de moeder is bereid daaraan mee te werken. Het afgelopen half jaar is zwaar geweest. De moeder heeft nog veel last van de gevolgen van een ongeluk, terwijl daarnaast de contacten met de leiding van het gezinshuis enige tijd moeizaam verliepen. De moeder merkt daarbij op dat zij zelf inmiddels excuses heeft aangeboden voor haar eigen gedrag in dat verband. Nu lopen de contacten beter. De moeder is bereid hulpverlening te aanvaarden, maar vindt dat [minderjarige] allereerst aan zichzelf moet werken. De moeder kan dan aansluiten, waarbij het voor haar niet uitmaakt welke hulpverlener daarop zal worden ingezet.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criteria voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] . Hij zal beide maatregelen verlengen voor de duur van een jaar. Hieronder legt de kinderrechter uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.

In de afgelopen jaren is [minderjarige] al eens eerder voor langere tijd uit huis geplaatst. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig verstoord en het risico op onveilige interactiepatronen is blijvend. Bij haar hechtingsstoornis heeft [minderjarige] complex trauma, beginnend in de vroege kindertijd. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [minderjarige] in dit verband blijvend hinder zal ondervinden. Dat vraagt veel van haar opvoedomgeving. Daarin leek een zodanig positieve verandering te hebben plaatsgehad dat [minderjarige] in oktober 2021 volledig terug naar huis is gegaan, met als insteek begeleiding in de vorm van intensieve IPT en Basic Trust.

Door een combinatie van factoren binnen het gezin heeft deze positieve ontwikkeling geen stand gehouden en is zij in april 2022 feitelijk weer in een gezinshuis gaan wonen in de omgeving van de school die zij al bezocht. In de daaropvolgende beschikking van 3 juni 2022 heeft de kinderrechter deze overstap goedgekeurd en heeft hij onder meer het volgende overwogen:

“De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de regiefunctie verder oppakt en voortvarend te werk gaat met het organiseren van hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de moeder en haar partner. Daarvoor is het nodig dat de GI een volledig, duidelijk en begrijpelijk plan van aanpak gaat maken waarin de problematiek van [minderjarige] verder in kaart wordt gebracht, net als de interactiepatronen tussen de minderjarige en de moeder. Het is belangrijk dat de moeder bij het opstellen van dat plan betrokken wordt en dat dat met haar wordt besproken. In dat plan moet ook meegenomen worden wat het perspectief van [minderjarige] is. Daarnaast wordt van de GI verwacht dat zij gaat beoordelen welke hulpverlening verder nodig is voor [minderjarige] en de moeder en haar partner. In het verlengde daarvan vindt de kinderrechter het een goede stap dat een intakegesprek bij [naam 3] gaat plaatsvinden. Voorts wordt van de GI verwacht dat zij gaat beoordelen op welke manier het contact tussen [minderjarige] en de moeder, dat zij beiden willen, verder en goed vormgegeven kan worden. Ook is het belangrijk dat de GI met [minderjarige] en de moeder gaat bespreken naar welke school zij na de zomervakantie zal gaan. Daarbij is het wel vereist dat dat gesprek op een begrijpelijke manier wordt gevoerd, zodat er voor [minderjarige] en de moeder geen discussiepunten ontstaan.

De kinderrechter verwacht verder van zowel [minderjarige] als de moeder dat zij zich individueel of gezamenlijk verder gaan inzetten om de onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren, omdat dat de situatie ten goede komt en escalaties kan voorkomen. Daarom vindt de kinderrechter het belangrijk dat beiden zich samenwerkend en meedenkend opstellen in de richting van de hulpverlening.”

De kinderrechter stelt vast dat met deze aanpak een goed begin is gemaakt. [minderjarige] zit nu in een gezinshuis waar ze zich veilig voelt, ze weet waar ze na de vakantie naar school zal gaan en krijgt behandeling en begeleiding. Dit is voor haar rust enorm van belang.

Storende factoren zoals de minder goed verlopende contacten tussen de moeder en leiding van het gezinshuis moeten zoveel mogelijk worden opgelost. De GI heeft dit ook toegezegd.

Daarnaast is van groot belang dat de moeder voor ogen houdt dat, ondanks de evident aanwezige problemen in haar persoonlijke situatie, zij voor [minderjarige] een betrouwbare factor wordt. Het is dus van belang dat zij voor langere tijd meewerkt aan de door de GI ingezette behandeling en begeleiding en ervoor zorgt dat zij binnen de komende periode van een jaar niet meer van mening verandert over het perspectief van [minderjarige] . Het volstaat in dat verband niet dat de moeder zich erop beroept ook belangen te hebben en te weten dat zij eigenwijs is. Dat mag juist zijn, maar het is niet helpend in de begeleiding van [minderjarige] bij het vinden van een positieve ontwikkeling van haar persoonlijkheid.

Het is om deze redenen dat de kinderrechter voorbij gaat aan de wens van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing voor niet meer dan zes maanden te verlengen. Het is voor de rust van [minderjarige] nodig dat zij de komende twaalf maanden zekerheid heeft over haar leefomgeving en begeleiding. Om die reden worden de verzoeken van de GI volledig toegewezen en zal de kinderrechter de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 september 2022 en tot 13 september 2023;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 september 2022 en tot 13 september 2023;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.C.J. de Bont, griffier.

Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 31 augustus 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.