Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4952

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
02/209824-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

rijspraak afpersing. Retentierecht aanbetaling niet uit te sluiten. Toeëigening tas niet wederrechtelijk. Vrijspraak diefstal. Veroordeling voor mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/209824-20

vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 augustus 2022, waarbij de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [naam] dan wel met geweld een tas van deze [naam] heeft weggenomen;

Subsidiair: een tas van [naam] heeft weggenomen dan wel [naam] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat verdachte de primair ten laste gelegde diefstal met geweld heeft begaan. Indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van een diefstal met geweld komt, acht de officier van justitie subsidiair naast de diefstal de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend te bewijzen. Het beroep op noodweer kan niet slagen, omdat geen sprake was van een noodweersituatie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit (in alle varianten) en vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het door verdachte toegepaste geweld wordt een beroep gedaan op noodweer. Het geweld van verdachte was niet gericht op de diefstal, maar op het terugkrijgen van zijn scootersleutel en ter bescherming van zichzelf.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en aangever op 22 mei 2020 in Vlissingen een afspraak hadden over de aankoop door verdachte van een Louis Vuitton tas van aangever. Verdachte heeft de tas van aangever aangereikt gekregen om deze te bekijken waarna een discussie ontstond over de betaling. Aangever heeft daarop verdachte vastgepakt en zijn scootersleutel gepakt om te beletten dat verdachte met de tas zou vertrekken. Daarop is een worsteling ontstaan, waarbij verdachte aangever in het gezicht heeft geraakt.

Afpersing?

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de tas op enig moment door geweld of bedreiging met geweld onder zich heeft gekregen. Van de ten laste gelegde afpersing wordt verdachte daarom vrijgesproken.

Diefstal?

Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of verdachte de tas van aangever heeft gestolen. De rechtbank overweegt als volgt.

Alternatief scenario

Tegenover de aangifte, inhoudend dat verdachte zonder te betalen de tas zou hebben meegenomen, zet verdachte een alternatief scenario. Hij verklaart dat hij honderd euro van het met aangever afgesproken bedrag heeft aanbetaald en dat hij het restantbedrag de volgende dag wilde betalen. Verdachte erkent dat hij er met de tas vandoor is gegaan, maar verklaart dat dit was omdat aangever hem zijn aanbetaling niet wilde teruggeven.

Wederrechtelijk?

De rechtbank constateert dat dit scenario niet onverenigbaar is met de overige informatie in het dossier. Opvallend is wel dat de onafhankelijke getuige alleen spreekt over het horen roepen “geef mijn tas terug” en niet spreekt over dat zij hoorde dat een aanbetaling terug gegeven zou moeten worden, maar uit de verklaring van de getuige blijkt ook dat zij niet onafgebroken haar aandacht op verdachte en aangever gericht heeft gehouden. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet uitgesloten kan worden dat er sprake is geweest van een niet teruggegeven aanbetaling. In het geval dat sprake is geweest van een aanbetaling oordeelt de rechtbank dat verdachte zijn (civiele) retentierecht mocht uitoefenen en de tas onder zich mocht houden totdat aangever de aanbetaling zou teruggeven. Het toe-eigenen is dan niet wederrechtelijk.
Dat leidt ertoe dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of verdachte zich de tas wederrechtelijk had toegeëigend toen hij met de tas vertrok.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Verdachte zal daarom van zowel de primair als subsidiair ten laste gelegde diefstal worden vrijgesproken.

Mishandeling?

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever door in de worsteling die is ontstaan, aangever met een vuist in het gezicht te stompen.

Noodweer?

De verdediging voert aan dat sprake is van noodweer, omdat verdachte door aangever is vastgepakt en omdat zijn scootersleutel was afgepakt en verdachte zich in reactie daarop heeft verweerd.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet allereerst de vraag worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (of een onmiddellijke dreiging daartoe) van, in dit geval, het lijf van verdachte. Als hiervan sprake was, moet worden beoordeeld of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde (de zogeheten subsidiariteit) en of de manier waarop hij zich verdedigde in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding (de zogeheten proportionaliteit).

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat aangever verdachte heeft vastgepakt en zijn scootersleutel heeft gepakt om daarmee te verhinderen dat verdachte er met de tas vandoor zou gaan. De rechtbank oordeelt dat gegeven de omstandigheid dat verdachte niet dan wel niet volledig wilde betalen en wilde vertrekken, het pakken van de scootersleutel en het vastpakken door aangever niet als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan worden aangemerkt. Aangever mocht in die omstandigheid voorkomen dat verdachte er met zijn tas vandoor zou gaan. Zelfs indien zou worden aangenomen dat aangever niet gerechtigd was te beletten dat verdachte zou vertrekken, dan nog was de reactie van verdachte daarop naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel. De gewelddadige reactie kan daarom niet worden beschouwd als geboden door de noodzakelijke verdediging, ongeacht waarop het geweld van verdachte was gericht. Het door verdachte toegepaste geweld, te weten het stompen van aangever in zijn gezicht, kan dan ook niet worden gerechtvaardigd doordat hij eerst door aangever is vastgepakt of omdat zijn scootersleutel was afgepakt, zelfs al zou aangever daar niet het recht toe hebben gehad. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair:
op 22 mei 2020 te Vlissingen [naam] heeft mishandeld door die [naam] te stompen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van de verdediging op noodweer niet. Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast vordert hij een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar op te leggen. Daarbij heeft hij rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog en niet passend is. Indien de rechtbank tot een strafoplegging komt – die alleen kan volgen bij bewezenverklaring van mishandeling –, is een beperkte taakstraf op zijn plaats. Zij verzoekt daarbij rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever in het gezicht te stompen. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarnaast heeft het geweld zich in het openbaar, namelijk nabij de ingang van een supermarkt, afgespeeld. Een dergelijk gewelddadig feit op een openbare plaats veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid bij ooggetuigen en de samenleving in zijn algemeenheid. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank verder rekening met het strafblad van verdachte van 8 juli 2022, waaruit blijkt dat hij eerder voor geweldsfeiten in aanraking is gekomen met politie en justitie. Eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten hebben verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een geweldsdelict te begaan. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het plegen van het feit in een proeftijd. De rechtbank houdt daar bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening mee. Tevens blijkt uit het strafblad dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Verder overweegt de rechtbank dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, te weten in beginsel twee jaar nadat de termijn een aanvang heeft genomen. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had een strafvervolging in te stellen. In deze zaak moet de termijn worden gerekend vanaf 23 mei 2020, te weten de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld.

De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van deze datum, te weten 23 mei 2022.

De redelijke termijn is dan ook met ruim drie maanden overschreden. Gelet op de geringe mate van overschrijding zal de rechtbank hieraan geen consequenties verbinden en volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank heeft ook gekeken naar vergelijkbare zaken. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank een ander feit bewezen acht.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 40 uur passend is, met aftrek van het voorarrest.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en

mr. S.H. van Nieuwkerk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 augustus 2022.

Mr. Hoekstra is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.