Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4960

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
AWB- 22_958
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/958 V

uitspraak van 26 augustus 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , opposante.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (verweerder) volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 5 september 2021 tegen het besluit van 12 augustus 2021 betreffende de toekenning van huishoudelijke hulp in de periode 1 juli 2021 tot en met 24 april 2022 ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Bij uitspraak van 22 april 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vaststelling van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurde dwangsom afgewezen.

Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

Verzoek om kortsluiting met 22/2496

1. Opposante verzoekt de verzetrechter om het verzet kort te sluiten met het beroep met zaaknummer 22/2496, omdat dat beroep ziet op de inmiddels genomen beslissing op bezwaar. De verzetrechter wijst dit verzoek af. De reden hiervoor is dat in deze verzetprocedure een ander toetsingskader voorligt. De verzetrechter zal daarom alleen uitspraak op het verzet doen.

Verzet

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat ten tijde van het beroep tegen het niet tijdig beslissen geen sprake was van een situatie waarin het college in gebreke was om tijdig een besluit te nemen, omdat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was verstreken.

De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank was van oordeel dat verweerder te vroeg in gebreke is gesteld, omdat een beslistermijn van twaalf weken geldt nu er een adviescommissie is ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

3. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.

4. De verzetrechter stelt voorop dat de toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb dient te geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie. Hiertoe behoort ook informatie die eerst in die fase van het geding naar voren is gebracht (ex nunc).

5. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het voor de toepasselijkheid van de beslistermijn van 12 weken vereist is dat de mededeling wordt gedaan als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. Verder voert opposante aan dat uit de inmiddels genomen beslissing op bezwaar en de dwangsombeschikking blijkt dat de beslistermijn wel 6 weken was.

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of opposante nog een procesbelang heeft bij haar verzetgronden met betrekking tot de beslistermijn. Volgens vaste jurisprudentie heeft de indiener van een rechtsmiddel geen belang daarbij, als het aanwenden van het rechtsmiddel hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.

Het beroep was gericht tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaar van opposante van 5 september 2021. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 22 april 2022 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Na de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2022 heeft verweerder op 29 april 2022 alsnog op het bezwaar beslist en een dwangsombeschikking afgegeven. Eerst uit deze besluiten blijkt dat de beslistermijn – anders dan door verweerder was aangegeven in de ontvangstbevestiging van 9 september 2021 – zes weken was. Er bleek immers sprake te zijn van een niet-ontvankelijk bezwaarschrift en de adviescommissie is niet gevraagd om advies.

Opposante had met het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen tot doel om verweerder te manen alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken en de door verweerder verbeurde dwangsom door de rechtbank vast te stellen. Nu verweerder inmiddels op het bezwaar heeft beslist en een dwangsombeschikking heeft genomen waarbij de volledige dwangsom van € 1.442,- aan opposante is toegekend, kan opposante met deze verzetgrond niet in een betere positie komen met betrekking tot het ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Opposante heeft onvoldoende procesbelang bij deze verzetgrond. De verzetrechter neemt daarbij ook in overweging dat opposante inmiddels beroep heeft ingesteld tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar, zodat er ook op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb geen procesbelang is.

Om die redenen wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

Ter voorlichting aan opposante merkt de verzetrechter op dat het standpunt van opposante dat indien de mededeling als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb niet of niet binnen de beslistermijn is gedaan de beslistermijn zes weken blijft, niet juist is. De jurisprudentie waarna opposante verwijst is verouderd en van vóór de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2019 waarna de rechtbank in haar uitspraak van 22 april 2022 heeft verwezen.

Griffierecht

7. De verzetrechter bepaalt dat verweerder aan opposante wel het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden, omdat opposante – naar nu eerst in verzet blijkt – een ontvankelijk beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen had ingediend nu de beslistermijn zes weken was.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het verzet niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan opposante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, verzetrechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 26 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.