Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4913

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
02/306059-21, 02/021841-21 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bedreiging hulpverlener en verbalisanten. Poging doodslag op verbalisant. Smaad. Gevangenisstraf en oplegging maatregel tbs met verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/306059-21, 02/021841-21 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht,

raadsman mr. M.H.A. Horsch, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 augustus 2022, waarbij de officier van justitie, mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: een medewerker van [bedrijf] heeft bedreigd;

feit 2: twee politieagenten heeft bedreigd;

feit 3: heeft geprobeerd twee politieagenten van het leven te beroven, dan wel dat hij heeft geprobeerd hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij hen heeft bedreigd;

feit 4: zich schuldig heeft gemaakt aan smaad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van de medewerker van [bedrijf] (feit 1). Zij baseert zich daarbij, kort gezegd, op de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige] .

De bedreiging van de politieagenten [naam 1] en [naam 2] (feit 2) kan worden bewezen op grond van de aangiftes en de processen-verbaal van bevindingen van de overige politieagenten. Op grond van deze bewijsmiddelen acht de officier van justitie ook bewezen dat verdachte vanaf een bovenverdieping een steen van bijna twintig kilo richting de politieagenten [naam 1] en [naam 2] heeft gegooid (feit 3). Dit levert een poging tot doodslag op.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte acht de officier van justitie tevens bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaad (feit 4).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken, indien de rechtbank uitgaat van zijn ontkennende verklaring. Als de rechtbank bij feit 3 niet uitgaat van de ontkennende verklaring van verdachte, bepleit de verdediging vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld dat de kans op de dood aanmerkelijk is geweest. Voor de bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling onder feit 3 en een bewezenverklaring voor feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 - bedreiging medewerker van [bedrijf]

De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige] vast dat [naam 3] op 15 september 2021 op huisbezoek is geweest bij verdachte. Verdachte schreeuwde naar [naam 3] : ‘Opzouten, ik breek je kaak op zes plekken’. [naam 3] is vervolgens naar de voordeur gelopen, waarbij verdachte dicht achter hem aanliep. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij [naam 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank acht de bedreiging van [naam 3] met zware mishandeling daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 en feit 3

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 10 november 2021 twee geweldsincidenten hebben plaatsgevonden bij de woning van verdachte.

Eerste geweldsincident: bedreiging politieagenten

De politieagenten [naam 1] en [naam 2] zijn naar de woning van verdachte gegaan om verdachte aan te houden. Toen zij ter plaatse kwamen, hing verdachte uit een raam op de bovenste verdieping en riep naar de politieagenten: ‘Als jullie binnenkomen, dan steek ik jullie neer’ en ‘Als jullie niet weggaan, dan ga ik stenen naar jullie gooien’. Vervolgens stond verdachte achter de voordeur en riep: ‘De eerste die binnenkomt, steek ik neer, die maak ik kapot’, waarbij hij een mes en een vleesvork toont en daarmee in de richting van [naam 1] en [naam 2] steekt. Ook toont verdachte een molotovcocktail aan hen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij [naam 1] en [naam 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen en zelfs het leven zouden kunnen verliezen. De rechtbank acht de bedreiging met zware mishandeling en met enig misdrijf tegen het leven gericht van [naam 1] en [naam 2] daarom wettig en overtuigend bewezen.

Tweede geweldsincident: het gooien van een steen naar politieagenten

Verdachte heeft een steen van 19,1 kilogram vanuit een raam op de eerste verdieping van zijn woning bovenhands in de richting van [naam 2] gegooid. [naam 2] stond op dat moment op nog geen meter van de voorgevel van de woning en moest achteruit stappen, omdat hij anders door de steen zou worden geraakt. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [naam 1] zo dichtbij [naam 2] stond dat ook [naam 1] door de steen geraakt had kunnen worden en zal verdachte daarom van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Poging tot doodslag?

De vraag die vervolgens door de rechtbank moet worden beantwoord, is of de gedraging van verdachte als een poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd. Daarvoor is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [naam 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [naam 2] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood - is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Daarvoor is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Verdachte heeft een steen van 19,1 kilogram vanuit een raam op de eerste verdieping van zijn woning bewust naar beneden in de richting van [naam 2] , die onder het raam stond, gegooid. [naam 2] is net op tijd naar achteren gestapt. De in de nabijheid aanwezige verbalisant [naam 1] geeft aan ervan overtuigd te zijn dat de steen [naam 2] anders had geraakt. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat dodelijk letsel ontstaat, wanneer een dergelijke zware steen met de door het vallen ontwikkelde snelheid op iemands hoofd valt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het menselijk lichaam. Beschadiging van hersenweefsel of de harde klap van een dergelijke steen alleen al kan zwelling van de hersenen veroorzaken, die een dodelijke afloop kan hebben.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven omschreven gedraging van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood van [naam 2] gericht, dat het niet anders kan zijn dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. De rechtbank acht daarom de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4 - smaad

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 augustus 2022;

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] d.d. 19 oktober 2021, pagina 11 tot en met 14.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 15 september 2021 te Borssele, [naam 3] (medewerker van [bedrijf] ) heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [naam 3] (welke op huisbezoek was bij verdachte) dreigend de woorden toe te voegen "Opzouten, ik breek je kaak op zes plekken, opzouten!", waarna

hij, verdachte, dicht achter die [naam 3] ging lopen welke na bovengenoemde bedreiging was opgestaan en richting de voordeur liep;

feit 2

op 10 november 2021 te Borssele, [naam 1] (medewerker van Politie Zeeland West Brabant) en [naam 2] (medewerker van Politie Zeeland West Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [naam 1] en [naam 2] de woorden toe te voegen: 'Als jullie binnenkomen dan steek ik jullie neer' en 'Als jullie niet weggaan dan ga ik stenen naar jullie gooien' en 'De eerste die binnenkomt steek ik neer, die maak ik kapot' en die [naam 1] en [naam 2] een mes en een (vlees)vork te tonen en met dat mes en die (vlees)vork in de richting van die [naam 1] en [naam 2] te steken en die [naam 1] en [naam 2] een molotov cocktail te tonen;

feit 3

op 10 november 2021 te Borssele, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 2] (medewerker van Politie Zeeland West Brabant) opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte een steen (van 19,1 kilogram) vanuit een raam op de eerste verdieping van het pand gelegen aan de [adres] gegooid in de richting van waar die [naam 2] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4

op 27 september 2021 te Borssele, opzettelijk, de eer en de goede naam van [naam 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op zijn Facebookpagina de volgende berichten te plaatsen:

- Via via te horen gekregen dat [naam 4] mij wil laten beroven in mijn eigen huis door inval te laten doen. Schijnbaar heeft [naam 4] ook 10.000 Euro in totaal van mijn moeder gestolen van horen zeggen via het systeem, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- Sinds de laatste 3 jaar is er mij iets vreemds opgevallen hier in dit huis in Borssele wat ik nog nooit eerder heb ervaren. Bepaalde vibraties, zwakke spanning die ik niet kon verklaren. Die lichte spanning of vibraties begonnen in mijn houten vloer, matras en bank. Lijkt net of ze mijn energie er mee stelen. Het komt en het gaat weer. Ik weet wel als ik stroommast uit zet dat het weer weg gaat. Heel vreemd. Ik heb vermoedens dat het toch weer ook met die ene groep van 200 mensen hier in het dorp te maken heeft, waar [naam 4] ook bij hoort. Ik heb haar al 4 jaar niet gezien. Ik vermoed dat zij ook baas is in die groep.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De oplegging van een straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs met verpleging van overheidswege).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het opleggen van de tbs met verpleging van overheidswege niet proportioneel is, indien verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot doodslag. Er kan dan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Indien verdachte wordt veroordeeld voor de poging tot doodslag, verzoekt de verdediging het advies van de reclassering te volgen en aan verdachte de tbs met voorwaarden op te leggen. Verdachte is namelijk nog niet eerder binnen een strafrechtelijk kader langdurig klinisch opgenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 15 september 2021 schuldig gemaakt aan bedreiging van een medewerker van [bedrijf] . Hij kwam bij verdachte op huisbezoek, deed slechts zijn werk en had daarbij het beste met verdachte voor. Door de bedreiging van verdachte heeft hij zich tijdens zijn werk zeer angstig gevoeld.

Op 10 november 2021 heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan twee geweldsincidenten. Verdachte heeft twee politieagenten bedreigd, waarbij hij een mes, een vleesvork en een molotovcocktail in zijn handen heeft gehad. Hierdoor heeft verdachte voor de politieagenten een angstige situatie gecreëerd. Deze situatie werd daarna nog beangstigender, omdat verdachte een steen van 19,1 kilogram in de richting van politieagent [naam 2] heeft gegooid. [naam 2] mag van geluk spreken dat hij niet dodelijk is getroffen door de steen. Verdachte heeft zich door zo te handelen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een politieagent.

De rechtbank rekent verdachte deze bedreigingen en de poging tot doodslag zwaar aan, te meer omdat deze zijn gericht tegen een medewerker van [bedrijf] en tegen politieagenten die hun werk doen ten behoeve van de samenleving en die zich door het handelen van verdachte ernstig bedreigd hebben gevoeld. Dit blijkt ook uit de aangifte van [naam 2] . Hij is erg geschrokken van de inslag van de zware steen. Naast de gevolgen voor de politieagenten, zorgen dergelijke geweldsincidenten ook voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Tot slot heeft verdachte ook de eer en goede naam van zijn zus aangetast door op 27 september 2021 beledigende berichten over haar op Facebook te plaatsen. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan smaadschrift. Dat slachtoffers door zo’n delict nadelige gevolgen kunnen ervaren, blijkt uit de aangifte van de zus. Zij heeft een eigen nagelsalon, en vreest dat die door de berichten van verdachte in een slecht daglicht is komen te staan.

Persoon van verdachte

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in strafvermeerderende zin rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor geweldsdelicten en dat hij zelfs nog in een proeftijd liep (ook voor het plegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), toen hij de onderhavige soortgelijke feiten pleegde.

Over verdachte is een pro-justitiarapport opgemaakt. Daaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine en dat hij antisociale persoonlijkheidstrekken heeft. Deze waren volgens de psychiater ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde bedreiging van de politieagenten en de poging tot doodslag, op grond waarvan wordt geadviseerd deze feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psychiater heeft geen advies gegeven over het aan verdachte toerekenen van de bedreiging van [naam 3] (feit 1) en het plegen van smaadschrift (feit 4). De psycholoog heeft geadviseerd om alle feiten minstens in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op de bevindingen van de psychiater en psycholoog en op basis van de feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen, stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het plegen van de feiten 1 en 4 bij verdachte ook sprake was van voornoemde problematiek. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze problematiek het handelen van verdachte heeft beïnvloed en dat dit heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde feiten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle feiten verminderd aan verdachte moeten worden toegerekend. De rechtbank neemt dit als strafverminderende omstandigheid mee bij de bepaling van de straf.

Gelet op het hoge recidiverisico, de omstandigheid dat een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is en omdat is gebleken dat verdachte zich binnen het kader van een zorgmachtiging niet aan voorwaarden houdt, adviseren de psychiater en psycholoog om aan verdachte een tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank houdt ook rekening met het reclasseringsadvies van 7 juli 2022, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen. De reclassering stelt dat in de afgelopen jaren een langdurige klinische opname nog niet is geprobeerd en dat verdachte bang is dat aan hem de tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Nu verdachte wil meewerken aan een tbs met voorwaarden, is de reclassering van mening dat verdachte deze kans moet krijgen. De reclassering is gematigd positief dat de tbs met voorwaarden zal gaan slagen.

Oplegging maatregel

De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde poging tot doodslag is een gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel, omdat er sprake is van een hoog recidiverisico. Gelet op de bevindingen van de psychiater, psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat de tbs ook noodzakelijk is. Alleen dan is er een stevig kader waarin langdurige behandeling van verdachte kan plaatsvinden.

Gelet op de ernstige en langdurige problematiek van verdachte en het gevaar dat hij voor anderen oplevert, acht de rechtbank ook verpleging van overheidswege noodzakelijk. De rechtbank ziet geen ruimte voor een tbs met voorwaarden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Een tbs met voorwaarden is aan de orde indien het recidivegevaar naar verwachting afdoende afgewend kan worden door het stellen van voorwaarden die zien op het gedrag van verdachte. Hiervan kan sprake zijn bij verdachten die minder delictgevaarlijk zijn, enig ziektebesef tonen en gemotiveerd zijn voor een behandeling. Ook is het bij een tbs met voorwaarden noodzakelijk dat de verdachte zich bereid heeft verklaard mee te werken aan de voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is daar bij verdachte geen sprake van.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt dat verdachte zich, in het kader van een zorgmachtiging, al jaren niet aan voorwaarden houdt. Nu verdachte de afgelopen jaren meerdere keren is veroordeeld wegens geweldsdelicten, blijkt ook dat het stellen van die voorwaarden niet afdoende is geweest om het recidivegevaar af te wenden. Daarnaast blijkt uit de rapportages en de behandeling ter terechtzitting dat verdachte geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij hulp wil, zodat aan hem niet de tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Verder stelt verdachte dat hij zijn leven zelfstandig wil oppakken en zichzelf wel redt. Deze omstandigheden bij elkaar maken dat de rechtbank van oordeel is dat een tbs met voorwaarden geen kans van slagen heeft. Nu sprake is van een hoog recidiverisico en bij verdachte een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is, is een tbs met voorwaarden ook niet passend. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van de maatschappij dan onvoldoende gegarandeerd kan worden.

De rechtbank overweegt dat de tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Oplegging straf

Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank, naast de tbs met verpleging van overheidswege, de oplegging van een straf aan verdachte noodzakelijk. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, waarvan één poging tot doodslag op een politieagent. Gelet op de ernst van dit feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een gevangenisstraf van één jaar met aftrek van het voorarrest is passend en geboden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank niet passend, omdat aan verdachte de tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen (de messen en een vleesvork) vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Verdachte wordt veroordeeld voor het bedreigen van twee politieagenten, waarbij hij een mes en een vleesvork heeft getoond en daarmee in de richting van de politieagenten heeft gestoken. De messen en de vleesvork zijn daarmee voorwerpen met behulp waarvan het bewezenverklaarde feit is begaan.

7.2

De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerp (één molotovcocktail) vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Bij de bewezenverklaarde bedreiging heeft verdachte ook een molotovcocktail getoond aan de politieagenten. De molotovcocktail is daarmee een voorwerp met behulp waarvan het bewezenverklaarde feit is begaan. Verder is de molotovcocktail van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft bij vordering van 24 januari 2022 gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 16 april 2021, ten uitvoer zal worden gelegd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, indien aan verdachte de tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd, de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf niet opportuun acht, omdat aan verdachte een tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 261, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: bedreiging met zware mishandeling;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,

meermalen gepleegd;

feit 3: poging tot doodslag;

feit 4: smaadschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* een mes (goednummer PL2000-2021260681-2396347);

* een mes (goednummer PL2000-2021260681-2396357);

* een vleesvork (goednummer PL2000-2021260681-2396359);

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

* een molotovcocktail (goednummer PL2000-2021260681-2396364);

Vordering tenuitvoerlegging, parketnummer 02/021841-21

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en mr. S.H. van Nieuwkerk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 augustus 2022.

Mr. A.L. Hoekstra en mr. E. Andraws zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.