Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4914

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
29-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_3618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/3618 WIA


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2022 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. Träger),

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1.1

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aangevraagde vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

1.2

Het UWV heeft deze aanvraag bij besluit van 1 februari 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juli 2021 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

1.3

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4

De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. Het UWV heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting laten weten dat het zich ter zitting niet zal laten vertegenwoordigen.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang geschil

2. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden de aangevraagde toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WIA heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Het beroep is ongegrond

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten die niet betwist zijn en die de rechtbank ook aanvaardt.

5.1

Eiser was werkzaam als auditor c en is op 21 april 2010 uitgevallen door fysieke klachten. Het UWV heeft eiser vanaf 21 juli 2010 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Per einde van de wachttijd heeft het UWV aan eiser, bij besluit van

16 maart 2012, een WIA-uitkering toegekend. Het UWV heeft, na toekenning van de WIA-uitkering, de inkomsten van eiser verrekend met deze uitkering. Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het UWV de WIA-uitkering met ingang van 2 mei 2018 beëindigd, omdat eiser in 2013 en daarna tot en met 2015 meer dan 65% heeft verdiend van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2018 is door het UWV op

12 juli 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft tegen deze beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld.

Het UWV heeft op 25 januari 2021 de aanvraag van eiser voor een vrijwillige verzekering ontvangen. Bij besluit van 1 februari 2021 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat eiser de aanvraag niet binnen dertien weken na 2 mei 2018 heeft ingediend. Bij het bestreden besluit heeft het UWV de afwijzing gehandhaafd.

Is eiser redelijkerwijs niet in verzuim ten aanzien van het moment waarop de aanvraag tot de vrijwillige verzekering is ingediend?

6.1

Eiser voert aan dat hij, na het besluit van 1 maart 2018, nog meerdere malen door het UWV beoordeeld is en dat hij niet wist dat de vrijwillige verzekering binnen drie maanden na de beëindiging van de WIA-uitkering aangevraagd had moeten worden. Het UWV heeft zijn zorgplicht geschonden en eiser doet een beroep op een concrete, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging door de verzekeringsarts dat hij voor de vrijwillige verzekering in aanmerking zou komen.

6.2

Het UWV stelt vast dat eiser tot 2 mei 2018 onder de wettelijke verzekering viel. De termijn voor het aanvragen van een vrijwillige verzekering wordt niet opgeschort door rechtsmiddelen of herzieningsverzoeken. Het UWV betwist de gestelde schending van de zorgplicht, omdat eiser via de website de juiste informatie had kunnen vinden en anders had hij contact met het UWV kunnen opnemen. Het UWV betwist dat de verzekeringsarts een concrete toezegging heeft gedaan dat eiser tot de vrijwillige verzekering zou worden toegelaten. Vanwege de aard van het werk van de verzekeringsarts en de wetsystematiek kan de verzekeringsarts een dergelijke toezegging ook niet doen.

6.3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het indienen van een aanvraag voor de vrijwillige verzekering dertien weken bedraagt, dat de termijn ingaat na 2 mei 2018 en dat eiser de aanvraag voor de vrijwillige verzekering te laat heeft ingediend. De rechtbank moet beoordelen of het UWV de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen en daarbij niet ten onrechte toepassing van artikel 19, tweede lid van de WIA achterwege heeft gelaten. Als aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WIA is voldaan, kan het UWV besluiten om de te late aanvraag toch als tijdig ingediend te beschouwen.

Het UWV heeft daarbij beoordelingsruimte. De toepassing van artikel 19, tweede lid van de WIA wordt om die reden door de rechtbank terughoudend getoetst.

6.3.2

De rechtbank leidt uit het dossier af dat eiser – na de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 maart 2018 – op 31 december 2018 het UWV verzocht heeft om hem per 1 januari 2019 weer een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 14 februari 2019 is dit verzoek afgewezen, omdat er niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden. Dat is herhaald in het besluit van 27 maart 2019 en bevestigd in de beslissing op bezwaar van 22 november 2019 tegen het besluit van 27 maart 2019. Eiser heeft via een wijzigingsformulier op 23 juli 2020 om een herkeuring verzocht. Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het UWV besloten dat eiser per januari 2019 geen WIA-uitkering krijgt, omdat uit de beoordeling door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige niet volgt dat eiser toen minder kon verdienen. Vervolgens heeft eiser op 25 januari 2021 de aanvraag voor de vrijwillige verzekering ingediend.

Tussen het eindigen van de wettelijke verzekering en de aanvraag voor de vrijwillige verzekering is dus meer dan 19 maanden gelegen. Eiser heeft de aanvraag voor de vrijwillige verzekering uiteindelijk ruim 16 maanden te laat ingediend. Eiser heeft in de tussenliggende periode meerdere rechtsmiddelen, verzoeken tot herbeoordeling en wijzigingsformulieren ingediend. Eiser had meteen na het einde van zijn WIA uitkering zelf actie kunnen en moeten ondernemen om een aanvraag voor een vrijwillige verzekering in te dienen. Zoals het UWV heeft aangevoerd, kon eiser daarover informatie vinden op de website van het UWV. Het UWV heeft, anders dan eiser betoogt, niet de plicht om iedereen van wie de WIA-uitkering wordt beëindigd en die mogelijk in aanmerking zou kunnen komen voor een vrijwillige verzekering, persoonlijk op de mogelijkheid van het aanvragen van een vrijwillige verzekering en de termijn voor het indienen van zo’n aanvraag, te wijzen1. Het UWV heeft op goede gronden geoordeeld dat eiser in verzuim was en dat er geen gronden waren om hem dat verzuim redelijkerwijze niet toe te rekenen.

Door het verzuim is het UWV ook bevoegd om het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WIA niet toe te passen. De rechtbank kan die overweging van het UWV, dat terughoudend wordt getoetst, dan ook volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.3.3

Ten aanzien van het beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 19 december 20192 in samenhang met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van

29 mei 20193. De AbRS overweegt dat er in een dergelijk geval drie cumulatieve stappen dienen te worden doorlopen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Beoordeeld moet worden of die uitlating en/of gedraging als een toezegging kan worden gekwalificeerd?

Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat de verzekeringsarts eiser heeft gewezen op de vrijwillige verzekering. Uit het verslag volgt ook dat de verzekeringsarts niet heeft toegezegd dat eiser wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Eiser heeft in beroep de inhoud van het verslag van de hoorzitting niet specifiek betwist en zijn – mogelijk andere – lezing van hetgeen is gezegd ook niet onderbouwd. Eiser voert in beroep wel aan dat de verzekeringsarts hem tot tweemaal toe zou hebben aangegeven dat hij voor de vrijwillige verzekering in aanmerking komt, maar dat is niet onderbouwd.

Uit het feit dat de verzekeringsarts eiser heeft gewezen op de vrijwillige verzekering valt geen toezegging af te leiden dat eiser het niet tijdig doen van een aanvraag daartoe niet zou worden tegengeworpen, en al zeker niet dat het UWV eiser, zo hij een aanvraag zou doen, ook vrijwillig zou verzekeren.

Aangezien de eerste stap al ontkennend beantwoord wordt, komt de rechtbank niet meer toe aan de tweede en derde stap. Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aangevraagde vrijwillige verzekering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 23 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Artikel 18, eerste lid, sub c:

Het UWV laat op grond van deze paragraaf tot de vrijwillige verzekering toe, mits hij hier te loonde woont:

c. de persoon, wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige werkzaamheden verricht of gaat verrichten, (…) indien gedurende een jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, op grond van een wettelijk regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest.

Artikel 19, eerste lid, sub a en tweede lid:

1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend bij het UWV:

a. door de in artikel 18, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde personen binnen dertien weken na het einde van hun verplichte verzekering.

2. Het UWV kan bepalen dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond va deze wet op de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

1 CRvB 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4858.

2 CRvB 19 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4220.

3 AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.