Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:5035

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
RK 22-012239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 7 Wet DNA. Veroordeelde was ten tijde van pleegdatum minderjarig. Bezwaarschrift ongegrond. Veroordeling voor misdrijf waarvoor dna-onderzoek bepalend kan zijn. Geen bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in Wet DNA. Er is sprake van een hoog recidiverisico en veroordeelde is na onderhavige veroordeling opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-039808-22

rk-nummer: 22-012239

Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna te noemen de Wet), ingekomen ter griffie op 9 juni 2022, over het bevel tot afname van celmateriaal, van:

[betrokkene]

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats]

woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.J.J. van Rijsbergen, Parkstraat 10 te 4818 SJ Breda

hierna te noemen: veroordeelde.

1 De procedure

Op 5 augustus 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. G. Oosterveld en mr. A.C.M. Tönis als gemachtigd waarnemend raadsvrouw van veroordeelde gehoord.

Veroordeelde en zijn ouders/verzorgers zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het bezwaarschrift verschenen.

Veroordeelde heeft in het bezwaarschrift aangevoerd dat de situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a van de Wet zich voordoet, in welk artikel is bepaald dat indien van een persoon reeds een dna-profiel is verwerkt, geen celmateriaal zal worden afgenomen. Daarnaast doet veroordeelde onder verwijzing naar de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde is veroordeeld voor een mondelinge bedreiging, waarbij dna geen enkele rol van betekenis kan spelen in de bewijsvoering.

Desgevraagd heeft de raadsvrouw bevestigd dat veroordeelde niet is veroordeeld voor een mondelinge bedreiging, maar voor pogingen diefstal met braak. De raadsvrouw heeft in aanvulling op het bezwaarschrift aangevoerd dat het contact met de reclassering in het kader van de voorwaardelijke veroordeling goed verloopt.

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard, nu er geen sprake is van een uitzonderingssituatie. Daartoe is aangevoerd dat uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat sprake is van een recidiverisico. Uit de justitiële documentatie van veroordeelde blijkt bovendien dat hij na onderhavige veroordeling opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Volgens de officier van justitie is het in onderhavig geval juist verstandig dat het dna-materiaal van veroordeelde wordt opgeslagen in de dna-databank.

2 De beoordeling

Bij uitspraak van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 april 2022 is veroordeelde veroordeeld voor, kort gezegd, twee pogingen tot diefstal door middel van braak tot een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 uren jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de voorwaardelijke straf zijn algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld.

Na het bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het dna-profiel van veroordeelde van 10 mei 2022, heeft veroordeelde op 27 mei 2022 celmateriaal afgestaan.

Op basis van de door veroordeelde gevoerde verweren dan wel een ambtshalve beoordeling door de rechtbank, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

Formeel:

Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan derhalve in het bezwaarschrift worden ontvangen.

Aan de vereisten die de wet stelt ten aanzien van de afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van een dna-profiel is voldaan, aangezien:

  • -

    voornoemde veroordeling een feit betreft dat is omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv); en

  • -

    niet is gebleken dat van veroordeelde al een dna-profiel is verwerkt als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet.

Materieel:

Veroordeelde doet een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet.

De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn dna-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Dit is blijkens de wetsgeschiedenis slechts in twee uitzonderingssituaties aan de orde.

Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan dna-onderzoek niet van betekenis kan zijn.

De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, dna-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan dna-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De laatste uitzonderingsmogelijkheid heeft slechts een beperkte reikwijdte. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare omstandigheid; louter berouw of een belofte van de veroordeelde is onvoldoende (Kamerstukken II, 2002-2003, 28685, nr. 3, p. 11-12). Het betreft beperkt uit te leggen uitzonderingen (HR 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231).

Veroordeelde heeft allereest een beroep gedaan op de uitzonderingsgrond dat sprake is van een veroordeling voor een misdrijf voor de opheldering waarvan dna-onderzoek niet van betekenis kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval veroordeelde geen beroep toekomt op deze eerste uitzondering. Veroordeelde is, in tegenstelling tot wat daarover in het bezwaarschrift staat vermeld, veroordeeld wegens twee pogingen tot diefstal door middel van braak. Dit betreft een misdrijf voor de opheldering waarvan dna-onderzoek wel degelijk bepalend kan zijn. Het feit dat in onderhavige zaak geen gebruik is gemaakt van dna-onderzoek doet daar niet aan af.

Veroordeelde heeft voorts een beroep gedaan op de tweede uitzonderingsgrond. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval veroordeelde ook geen beroep toekomt op deze uitzondering. De rechtbank stelt vast dat het opnieuw vervallen in crimineel gedrag niet feitelijk onmogelijk hoeft te zijn om een beroep op de tweede uitzonderingsgrond te honoreren, maar in dat geval dienen er zeer uitzonderlijke omstandigheden te worden aangevoerd waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het moet dan gaan om omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is. De rechtbank heeft hierbij in overweging genomen dat uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 april 2022 blijkt dat er grote zorgen bestaan over veroordeelde. De Raad voor de Kinderbescherming wijst diverse domeinen aan die een hoog recidiverisico vormen. Daarnaast is in het rapport opgemerkt dat als veroordeelde helemaal gek wordt als een dure fiets ziet: hij rent dan naar huis om zijn slijptol en inbrekersspullen te pakken omdat hij de fiets per se wil hebben. Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie van veroordeelde dat hij na onderhavige veroordeling meermaals met politie en justitie in aanraking is gekomen. Veroordeelde is recent door de rechter-commissaris geschorst uit de voorlopige hechtenis voor negen feiten voorzien van de maatschappelijke kwalificatie “diefstal van fiets”. De rechtbank leidt hieruit af dat de rechter-commissaris ernstige bezwaren heeft aangenomen voor (ten minste een deel van) de feiten en dat er kennelijk een nieuwe serieuze verdenking jegens veroordeelde bestaat. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat er sprake is van een gering recidiverisico en dat er sprake is van omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beslissing is op 19 augustus 2022 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.