Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4948

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
9945545 OV VERZ 22-5838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 4:193 lid 1 BW; Verordening (EU) 650/2012 (Europese erfrechtverordening); Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000. Beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van een machtiging om namens een rechthebbende wiens goederen onder bewind zijn gesteld een nalatenschap te kunnen verwerpen. Rechthebbende heeft woonplaats in Nederland. De nalatenschap is in België opengevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2022-0244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaaknummer 9945545 OV VERZ 22-5838

beschikking op een verzoek ex artikel 4:193 lid 1 BW

ingediend door:

Bewindvoeringskantoor Noord-Brabant B.V.

in haar hoedanigheid van bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:435 BW, belast met het beheer van de goederen van de rechthebbende [naam A]

kantoorhoudende te Eindhoven

vertegenwoordigd door [naam B 1]

1 Het verzoek

1.1.

Op 20 juni 2022 werd ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ontvangen. Het verzoek strekt ertoe de machtiging van de kantonrechter te verkrijgen om namens de hierboven genoemde rechthebbende een nalatenschap te kunnen verwerpen. Het verzoek is toegelicht in een e-mail van 30 juni 2022.

1.2.

Ter onderbouwing van dat verzoek heeft verzoekster gesteld, samengevat, dat de rechthebbende geen contact met de overledene had, dat de nalatenschap hoogst-waarschijnlijk negatief is en dat de rechthebbende, in het geval dat de nalatenschap namens hem beneficiair zou worden aanvaard, niet vaardig genoeg om de nalatenschap te vereffenen. De rechthebbende heeft een broer. Die weigert inzage in relevante stukken te verlenen.

2 De beoordeling

2.1.

Uit een bij het verzoekschrift overgelegd uittreksel uit een overlijdensakte blijkt dat op [datum A] te [plaats A] (België) is overleden [naam B 2] . De overledene is geboren te [plaats B] op [datum B] . In de overlijdensakte is niet expliciet vermeld wat de laatste woonplaats van de overledene is. Gezien deze akte en de toelichting op het verzoek is echter aannemelijk dat de laatste woonplaats van de overledene is gelegen in België, zodat bij de beoordeling van het verzoek daarvan wordt uitgegaan.

2.2.

Overwogen wordt dat nu de nalatenschap in België is opengevallen, zodat de afwikkeling daarvan in beginsel door Belgisch recht wordt beheerst (artikel 4 Verordening (EU) nr. 650/2012 (Europese erfrechtverordening)), terwijl de rechthebbende namens wie het verzoek is ingediend in Nederland woonachtig is, moet worden onderzocht of de kantonrechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en, wanneer dat het geval is, of het verzoek naar het Nederlandse of Belgische recht moet worden beoordeeld.

2.3.

Naar het oordeel van kantonrechter is zij bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat de rechthebbende zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Verzoekster vraagt om een maatregel die strekt tot bescherming van het vermogen van de rechthebbende. Overeenkomstig artikel 5 lid 1 van het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen (ook wel genoemd het Haags Volwassenbeschermingsverdrag 2000 of, afgekort, HVV) is de gerechtelijke autoriteit van een verdragsluitende staat waar de volwassene zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd om maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van diens persoon of vermogen. Weliswaar is dit verdrag nog niet door Nederland geratificeerd, maar het kan wel anticiperend worden toegepast (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1239).

2.4.

Geoordeeld wordt verder dat het verzoek naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Dit volgt uit artikel 13 lid 1 HVV.

2.5.

Naar Nederlands erfrecht kan de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam namens die erfgenaam een nalatenschap niet zuiver aanvaarden en behoeft hij voor verwerping van een nalatenschap een machtiging van de kantonrechter (artikel 4:193 lid 1 BW). Op grond van artikel 1:441 lid 1, eerste zin BW is verzoekster de wettelijke vertegenwoordiger in de hier bedoelde zin.

2.6.

Gezien de gegeven toelichting op het verzoek wordt geoordeeld dat er aanleiding is om de gevraagde machtiging te verlenen.

2.7.

Verzoekster kan de keuze tot verwerping van de nalatenschap doen inschrijven in het boedelregister dat bij deze rechtbank wordt gehouden (artikel 13 Europese erfrechtverordening, in verbinding met artikel 2 lid 2 Uitvoeringswet Verordening erfrecht). Dit laat echter onverlet dat verzoekster de Belgische autoriteit die bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, binnen de termijn die daarvoor in het Belgische recht is bepaald, ervan in kennis dient te stellen dat inschrijving in het boedelregister van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft plaatsgevonden (zie preambule 32 van de Europese erfrechtverordening en tevens het arrest van het EHvJ van 2 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:426, rov. 48 en 49).

3. De beslissing

De kantonrechter:

verleent verzoekster, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[naam A] , geboren te [plaatsnaam C] op [datum C] ,

machtiging om de nalatenschap van [naam B 2] te verwerpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. [voorl.] Eijssen-Vruwink en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juli 2022, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 'sHertogenbosch.