Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4845

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_1581 en 21_1582
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/1581 PW en 21/1582 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2022 in de zaken tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. R.A. Remport Urban,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

(Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal; de ISD), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 12 juni 2020 (primair besluit I) heeft de ISD aan eiser met ingang van

24 april 2020 een uitkering op grond van de Participatiewet toegekend.

In het besluit van 13 oktober 2020 (primaire besluit II) heeft de ISD deze uitkering met ingang van 24 april 2020 ingetrokken.

In de besluiten van 4 maart 2021 (bestreden besluiten) heeft de ISD de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluiten beroep ingesteld.

De ISD heeft verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn besproken op de zitting van de rechtbank op 25 mei 2022. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en namens de ISD mr. R.M. Mol.

De termijn voor het doen van uitspraak is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser ontving tot 4 oktober 2019 een werkloosheidsuitkering en een ziektewetuitkering. Aansluitend heeft eiser bij het UWV verzocht om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Over de periode 4 oktober 2019 tot en met

31 maart 2020 heeft eiser voorschotten op zijn WIA-uitkering ontvangen. Bij besluit van

12 maart 2020 heeft het UWV aan eiser met ingang van 4 oktober 2019 een WIA-uitkering geweigerd.

Eiser heeft zich vervolgens op 24 april 2020 bij de ISD gemeld voor een bijstandsuitkering en deze op 7 mei 2020 aangevraagd. Hij heeft op de aanvraag vermeld woonachtig te zijn op het adres [adres 1] 456 in [woonplaats] en als gewenste ingangsdatum voor de uitkering 4 oktober 2019 vermeld.

Daags voor de melding om een bijstandsuitkering heeft eiser zich ingeschreven op het adres [adres 1] 456. Daarvoor stond [naam] ingeschreven op dit adres. Zij is verhuisd naar het adres [adres 2] 28, het adres waar eiser ingeschreven stond voordat hij zich liet inschrijven op het adres [adres 1] 456. [naam] is eigenaresse van beide woningen. Verder is zij de partner van eiser. De huurovereenkomst van de [adres 1] is op 17 april 2020 ingegaan.

Met primair besluit I heeft de ISD aan eiser met ingang van 24 april 2020 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Met primair besluit II heeft de ISD eisers bijstandsuitkering met ingang van 24 april 2020 ingetrokken. De ISD stelt dat eiser hem, in strijd met de inlichtingenplicht, niet uit eigen beweging heeft geïnformeerd over zijn feitelijke woonsituatie. Die is onduidelijk gebleven. Hierdoor is het recht op bijstand volgens de ISD niet vast te stellen.

Eiser heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt.

2. Bestreden besluiten

Met de bestreden besluiten heeft de ISD eisers bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Bestreden besluit I

De ISD stelt dat eiser na beëindiging van zijn werkloosheidsuitkering en ziektewetuitkering bij het UWV een WIA-uitkering heeft aangevraagd. Hij heeft daarbij nagelaten om zich te melden voor een bijstandsuitkering en zijn rechten daarop veilig te stellen. Dat dient voor zijn rekening en risico te blijven.

De ISD hanteert buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat houdt in dat als iemand zich binnen vijf werkdagen na afwijzing van een aanvraag meldt voor een bijstandsuitkering, aangesloten wordt bij de meldingsdatum van deze aanvraag.

Eiser heeft op 12 maart 2020 van het UWV het bericht gehad dat zijn aanvraag om een WIA-uitkering wordt afgewezen. Eiser heeft zich pas op 24 april 2020 bij de ISD gemeld voor een bijstandsuitkering. Omdat dit ruim na in het beleid genoemde termijn van vijf dagen is, ziet de ISD geen reden om aan eiser met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toe te kennen.

Bestreden besluit II

De ISD stelt dat uit onderzoek is gebleken dat eiser over de periode van 24 april tot en met 13 oktober 2020 niet zijn hoofverblijf had op het uitkeringsadres, [adres 1] 456 in [woonplaats] .

Eiser heeft op 9 oktober 2020 tegenover de sociaal rechercheurs verklaard dat hij nooit is verhuisd van de [adres 2] naar het uitkeringsadres, dat hij niet woonachtig is op het uitkeringsadres en dat daar geen water is gebruikt.

Deze verklaring wordt ondersteund door gegevens van Brabant Water over het waterverbruik, door hetgeen is aangetroffen tijdens het huisbezoek op 9 oktober 2020 en door verrichte waarnemingen over de periode 8 september tot en met 9 oktober 2020.

Uit informatie van Brabant Water blijkt dat op 10 september 2020 een meterstand van

163 m³ is doorgegeven. Dezelfde stand is op 4 september 2020 (lees: 2019) doorgegeven. Dit betekent dat het waterverbruik nihil is geweest.

Eiser heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat er wel water was, maar dat dat in de winter is afgesloten. Tijdens de hoorzitting heeft eiser gesteld dat op 4 september 2020 niet de actuele waterstand is doorgegeven omdat hij toen geen inkomen had.

Over het werkelijke verbruik heeft eiser echter geen gegevens overgelegd. Volgens de ISD heeft eiser dan ook niet aangetoond dat er geen sprake is van een extreem laag dan wel nihil waterverbruik.

Tijdens de waarnemingen is eiser nooit bij het uitkeringsadres aangetroffen, met uitzondering van 9 oktober 2020. Er werd niet opengedaan als bij de woning werd aangeklopt en in de avond brandde er geen licht. Ook de grijze container voor restafval bleef leeg en de aangebrachte merktekens bleven soms dagenlang onaangeroerd.

Eiser betwist dat uit de waarnemingen kan worden geconcludeerd dat hij niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De grijze container gebruikte hij niet voor het restafval; dat bood hij aan in vuilniszakken. Uit de merktekens kunnen volgens eiser geen conclusies worden getrokken, omdat hij de woning ook aan de achterzijde kan betreden.

Volgens de ISD laat dit onverlet dat eiser tijdens de waarnemingen maar één keer bij het uitkeringsadres is gezien, dat als er werd aangeklopt nooit open werd gedaan en dat in de avond er nooit licht brandde.

De ISD stelt dat tot slot uit hetgeen is aangetroffen tijdens het huisbezoek blijkt dat het uitkeringsadres niet werd bewoond.

Onder deze omstandigheden acht de ISD het voldoende aannemelijk dat eiser over de periode van 24 april tot en met 13 oktober 2020 geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, omdat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich daar niet bevond. Aan eiser is tijdens het telefoongesprek op 13 mei 2020 uitleg gegeven over ‘gezamenlijke huishouding’ en ‘hoofdverblijf’. Daarnaast is eiser in het toekenningsbesluit van 21 juni 2020 erop gewezen dat veranderingen in de woon- en leefsituatie bij de ISD gemeld moeten worden. In strijd met de inlichtingenplicht heeft eiser nagelaten te melden waar zijn hoofdverblijf was.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, recht zou hebben gehad op bijstand. Eiser heeft verklaard dat hij over de periode mei tot en met 9 oktober 2019 hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 2] , maar ook dat hij twee maanden bij zijn moeder heeft verbleven. Eiser heeft hierover geen verifieerbare informatie verstrekt, waardoor volgens de ISD het recht op bijstand niet alsnog is vast te stellen. De ISD was daarom gehouden de bijstandsuitkering van eiser in te trekken.

3. Beroepsgronden

Bestreden besluit I

Eiser stelt dat aan hem ten onrechte geen bijstandsuitkering met terugwerkende kracht is toegekend. Aan eiser werd een WIA-uitkering geweigerd en dus pas achteraf, op 24 april 2020, bleek dat hij daarop vanaf 4 oktober 2019 geen recht had. Eiser heeft zich begin oktober 2019 bij de ISD gemeld om een uitkering aan te vragen.

Bestreden besluit II

Eiser betwist geen hoofdverblijf te hebben gehad op het uitkeringsadres en de inlichtingenplicht te hebben geschonden. Hij heeft van tevoren duidelijk aangegeven wat zijn inschrijfadres is, waar hij woont en waar hij met enige regelmaat verblijft. Eiser heeft uitgelegd dat hij, vanwege zijn gezondheidstoestand en op advies van zijn arts, met enige regelmaat bij zijn partner verblijft. De arts heeft namelijk aangegeven dat eiser onder toezicht moet staan van iemand.

4. Wettelijk kader

Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of de ISD op goede gronden aan eiser met ingang van 24 april 2020 een bijstandsuitkering heeft toegekend. Daarnaast ligt voor of de ISD op goede gronden eisers bijstandsuitkering met ingang van 24 april 2020 heeft ingetrokken.

De te beoordelen periode voor de toekenning van eisers bijstandsuitkering betreft de periode van 4 oktober 2019 tot en met 23 april 2020 en voor de intrekking van die uitkering van

24 april tot en met 13 oktober 2020.

Toekenning

Ter zitting heeft de ISD een besluit van het UWV van 21 december 2021 overgelegd dat hij van eiser heeft ontvangen. In dit besluit heeft het UWV besloten de voorschotten, die eiser in het kader van zijn aanvraag om een WIA-uitkering over de periode van 4 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 ten bedrage van € 6.386,32 heeft ontvangen, niet terug te vorderen.

Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep tegen de toekenning van zijn bijstandsuitkering voor zover het de periode van 4 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 betreft. De rechtbank gaat er van uit dat eiser over deze periode niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde, omdat hij de voorschotten op zijn WIA-uitkering heeft kunnen gebruiken om in zijn levensonderhoud te voorzien.1

Met betrekking tot de periode van 1 april tot en met 23 april 2020 overweegt de rechtbank als volgt:

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend die tot een beslissing had moeten leiden, of indien is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.2 Ook kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als betrokkene zich na afwijzing van een voorliggende voorziening onmiddellijk meldt voor een aanvraag om bijstand.3

De rechtbank ziet het door de ISD gehanteerde buitenwettelijk begunstigend beleid, dat als iemand zich binnen vijf werkdagen na afwijzing van een aanvraag meldt voor een bijstandsuitkering aangesloten wordt bij de meldingsdatum van deze aanvraag, als uitwerking van deze rechtspraak.

Eiser heeft gesteld dat hij zich begin oktober 2019 bij de ISD heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen. Niet is gebleken echter dat eiser zich toen gemeld heeft en hij heeft ook geen stukken overgelegd die deze stelling onderbouwen. De ISD heeft op zitting gesteld dat uit het systeem is gebleken dat er in 2017 met eiser contact is geweest en daarna pas weer op 24 april 2020. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser zich pas op 24 april 2020 bij de ISD heeft gemeld. Daarmee heeft eiser zich, na weigering van een WIA-uitkering, niet onmiddellijk gemeld voor een bijstandsuitkering. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de ISD vanwege bijzondere omstandigheden aan eiser met terugwerkende kracht voorafgaande aan de datum van zijn melding een bijstandsuitkering had moeten toekennen.

Intrekking

Voorop dient te worden gesteld dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.4

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.5

Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet is, is uitsluitend nog bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Behalve de aanwezigheid van de betrokkene in de betreffende woning, zijn ook feiten en omstandigheden van belang die een licht werpen op de leefwijze van de betrokkene, zoals de plaats waar hij zijn post ontvangt en behandelt, waar hij zijn administratie bewaart, waar zijn kleding en verzorgingsproducten en andere persoonlijke spullen zich bevinden en waar hij zijn vrienden en familie ontvangt. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.6

Eiser heeft op zijn aanvraag om een bijstandsuitkering als adres [adres 1] 456 in [woonplaats] vermeld. In het telefoongesprek op 13 mei 2020 en in reactie op de brief van de ISD van 15 mei 2020 heeft eiser aangegeven dat hij nog aan het verhuizen is. In het telefoongesprek van 18 mei 2020 heeft eiser verklaard dat hij per 19 mei 2020 verblijft op het uitkeringsadres.

De ISD betwist dat eiser over de te beoordelen periode op het uitkeringsadres woonde. De ISD baseert dat standpunt op de bevindingen van het onderzoek verricht door rapporteur [naam rapporteur] van 12 oktober 2020 en op de verklaring van eiser, het waterverbruik op het uitkeringsadres, waarnemingen ter plaatse en het huisbezoek.

Verklaring eiser

Eiser heeft op 9 oktober 2020 ten overstaan van rapporteur [naam rapporteur] en sociaal rechercheur [naam rechercheur] een verklaring afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij feitelijk nooit verhuisd is naar de [adres 1] en dat hij daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Eiser was in de veronderstelling dat hij van de ISD ‘ruimte’ had gekregen voor zijn verhuizing, in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft verder aangegeven dat zijn hoofdverblijf op de [adres 2] is geweest, maar ook dat hij twee maanden bij zijn moeder heeft verbleven. De exacte periode weet hij niet.

Gelet op deze verklaring heeft de ISD er naar het oordeel van de rechtbank van uit mogen gaan dat eiser in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad.

Waterverbruik

De CRvB heeft onder meer in de uitspraak van 3 juli 20187 geoordeeld dat bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden - ongeacht het aantal personen van dit huishouden - sprake is van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag verbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is in zo’n situatie aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

Uit informatie van Brabant Water blijkt dat op 10 september 2020 dezelfde meterstand voor het watergebruik van de [adres 1] is doorgegeven als op 4 september 2019, namelijk 163 m³. Dit betekent dat het waterverbruik over de periode september 2019 tot september 2020 nihil is geweest.

Eiser heeft aangevoerd dat hij op 4 september 2020 niet de actuele waterstand heeft doorgegeven, maar dezelfde stand als bij de vorige opgave. Hij heeft dat gedaan omdat, als hij de actuele stand zou hebben doorgegeven en er dus zou zijn gebleken dat hij water had verbruikt, hij daarvan een rekening zou hebben gekregen. Hij had toen echter geen geld om dat te betalen.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet (middels stukken) aannemelijk heeft gemaakt dat een meterstand van 163 m³ op 10 september 2020 niet juist was, dat er geen sprake was van een nihil-verbruik over de periode september 2019 tot september 2020 en wat het waterverbruik over deze periode dan wel was. De rechtbank kan dan ook niet anders dan er van uit gaan dat eiser geen water heeft gebruikt over deze periode. Dat veronderstelt dat eiser niet woonachtig was op het uitkeringsadres.

Waarnemingen

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de ISD in de periode van 8 september tot en met

9 oktober 2020 waarnemingen heeft verricht op de adressen [adres 1] 456 en [adres 2] 28. Er hebben in totaal 18 waarnemingen plaatsgevonden op de [adres 1] . Daarbij is eiser geen enkele keer aangetroffen en de merktekens die zijn aangebracht op dit adres zijn over één of meerdere dagen onaangetast gebleven.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze waarnemingen dienen als ondersteunend bewijs voor de conclusie dat eiser geen hoofdverblijf had op de [adres 1] .

Huisbezoek

Op 9 oktober 2020 heeft de ISD op de [adres 1] een huisbezoek afgelegd. De foto’s en bevindingen hiervan staan in de rapportage van 12 oktober 2020: er was elektra, maar geen internet en het water was afgesloten. Er is een koelkast aangetroffen, die open werd gehouden, en een Senseo koffiezetapparaat. Verdere levensmiddelen waren niet aanwezig, noch kleding.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ISD kunnen stellen dat de bevindingen bij het huisbezoek er op duiden dat de woning niet bewoond werd.

Slotsom

De rechtbank acht op grond van eisers verklaring, het waterverbruik op het uitkeringsadres, de waarnemingen ter plaatse en de bevindingen bij het huisbezoek voldoende vaststaand dat eiser over de te beoordelen periode geen hoofdverblijf op de [adres 1] heeft gehad.

Eiser heeft hiervan in strijd met de inlichtingenplicht geen melding bij de ISD gedaan. Eiser heeft op 18 mei 2020 melding gedaan van zijn verhuizing naar de [adres 1] maar uit het samenstel van omstandigheden is gebleken dat eiser nooit is verhuisd en over de te beoordelen periode niet heeft gewoond op het uitkeringsadres. Eiser heeft gewezen op zijn medische situatie en gesteld dat de ISD wist dat hij, in verband met die situatie, regelmatig elders verbleef. Dit laat echter onverlet dat eiser melding heeft gemaakt van verhuizing naar het uitkeringsadres, maar desondanks nooit daadwerkelijk is verhuisd naar en nooit hoofdverblijf heeft gehad op dat adres.

Omdat onduidelijk is gebleven waar eiser dan wel hoofdverblijf had, heeft de ISD naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat hij het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. De ISD was daarom gehouden tot intrekking van de bijstandsuitkering van eiser over te gaan.

6. Conclusie

Het beroep tegen het besluit van de ISD tot toekenning van een bijstandsuitkering aan eiser is niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op de periode van 4 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 4 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit I voor het overige ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 18 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: Wettelijk kader

PARTICIPATIEWET

Artikel 11

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 17

1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 40

1. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. (…)

Artikel 43

1. Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

Artikel 44

1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Artikel 54

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…)

1 zie ook de uitspraak van de CRvB van 29 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2446)

2 bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:680)

3 bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3819)

4 bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:538)

5 bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:497)

6 bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 8 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:546), van 29 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:699), van 22 februari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:484) en 15 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3231)

7 ECLI:NL:CRVB:2018:1986