Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4961

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_1299 en 21_1452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/1299 WABOA en BRE 21/1452 WABOA

uitspraak van 26 augustus 2022 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

1. [eiser1] [plaatsnaam] , eiser 1,

2. [eiser2] , te [plaatsnaam] , eiser 2,

tezamen, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

Als vergunninghouders hebben aan het geding deelgenomen:

1. [vergunninghouder1]te [plaatsnaam2]

2. [vergunninghouder2] , te [plaatsnaam2]

3. [vergunninghouder3] , te [plaatsnaam2]

gemachtigde: mr. W.H. Lindhout.

Procesverloop


Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 26 januari 2021 (bestreden besluit) van het college over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning aan de [straat] 4 te [plaatsnaam] .

Eisers hebben de voorzieningenrechter op 20 januari 2022 en 21 januari 2022 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In een uitspraak van 27 januari 2022 heeft de voorzieningenrechter die verzoeken afgewezen, vanwege het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang.

Bij brief van 21 februari 2022 is aan partijen medegedeeld dat de beroepen zouden worden behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 8 april 2022. In een beslissing van 4 april 2022 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank besloten om de zaken naar een meervoudige kamer te verwijzen.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden in Middelburg op 14 juni 2022. Eiser 1 was daarbij samen met zijn vrouw aanwezig. Eiser 2 was – na bericht van verhindering – niet aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger vwr] . Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland zijn [vertegenwoordiger gedeputeerde staten1] en [vertegenwoordiger gedeputeerde staten2] verschenen. Vergunninghouders zijn samen met hun gemachtigde verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen


1. Feiten

De [straat] 4 te [plaatsnaam] (hierna: perceel) ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. [vergunninghouder1] is eigenaar van het perceel. Eisers wonen aan de [straat] 5 en 6 te [plaatsnaam] .

Stichting [naam stichting] heeft op 23 november 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woning op het perceel.

Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast.

Op 8 mei 2019 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (Gedeputeerde Staten) een ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven voor het initiatief. Omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 29 mei 2019 onrechtmatig heeft verklaard, hebben Gedeputeerde Staten op 26 juli 2019 besloten om de eerder afgegeven ontwerp vvgb in te trekken. Op 27 juli 2020 is een nieuwe ontwerp vvgb afgegeven door Gedeputeerde Staten. Die vvgb is gebaseerd op het stikstofregistratiesysteem (SSRS).

Het college heeft de ontwerp-omgevingsvergunning samen met de ontwerp vvgb ter inzage gelegd van 14 september 2020 tot 26 oktober 2020. Naar aanleiding van dat ontwerp hebben eisers een zienswijze naar voren gebracht.

Bij brief van 1 december 2020 hebben Gedeputeerde Staten nieuwe Aeriusberekeningen gevoegd bij de ontwerp vvgb.

Op 26 januari 2021 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten bouwen, handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden en handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten.

Eisers hebben daartegen – afzonderlijk van elkaar – beroep ingesteld op 29 maart 2021 en 26 maart 2021.

2. Gronden

2.1 Eiser 1 heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen omdat het bouwplan niet voldoet aan de welstandseisen. Daaraan heeft hij toegevoegd dat het college heeft verzuimd om de verschillende overgelegde rapporten over gebieds- en soortenbescherming inhoudelijk kritisch te beoordelen. Verder heeft hij aangevoerd dat de omgevingsvergunning is aangevraagd door de stichting [naam stichting] , terwijl die stichting op dat moment geen eigenaar was van het perceel. Gelet op het voorgaande is volgens eiser 1 sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

2.2 Eiser 2 heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend, omdat het bouwplan en het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast hebben het college en Gedeputeerde Staten volgens hem verzuimd om het bouwplan te toetsen aan het KustPact. Eiser 2 heeft daaraan toegevoegd dat de omgevingsvergunning voor het natuurspoor niet verleend had kunnen worden met toepassing van het SSRS. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de cumulatieve effecten van verschillende andere stikstof uitstotende projecten die binnen 200 meter plaatsvinden. Verder heeft eiser 2 aangevoerd dat de vvgb voor het soortenspoor niet afgegeven had kunnen worden, omdat de boomkikker als gevolg van het initiatief verstoord zal worden.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Eigendomssituatie perceel [straat] 4 ten tijde van de aanvraag

4.1 Stichting [naam stichting] (hierna: de stichting) heeft op 23 november 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Op dat moment was de stichting geen eigenaar van het perceel.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag terecht aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)1. Een aanvraag is op grond van de Awb een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS blijkt dat degene die verzoekt om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit is anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor als het verzoek betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft en de rechthebbende zich tegen het bouwplan verzet.2 Ter zitting is gebleken dat de eigenaar van het perceel op het moment van de aanvraag bestuurder was van de stichting. Gelet daarop acht de rechtbank niet aannemelijk dat zij bezwaar had tegen het bouwen van het bouwwerk en dat het bouwplan niet gerealiseerd zou kunnen worden.

5. De omgevingsvergunning voor de activiteit: bouwen van een bouwwerk

Limitatief imperatief stelsel

5.1 Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk. Het toetsingskader voor die omgevingsvergunning staat opgenomen in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die bepaling bevat een zogenoemd limitatief imperatief stelsel: wanneer één van de weigeringsgronden aan de orde is, moet het college de omgevingsvergunning weigeren (imperatief) en daarnaast mag het college de aanvraag alleen weigeren wanneer één van de daar genoemde weigeringsgronden aan de orde is (limitatief). Dat laatste betekent dat het college de omgevingsvergunning niet mag weigeren om andere redenen dan die staan genoemd in voornoemde bepaling. Het college heeft dus geen ruimte om een eigen belangenafweging te maken.3 Gelet daarop heeft het college het bouwplan niet kunnen en mogen toetsen aan het door eiser 2 genoemde KustPact.

Strijd met het bestemmingsplan

5.2 Het college is op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo niet bevoegd een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te verlenen, wanneer het bouwplan – of het beoogd gebruik van het bouwwerk – in strijd is met het bestemmingsplan.

5.3 Eiser 2 heeft aangevoerd dat het bouwplan en het beoogde gebruik in strijd zijn met het bestemmingsplan. Hij vreest dat de woning gebruikt zal worden voor recreatief verblijf en als restaurant. Deze functie is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Verder staat volgens hem op de bestemmingsplankaart geen bouwvlak ingetekend.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met bestemmingsplan [plaatnaam3] . In dat bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming ‘Wonen’ toegekend en is vrijwel het hele perceel op de bestemmingsplankaart aangewezen als bouwvlak.4 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college niet had hoeven aannemen dat het bouwwerk gebruikt zal gaan worden voor het – in strijd met de bestemming – exploiteren van een horecabedrijf of voor recreatief verblijf. Bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan dient volgens vaste rechtspraak van de ABRvS niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient ook te worden beoordeeld of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik zal worden gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Bij de beoordeling van de aanvraag mag het college ervan uit gaan dat een bouwwerk zal worden gebruikt op de wijze zoals omschreven is in de aanvraag, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede voor andere doeleinden zal worden gebruikt.5 In de aanvraag staat dat de bouw van een woning wordt aangevraagd en dat deze gebruikt zal worden voor eigen bewoning. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt op geen enkele manier dat de woning recreatief verhuurd zal worden of dat op het perceel een restaurant gerealiseerd zal worden. Eiser 2 heeft zijn standpunt ook niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

5.5 Gelet op het voorgaande heeft het college kunnen besluiten dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat de weigeringsgrond uit artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo zich niet voordoet.

Welstand

5.6 Het college is niet bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een bouwwerk, wanneer het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

5.7 Eiser 1 heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen, omdat het bouwplan niet voldoet aan de welstandseisen. Het bouwplan is besproken in de welstands- en monumentenvergadering van 11 februari 2019, maar het advies is pas op 25 november 2020 op schrift gesteld. De twee schriftelijke adviezen van die datum zijn volgens hem in strijd met elkaar. In het eerste advies schrijft de commissie dat de voorgestelde materialisering, kleurstelling en vormgeving passend zijn binnen het bijzondere welstandsgebied (welstandsniveau 2). Aanvullend adviseert de commissie een zorgvuldige landschappelijke inpassing in dit bijzondere natuurgebied. Het college suggereert volgens eiser 1 dat de commissie de situering passend vindt, terwijl de commissie het begrip ‘situering’ niet noemt in haar geschreven advies én juist aandacht vraagt voor een zorgvuldige inpassing in het bijzondere natuurgebied. Het tweede welstandsadvies van 25 november 2021, waarin de situering passend is beoordeeld, is volgens hem een opzettelijke, doelbewuste en daarmee ongeschikte poging om het eerdere onwelgevallig advies van tafel te krijgen. Eiser 1 heeft verder aangevoerd dat het bouwplan ontoereikend en misplaatst wordt ingepast, binnen het bestaande landschappelijke en stedenbouwkundige patroon van het gebied zuidkant [plaatnaam3] . Volgens hem voldoet het bouwplan niet aan de Welstandsnota. Ten aanzien van de situering heeft hij opgemerkt dat het bouwplan de rooilijn overschrijdt en dat de massa niet wordt afgestemd op de onderlinge woonbebouwing. Ten aanzien van de massa en vorm heeft hij opgemerkt dat het bouwwerk qua richting (noordoost) afwijkt van de overige woningen (noordwest) en dat de lengte en breedte van de woning niet in verhouding zijn met de omringende woningen.

5.8 De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst het college naar een vergadering van de welstands- en monumentencommissie (hierna: commissie) van 11 februari 2019 en een schriftelijk welstandsadvies van diezelfde commissie van 25 november 2020. De rechtbank acht de commissie voldoende deskundig op het gebied van de redelijke eisen van welstand, maar is van oordeel dat het advies zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt dat de commissie op 25 november 2020 twee schriftelijke adviezen heeft uitgebracht over het bouwplan en dat die adviezen naar inhoud verschillen. In het ene advies staat dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, onder de voorwaarde dat een zorgvuldige landschappelijke inpassing in het bijzondere natuurgebied wordt gerealiseerd en in het andere advies staat dat positief wordt geoordeeld op het bouwplan en dat de situering, hoofdvorm en materialisering en kleurstelling zijn meegenomen. In dat advies staat niks opgenomen over een landschappelijke inpassing. Gelet op die tegenstrijdigheid en het gedetailleerde en niet onnavolgbare betoog van eiser 1 over de situering van de woning in verhouding tot de redelijke eisen van welstand, had het college naar het oordeel van de rechtbank beter moeten motiveren waarom het bouwplan alsnog aan de redelijke eisen van welstand voldoet.

5.9 Gelet op het voorgaande heeft het college – gelet op artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo – onvoldoende gemotiveerd dat zij bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen.

6. De omgevingsvergunning voor de natuuractiviteit gebiedsbescherming

6.1 Aangehaakt aan de omgevingsvergunning – na verlening van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) door Gedeputeerde Staten – is toestemming (een natuurvergunning) verleend als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). In een vvgb van 27 juli 2020 en door middel van geactualiseerde Aeriusberekeningen van 23 november 2020 hebben Gedeputeerde Staten verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief.6

De natuurvergunningplicht

6.2 Het college heeft ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat voor het initiatief een omgevingsvergunning van het college en vvgb van Gedeputeerde Staten7 was vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat op dat moment voor het initiatief een natuurvergunning was vereist op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en die toestemming niet voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning was verleend of aangevraagd.8 In die bepaling staat dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS leidt de rechtbank af dat dergelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, wanneer een initiatief leidt tot een additionele stikstofdepositie op een stikstofoverbelast Natura 2000-gebied.9 Uit de geactualiseerde Aeriusberekeningen van 23 november 2020 blijkt dat het initiatief in de bouwfase zal leiden tot een additionele stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jaar en in de gebruiksfase zal leiden tot een additionele stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar op twee stikstofgevoelige en -overbelaste habitattypen op Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Gelet daarop was voor het initiatief een vvgb vereist van Gedeputeerde Staten en een omgevingsvergunning van het college.

6.3 Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering hoeven de emissies van de bouwfase per 1 juli 2021 niet meer te worden meegenomen bij de beoordeling of voor een bouwplan een natuurvergunning is vereist en of die kan worden verleend.10 Gelet daarop is voor de stikstofdepositie in de bouwfase géén natuurvergunning meer vereist en hebben eisers geen belang meer bij beoordeling van hun beroepsgronden voor zover deze betrekking hebben op de stikstofdepositie in die fase. De bestuursrechter is immers alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is.11 Van een dergelijke betekenis is geen sprake, wanneer een – in dit geval deel van de activiteit – inmiddels vergunningvrij is.12

De verklaring van geen bedenkingen

6.4 Uit de systematiek van de Wabo en de Wnb volgt dat Gedeputeerde Staten de vvgb alleen konden verlenen, wanneer uit een passende beoordeling is gebleken dat het initiatief niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.13 Na toewijzing van depositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem (SSRS) en het verbinden van voorwaarden aan de omgevingsvergunning, hebben Gedeputeerde Staten met verwijzing naar de passende beoordeling bij het SSRS geconcludeerd dat het initiatief niet tot een dergelijke aantasting zal leiden.14 Ten aanzien van de bescherming van dit gebied zijn de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden:

  • -

    de emissie in de bouwfase mag maximaal 1 kg NOx en 1 kg NH3 per jaar bedragen;

  • -

    de emissie in de gebruiksfase mag maximaal 1 kg NOx en 1 kg NH3 per jaar bedragen.

Aeriusberekeningen

6.5 Eiser 1 heeft aangevoerd dat in de Aeriusberekening niet met alle verkeersbewegingen rekening is gehouden. In die berekeningen zijn alleen de verkeersbewegingen van bezoekers en niet de verkeersbewegingen van de bewoners van de toekomstige woning meegenomen, omdat in een elektrisch oplaadpunt voor auto’s wordt voorzien. Volgens hem had wel rekening gehouden moeten worden met de verkeersbewegingen van de bewoners, omdat niet uitgesloten kan worden dat de toekomstige bewoners geen elektrische auto’s zullen hebben.

6.6 De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat alle verkeersbewegingen zijn meegenomen in de Aeriusberekeningen, omdat op pagina 6 van het overgelegde stikstofonderzoek van Econsultancy staat dat – ondanks het elektrisch oplaadpunt – in de Aeriusberekening is gerekend met de gemiddelde verkeerstoename op basis van de CROW-publicatie 381. In de Aeriusberekeningen is ten aanzien van wegverkeer de 5 km-afkap gehanteerd, waarvan de ABRvS15 op 20 januari 2021 heeft geoordeeld dat deze begrenzing onvoldoende is onderbouwd. Bij een dergelijke begrenzing is onduidelijk of de beoordeling van de stikstofdepositie die als gevolg van een weg kan ontstaan volledig is. Ter zitting hebben Gedeputeerde Staten toegelicht dat zij voorafgaand aan de zitting een berekening hebben gemaakt met de nieuwe versie van Aerius Calculator waarin een 25 km-afkap wordt gehanteerd en dat uit die berekening dezelfde resultaten zijn gekomen als uit de berekeningen die aan de rechtbank zijn overgelegd. Daarmee hebben Gedeputeerde Staten de ten gevolge van het aan het bouwplan te relateren verkeer te verwachten stikstofdepositie voldoende onderbouwd.

Stikstofregistratiesysteem

6.7 Met verwijzing naar het SSRS hebben Gedeputeerde Staten geconcludeerd dat het initiatief – en de daarmee gepaard gaande stikstofdepositie – niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Die stikstofdepositie kan volgens Gedeputeerde Staten worden weggestreept tegen depositieruimte uit het SSRS die aan het initiatief is toebedeeld, als gevolg waarvan geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie.

6.8 Na het vervallen van het PAS is met ingang van 1 januari 2020 voorzien in de mogelijkheid om een stikstofregistratiesysteem te hanteren in de Wnb.16 Een stikstofregistratiesysteem komt erop neer dat in een register voor elke locatie (per hexagon) van voor stikstof gevoelige habitats in elk Natura 2000-gebied de positieve effecten van maatregelen in de vorm van een reductie van de stikstofdepositie worden geregistreerd. Het gaat daarbij – volgens de memorie van toelichting17 – om vaststaande effecten van vaststaande maatregelen, maatregelen die additioneel zijn ten opzichte van de maatregelen die nodig zijn om de Natura 2000-waarden te behouden en zo nodig overeenkomstig planning te herstellen. De effecten en de zekerheid daarvan zijn – zo vervolgt de memorie van toelichting – op voorhand wetenschappelijk beoordeeld, op een wijze die voldoet aan de eisen die aan een passende beoordeling in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn worden gesteld. Aldus kan op de in het registratiesysteem opgenomen hoeveelheid stikstof voor een bepaalde locatie een beroep worden gedaan bij de vergunningverlening voor een project dat op die locatie stikstofdepositie veroorzaakt.

Het SSRS is per 24 maart 2020 opgenomen in paragraaf 2.1.2 van de Regeling natuurbescherming (Rnb). Uit de Rnb18 blijkt dat het SSRS onder andere van toepassing is op woningbouwprojecten. Om te voorkomen dat het bestaande woningtekort verder oploopt door toedoen van de stikstofproblematiek, achtte de minister het van belang dat de stikstofdepositieruimte die met maatregelen wordt gerealiseerd ook voor woningbouwprojecten gebruikt kan worden. Ten behoeve van het SSRS worden bronmaatregelen getroffen, zoals de snelheidsverlaging naar 100 km per uur op rijkswegen19 en de warme sanering van varkenshouderijen. Door middel van die bronmaatregelen wordt beoogd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verminderen. Een percentage van 70% van die vermindering wordt als depositieruimte opgenomen in AERIUS register. De overige 30% komt ten goede aan de natuur. Onder andere een woningbouwproject kan dergelijke depositieruimte krijgen toebedeeld in de natuurvergunning of omgevingsvergunning. Met een beroep op die depositieruimte wordt dan gesteld – zoals ook in dit geval – dat het initiatief niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie en dat de natuurvergunning daarom verleend kan worden. De additionele stikstofdepositie van het project, wordt dan namelijk weggestreept tegen de depositieruimte. Waar in het stikstofregistratiesysteem een stikstoftoename door de ene bron wordt weggestreept tegen een stikstofvermindering bij een andere bron, kan dit worden gezien als een vorm van extern salderen. De locatie van de vrijgekomen stikstofdepositieruimte heeft geen relatie met de locatie van het project ten behoeve waarvan de vrijgekomen ruimte wordt ingezet. 20

6.9 Eiser 2 heeft aangevoerd dat de vvgb niet afgegeven had kunnen worden door Gedeputeerde Staten met toepassing van het SSRS, omdat stikstofruimte die elders in Nederland beschikbaar komt als gevolg van de maximumsnelheidsverlaging op abstracte wijze wordt gesaldeerd. De natuur in het Natura 2000-gebied profiteert volgens hem niet van deze schijnoperatie, terwijl de kwaliteit van de natuur wel achteruit gaat.

6.10 De rechtbank leest in de beroepsgronden van eiser 221 dat hij zich op het standpunt stelt dat het SSRS – meer in het bijzonder de daarin opgenomen snelheidsverlaging naar 100 km/uur als bronmaatregel – in strijd is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn (Hrl). Bij de beoordeling van die beroepsgrond stelt de rechtbank voorop dat uit de door verweerder aangedragen uitspraak van de ABRvS van 26 april 202222 niet afgeleid kan worden dat de ABRvS het SSRS heeft getoetst aan die bepaling en een oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van het SSRS.

6.11 Gedeputeerde Staten waren op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb23 alleen bevoegd om de verklaring van geen bedenkingen af te geven, wanneer uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet aangetast zullen worden als gevolg van het initiatief. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de passende beoordeling geen leemten mag vertonen en dat deze beoordeling volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies moet bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel wegnemen over de gevolgen die een initiatief zal hebben voor de Natura 2000-gebieden. Door middel van een passende beoordeling die aan die vereisten voldoet, moet worden gegarandeerd dat wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de natuurlijke kenmerken van die gebieden zullen worden aangetast.24 In de passende beoordeling mag rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen. Dit zijn maatregelen die de nadelige gevolgen voor de natuur beperken of voorkomen en die samen met het initiatief zullen worden getroffen.25 In de PAS-uitspraken26 heeft de ABRvS uit het antwoord van het Hof van Justitie27 op prejudiciële vragen over het PAS onder andere afgeleid dat daarmee ingevolge artikel 6, derde lid, van de Hrl alleen rekening mag worden gehouden, wanneer de verwachtte gevolgen van die mitigerende maatregelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan.

Gedeputeerde Staten stellen zich op het standpunt dat uit de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het SSRS blijkt dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast door projecten waaraan depositieruimte uit het SSRS is toebedeeld.

Ten tijde van het bestreden besluit was de ‘Nadere ecologische beoordeling

stikstofeffecten snelheidsverlaging en warme sanering varkenshouderij’ van [naam ingenieursburo1] en [naam ingenieursburo2] van 8 december 2020 (hierna: passende beoordeling) de meest recente passende beoordeling die ten grondslag lag aan het SSRS. De rechtbank houdt het er voor dat dit rapport, zij het (forse tijd) na het vaststellen van het SSRS, de grondslag vormt voor het opnemen van de snelheidsverlaging naar 100 km/uur en de warme sanering als bronmaatregel in de Rnb.

In de passende beoordeling staat dat de snelheidsmaatregel op de rijkswegen vrijwel overal zal leiden tot een daling van de stikstofdepositie. Niettemin is in 2030 in delen van 9 Natura 2000-gebieden lokaal sprake van een toename van de stikstofdepositie in 213 hexagonen. De lokale toenames worden veroorzaakt door verkeersstromen die als gevolg van de maatregel wijzigen waardoor zeer lokaal het aantal vervoersbewegingen op het onderliggende wegennet en dan met name op enkele provinciale wegen toeneemt. De mogelijke gevolgen van dit onbedoelde bijeffect van de snelheidsmaatregel zijn ecologisch

beoordeeld. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat in een viertal Natura 2000-gebieden (Sint Jansberg, Veluwe, Maasduinen en Brunssummerheide) en in een deel van de habitattypen significante effecten als gevolg van de snelheidsmaatregel niet kunnen worden uitgesloten. Daarom is vervolgens onderzocht of de snelheidsmaatregel en de

warme sanering van de varkenshouderij tezamen wél tot een daling van de stikstofdepositie

leiden voor deze Natura 2000-gebieden. De warme sanering betreft de bedrijfsbeëindiging van varkenshouderijen waarbij ondernemers gebruik maken van een daarvoor opgezette subsidieregeling. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen drie tranches. Volgens de passende beoordeling is er na tranche 2 én 3 van de warme sanering van de varkenshouderij als gevolg van de snelheidsmaatregel nog sprake van een toename van de stikstofdepositie in 8 hexagonen met een (naderend) overbelaste situatie. Deze hexagonen liggen alle binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Na tranche 2 en 3 samen zijn er nog 2 habitattypen waarop een effect resteert, namelijk H4010A (1 hexagon) en H4030 (7 hexagonen). Onderzocht is of plaatsing van een luchtscherm langs delen van de N300 door het Natura 2000-gebied Brunssummerheide de resterende stikstofeffecten zou kunnen wegnemen. Door het plaatsen van een luchtscherm van 400 meter lengte met een hoogte van 1,5 meter óf een luchtscherm van 500 meter met een hoogte van 1 meter treedt volgens de passende beoordeling nergens in het Natura 2000-gebied Brunssummerheide een stijging van de stikstofdepositie op. Gelet op het voorgaande wordt in de passende beoordeling geconcludeerd dat geen stijging van de stikstofdepositie op zal treden als gevolg van initiatieven waar depositieruimte aan is toegedeeld uit het SSRS.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die passende beoordeling niet met wetenschappelijke zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast door initiatieven aan wie depositieruimte wordt toebedeeld uit het SSRS. Op het moment van het vaststellen van de passende beoordeling stond vast dat de snelheidsverlaging zou kunnen leiden tot additionele stikstofdepositie en stonden de verwachte gevolgen van de maatregelen (warme sanering en luchtscherm), die samen met de snelheidsverlaging zouden worden getroffen en ter compensatie van die additionele stikstofdepositie dienen, onvoldoende vast. In de passende beoordeling wordt namelijk niet wetenschappelijk onderbouwd wat het stikstofeffect van de warme sanering zal zijn. Uit die beoordeling blijkt ook niet of voldoende varkenshouderijen zich hadden aangemeld voor de sanering, waar die varkenshouderijen zijn gelegen en over welke stikstofrechten zij beschikken. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat uit een brief van 30 juni 2021 van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Tweede kamer28 blijkt dat ten aanzien van de warme sanering sprake is van tegenvallende stikstofeffecten, omdat een landelijk gemiddeld gerealiseerd stikstofeffect is berekend van 2.8 mol/ha/jaar, terwijl het verwachtte stikstofeffect eerder ingeschat werd op 8,5 mol/ha/jr. Uit die brief blijkt ook dat wederom alternatieve maatregelen moeten worden getroffen om de tegenvallende stikstofeffecten van de warme sanering te compenseren. Dat betekent dat niet zeker is of de warme sanering de depositietoename van de snelheidsverlaging kan compenseren en daarom kan een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Daarnaast wordt opgemerkt dat de provincie Limburg en het ministerie van LNV zijn overeengekomen om de depositietoename ten gevolge van de snelheidsmaatregel in het stikstofregistratiesysteem ook op te lossen door middel van het plaatsen van luchtschermen langs de N300 ter hoogte van Natura 2000-gebied Brunssummerheide, maar wordt ook dit standpunt niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Niet is gebleken of die schermen ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

6.12 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het SSRS niet voldoet aan de eisen die artikel 6, derde lid, van de Hrl daaraan stelt. Uit die passende beoordeling kon daarom niet de zekerheid worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast als gevolg van initiatieven die gebruik maken van die depositieruimte. Dat betekent dat Gedeputeerde Staten de vvgb in strijd met artikel 6, derde lid, van de Hrl en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb hebben afgegeven.

Cumulatie

6.13 Eiser 2 heeft daarnaast aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van verschillende andere stikstof uitstotende projecten die binnen 200 meter plaatsvinden. De stikstofdepositie van deze projecten dient in samenhang te worden bezien.

6.14 Het Hof van Justitie heeft overwogen dat bij de passende beoordeling een cumulatietoets dient plaats te vinden. Als onderdeel van een passende beoordeling moeten alle aspecten van een project worden geïnventariseerd die, op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten, de instandhoudingsdoelstellingen van een natura 2000-gebied in gevaar kunnen brengen.29 Dat betekent dat niet alleen getoetst moet worden welke gevolgen een project afzonderlijk zal hebben voor een Natura 2000-gebied, maar dat ook getoetst moet worden welke gevolgen het project in combinatie met andere plannen of projecten zal hebben. Uit rechtspraak van de ABRvS blijkt dat dit projecten zijn waarvoor reeds een natuurvergunning is verleend, maar die niet zijn uitgevoerd en die negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kunnen hebben.30

6.15 Naar het oordeel van de rechtbank hebben Gedeputeerde Staten voldoende gemotiveerd dat voornoemde cumulatie niet aan de orde is, omdat geen sprake is van projecten waarvoor een natuurvergunning is verleend die niet of slechts ten dele is uitgevoerd.

7. De omgevingsvergunning voor de natuuractiviteit: soortenbescherming

7.1 Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten – onder verwijzing naar de Quickscan flora en fauna van Econsultancy van 7 januari 2019 – een verklaring van geen bedenkingen afgegeven ten aanzien van de soortenbescherming, omdat het initiatief volgens hen niet zal leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb wanneer de voorschriften die aan de vvgb zijn verbonden zullen worden nageleefd.

7.2 Eiser 2 heeft aangevoerd dat Gedeputeerde Staten die vvgb niet af hadden mogen geven, omdat uit de Quickscan blijkt dat sprake zal zijn van afbraak, achteruitgang en verzuring. De boomkikker zal worden verstoord door de bouw van de woning.

7.3 De rechtbank is van oordeel dat Gedeputeerde Staten – met verwijzing naar de Quickscan – voldoende hebben onderbouwd dat voornoemde verbodsbepalingen niet zullen worden overtreden als gevolg van het initiatief, wanneer de aan de vvgb verbonden voorwaarden in acht worden genomen. Gelet daarop hebben Gedeputeerde Staten kunnen vaststellen dat geen ontheffing is vereist op grond van de Wnb.

7.4 In de Quickscan flora en fauna is in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank acht Econsultancy voldoende deskundig op het gebied van flora en fauna en niet is gebleken dat de inhoud en de wijze van totstandkoming van de Quickscan zodanige gebreken vertoont ten aanzien van de soortenbescherming, dat Gedeputeerde Staten dit niet – zonder meer – aan de vvgb ten grondslag hebben mogen leggen. In de Quickscan staat dat in het gebied een groene specht is waargenomen en dat uitwerpselen zijn gevonden van een damhert. De rechtbank acht aannemelijk dat verstoring van deze en andere diersoorten wordt voorkomen, doordat aan de vergunning als vergunningvoorschrift 5 is verbonden dat alleen buiten het (vogel)broedseizoen gewerkt mag worden. Daarnaast wordt dit gewaarborgd doordat als voorschrift 6 aan de vergunning is verbonden dat de werkzaamheden worden stilgelegd of uitgesteld, wanneer kort voor de start van de werkzaamheden of tijdens de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen. Om te voorkomen dat de levendbarende hagedis tijdens de werkzaamheden een geschikt biotoop vindt op het perceel is in voorschrift 7 opgenomen dat de composthoop en houtstapels enkel in de periode direct na de winterslaap en vóór de voortplantingsperiode mogen worden verwijderd en dat een ter zake kundige ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden vast moet stellen of er een levendbarende hagedis voorkomt op de planlocatie. In voorschrift 8 en 9 wordt dit voorschrift nog aangevuld met nadere onderzoeksverplichtingen. Op de onderzoekslocatie is volgens de Quickscan geen geschikt habitat aanwezig voor de heikikker, waardoor aanwezigheid kan worden uitgesloten. Het is echter niet uit te sluiten dat incidenteel een individu op of nabij de onderzoeklocatie voorkomt. Om eventuele schade aan incidenteel voorkomende individuen te voorkomen wordt in de Quickscan geadviseerd om te werken volgens een goedgekeurde gedragscode of een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol. Ter bescherming van deze twee kikkersoorten zijn ook voorschrift 7 en 8 opgenomen. Als gevolg van graafwerkzaamheden kan daarnaast makkelijk stilstaand water ontstaan dat leefgebied kan gaan vormen voor de rugstreeppad. Om problemen omtrent de rugstreeppad te voorkomen is voorschrift 10 toegevoegd dat stelt dat plasvorming op het bouwperceel voorkomen dient te worden. Hetgeen eiser 2 heeft aangevoerd over de boomkikker heeft hij niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. In de Quickscan wordt ten aanzien van de boomkikker opgemerkt dat de locatie niet beschouwd kan worden als een geschikt leefgebied voor de boomkikker.

8. Conclusie

8.1 Omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, zal de rechtbank het beroep van eiser 1 gegrond verklaren. Omdat Gedeputeerde Staten de vvgb niet hebben mogen verlenen met toedeling van depositieruimte uit het SSRS en met verwijzing naar de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling, zal de rechtbank het beroep van eiser 2 gegrond verklaren.

8.2 De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om nader te motiveren of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand en aan Gedeputeerde Staten om opnieuw te onderzoeken of een vvgb afgegeven kan worden voor het initiatief.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien – gelet op de conclusie ten aanzien van de natuuractiviteit – geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van vergunninghouder, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier maanden.

8.3 Omdat de beroepen van eiser 1 en eiser 2 gegrond worden verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt.

8.4 Daarnaast zal het college worden veroordeeld in de door eiser 1 gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van het beroep ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor eiser 1 worden vastgesteld op € 66,20 aan reiskosten (kilometervergoeding eiser 1 van € 0,28 per kilometer, omdat openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is vanwege een gebrek aan bushalte in de buurt van zijn woning.).31 Het verzoek van eiser 1 voor het vergoeden van de kosten voor het aangetekend versturen van zeven poststukken wijst de rechtbank af, omdat deze kosten niet onder de kosten vallen die vergoed kunnen worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht. Eiser 2 heeft niet verzocht om proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt heb college op binnen 4 maanden na de dag van verzending van deze uitspraak / een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser 1 te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 66,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 26 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.


mr. R.P. Broeders heeft de uitspraak ondertekend, omdat de voorzitter niet in de gelegenheid is om te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Artikel 2.17 van de Wabo

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur.

2 Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 2.2aa van het Bor

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

  1. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.

  2. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

3 Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Artikel 2.8, derde lid, van de Wnb

Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Artikel 3.1 van de Wnb

  1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

  2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

  3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

  4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

  5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.5 van de Wnb

  1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

  2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

  3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

  4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

  5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10 van de Wnb

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

  1. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

  2. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

  3. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

  1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;

  2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

  3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

  4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

  5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

  6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

  7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

  8. in het algemeen belang, of

  9. bestendig gebruik.

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

4 Bestemmingsplan [plaatnaam3]

Artikel 10 van de planregels

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het wonen in woningen;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': tevens voor recreatieve verhuur van een woning aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, waarbij het aantal slaapplaatsen ten behoeve van de recreatieve verhuur maximaal 10 per woning bedraagt;

  3. hierbij horende ondergeschikte voorzieningen, zoals inritten, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en tuinen.

1 Artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

2 ABRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717, r.o. 2.2 en ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1090, r.o. 6.1.

3 ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:328, r.o. 2.1.

4 Artikel 10.1 en 10.2 van de planregels.

5 ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1018, r.o. 2.3.

6 Artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.10a van het Bor.

7 Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo jo. artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor.

8 ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:387, r.o. 4.1 en ABRvS 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3101, r.o. 4.

9 ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260, r.o. 8 en ABRvS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507, r.o. 7.

10 Artikel 2.9a van de Wnb in samenhang met artikel 2.5, onder a, van het Besluit natuurbescherming.

11 ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:599, r.o. 4.2 en ABRvS 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3957, r.o. 5.1.

12 ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:27, r.o. 4 en ABRvS 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8550, r.o. 4.4.

13 Artikel 2.8, eerste en derde lid, van de Wnb jo. artikel 6.10a, vierde lid, onder a, van het Bor.

14 ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 1.1.

15 ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:105, r.o. 69.3 en 69.4.

16 Artikel 5.5a van de Wnb.

17 Kamerstukken II 2019/20, 35347, 3, p. 9.

18 Artikel 2.2, onder a, van de Rnb.

19 De snelheidsmaatregel bestaande uit het verlagen van de maximumsnelheid op autowegen is als generieke bronmaatregel voor het gehele land in artikel 2.4, eerste lid, onder a, van de Rnb opgenomen.

20 Artikel 2.3, artikel 2.4 en artikel 2.5 van de Rnb en Toelichting bij de Rnb.

21 Artikel 8:69, tweede lid, van de Wnb.

22 ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1210.

23 Artikel 6:10a, vierde lid, onder a, van het Bor.

24 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, r.o. 98 en 104; HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:255, r.o. 114; HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:2016:583, r.o. 50; HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330, r.o. 27 en HvJ EU 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:220, r.o. 44.

25 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, r.o. 125; HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583, r.o. 54 en HvJ EU 15 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:330, r.o. 28.

26 ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 11.9 en ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604.

27 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2019:882.

28 Kamerstukken II 2020/21, 28973 en 35334, 244.

29 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, r.o. 95 en HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:255, r.o. 113.

30 ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, r.o. 11.1; ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3980, r.o. 3.4.

31 Artikel 2, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.