Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4839

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
02-105104-22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van poging doodslag, geen aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever. Wel voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door met kracht op het hoofd en in het gezicht te slaan en te stompen en tegen het lichaam van aangever te schoppen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-105104-22

vonnis van de meervoudige kamer van 23 augustus 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg

raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 augustus 2022, waarbij de officier van justitie, mr. L. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel dat hij die [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van het slachtoffer, op beelden van de dashcam, op verklaringen van getuigen en op de verklaring van verdachte dat hij heeft geslagen en geschopt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet het opzet had op de dood van aangever [slachtoffer] . Verdachte heeft ontkend dat hij heeft geschopt of getrapt tegen het gezicht of het hoofd van aangever. Dit is ook niet te zien op de dashcambeelden. Ook aangever heeft daar zelf niet over verklaard. Aangevoerd is dat alleen getuige [getuige 1] heeft aangegeven gezien te hebben dat verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt, echter zijn verklaring bevat louter uitspraken welke niet stroken met de overige inhoud van het dossier. Het waarheidsgehalte dat aan deze verklaring kan worden gehangen, is naar de opvatting van de verdediging, gelet op alle tegenstrijdigheden, nihil. Deze verklaring dient als onbetrouwbaar te worden bestempeld en moet uitgesloten worden van het bewijs.

Met het uitsluiten van de verklaring van [getuige 1] resteert enkel het slaan tegen het hoofd. Op grond van het dossier kan dan niet vastgesteld worden dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het intreden van de dood bij aangever, zodat verdachte vrijgesproken moet worden van hetgeen hem primair is tenlastegelegd.

Ten aanzien van hetgeen verdachte subsidiair is tenlastegelegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte ook ten aanzien van de zware mishandeling vrijgesproken moet worden.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is geweest van opzet, dan kan het letsel bij aangever niet aangemerkt worden als zwaar lichamelijk letsel nu uit het dossier ook niet blijkt van eventueel medisch ingrijpen en de verwachte herstelduur, hetgeen ook tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde moet leiden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 25 april 2022 is een onenigheid in het verkeer uitgelopen op een gewelddadig optreden van verdachte. Vastgesteld wordt dat verdachte diverse malen met zijn vuist op het hoofd en in het gezicht van het slachtoffer heeft geslagen en gestompt. Verder staat vast dat verdachte tegen het lichaam van het slachtoffer heeft getrapt. Deze handelingen worden door verdachte ook niet ontkend. Wat wel ontkend wordt, is het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer terwijl deze op de grond lag.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard gezien en gevoeld te hebben dat verdachte met zijn rechtervuist een klap op zijn linker oog/slaap gaf. Verder zag en voelde hij dat verdachte hem meerdere malen met zijn vuist harde klappen in het gezicht gaf. Drie klappen in het gezicht kan hij zich herinneren waarna hij achterover is gevallen. De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte meerdere malen krachtig met zijn vuist op het hoofd van het slachtoffer slaat.

Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het verdachte was die zich agressief opstelde en met kracht tegen het lichaam van de andere man schopte. De man trapte tegen het midden- en bovenlijf van de andere man.

Daarnaast is getuige [getuige 1] gehoord door de politie. In zijn verklaring van 25 april 2022 heeft hij aangegeven dat hij zag dat de vrachtwagenchauffeur in elkaar werd geslagen door de bestuurder van de bestelbus. Hij zag dat de vrachtwagenchauffeur meerdere klappen kreeg en, nadat hij op de grond was terechtgekomen, werd geschopt. In zijn verklaring op 26 april 2022 heeft hij aangegeven dat de vrachtwagenchauffeur harde klappen in het gezicht kreeg. In deze tweede verklaring heeft hij vervolgens aangegeven gezien te hebben dat de vrachtwagenchauffeur ook werd geschopt en dat was alleen in zijn gezicht.

De verklaring van getuige [getuige 1] met betrekking tot het schoppen in het gezicht van het slachtoffer vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet dat de verklaring van getuige [getuige 1] in zijn geheel als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, maar enkel dat dat onderdeel van zijn verklaring geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel. De rechtbank gebruikt overigens, zoals hierna zal volgen uit het bewijsmiddelenoverzicht, de verklaring van getuige [getuige 1] niet voor het bewijs.

De rechtbank is op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het door verdachte schoppen tegen het hoofd van aangever.

Poging tot doodslag of zware mishandeling?

Verdachte heeft meerdere malen met kracht tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] geslagen en hij heeft ook met kracht meerdere malen tegen zijn lichaam geschopt. Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dat geen aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever [slachtoffer] oplevert. Echter heeft verdachte door zijn gedragingen wel de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat aangever [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel op zou lopen en deze kans ook bewust aanvaard. Verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat er ook daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel nu is vastgesteld dat bij aangever [slachtoffer] sprake is van meerdere ribbreuken, schedelbreuken, oogkasbreuken en lucht in de hersenen. Bij die schedelbreuken is ook sprake van enige indeuking van de schedel. [slachtoffer] was ten tijde van de behandeling ter zitting nog steeds arbeidsongeschikt en verwacht wordt dat dit ook nog enige tijd gaat duren. Er is thans nog geen medische eindsituatie. De rechtbank kan dit gelet op de omvang van de verwondingen, de aard daarvan, de duur van de periode dat verdachte arbeidsongeschikt is geraakt en de onduidelijkheid over een volledig herstel van verdachte, niet anders kwalificeren dan als zwaar lichamelijk letsel.

Voor het ontstaan van dit letsel heeft verdachte ter zitting nog een alternatief scenario gegeven, nadat hij eerder bij de rechter-commissaris een ander alternatief scenario heeft genoemd.

Geconfronteerd met het letsel van aangever heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard “dat dit letsel niet vanuit hem is gekomen”. Op een vraag van de rechter-commissaris of andere mensen dit hebben veroorzaakt, heeft verdachte verklaard: “zou kunnen”. Hij heeft hem niet op de grond in een plas bloed achtergelaten, terwijl hij het slachtoffer later wel zo aantrof.

Ter zitting heeft hij over het ontstaan van het letsel verklaard dat aangever eerst achterover is gevallen waarna hij, verdachte, zou zijn weggelopen. Aangever is volgens verdachte weer opgestaan waarna hij hem voorover zag vallen.

De rechtbank acht beide geschetste alternatieve scenario’s niet aannemelijk, met name gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] en het moment waarop verdachte met deze verklaringen is gekomen. De door verdachte geschetste alternatieve scenario’s vinden op geen enkele wijze steun in het dossier.

Verdachte heeft ter zitting nog aangegeven dat hij uit angst en boosheid gehandeld heeft. Door de verdediging is hier geen juridische consequentie aan verbonden, maar mocht hiermee bedoeld zijn dat sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces dan faalt een dergelijk beroep. Verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij bang was omdat aangever [slachtoffer] aanvankelijk uit zijn vrachtwagencabine was gestapt met in zijn hand een spanband en dat [slachtoffer] degene was die het eerst klappen heeft gegeven nadat de aanrijding had plaatsgevonden. Hiervan blijkt echter in het geheel niet uit het dossier. Uit de ter zitting getoonde camerabeelden blijkt dat aangever niets in zijn handen had toen hij voor de eerste maal in beeld kwam. Daarnaast blijkt uit de getuigenverklaringen, dat het verdachte was die aangever na de aanrijding agressief benaderde en zelf de eerste klappen uitdeelde.

Concluderend acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Zij zal verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde feit vrijspreken. Wel acht de rechtbank de zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair:

op 25 april 2022, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken ribben en schedelbreuken en oogkasbreuken en een hoeveelheid lucht in de hersenen, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] meermalen,

- met kracht en met gebalde vuist in/op/tegen diens hoofd en gezicht te slaan en te stompen en te stoten mede ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen en op de grond is terechtgekomen en

- vervolgens terwijl die [slachtoffer] op de grond lag/zat meermalen met kracht en met geschoeide voet tegen diens lichaam te schoppen en te trappen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van een bewezenverklaring van de poging tot doodslag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging komen, rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een eigen onderneming heeft en ZZP’er is. Sinds zijn detentie ligt het bedrijf van verdachte stil waardoor hij geen inkomsten meer heeft. Langere detentie zal resulteren in betalingsproblemen hetgeen zal leiden tot verlies van de huurwoning.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De aanleiding tot dit agressieve gedrag van verdachte ligt geheel bij verdachte zelf. Hij is vanuit een bedrijfsoprit de weg opgereden terwijl aangever [slachtoffer] net aan kwam rijden met zijn vrachtwagencombinatie waardoor aangever hard moest remmen. Tot twee keer toe heeft verdachte daarna geremd en daarmee de vrachtwagen gedwongen te stoppen, terwijl een noodzaak daartoe niet bestond. Verdachte is na de eerste keer remmen uitgestapt en na weer ingestapt te zijn, weggereden en om vervolgens weer stil gaan staan. Verdachte liet zich vervolgens niet inhalen, hij belette dit door zelf naar links uit te wijken en deels op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer te rijden. Uiteindelijk is aangever rechts de oprit van de A27 opgereden waarna ook verdachte scherp naar rechts stuurde en daardoor zelf een aanrijding veroorzaakte met de vrachtwagen van aangever. Beide chauffeurs zijn daarna uitgestapt waarna aangever het slachtoffer is geworden van het uiterst agressieve gedrag van verdachte. Verdachte heeft met enkele harde vuistslagen op het hoofd van aangever en trappen tegen zijn lichaam ernstig letsel veroorzaakt en daarmee het leven van het slachtoffer veranderd.

De agressie van verdachte heeft zich in het openbaar voorgedaan, diverse personen zijn hiervan getuige geweest. De mishandeling heeft ook een grote impact op het slachtoffer gehad. Kort vóór zijn pensioen als vrachtwagenchauffeur heeft hij dit alles mee moeten maken. Dat het een grote impact heeft op het leven van het slachtoffer en zijn gezin blijkt ook wel uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Er bestaat nog steeds onzekerheid over het herstel, iets waar het slachtoffer zich, terecht, constant zorgen over maakt. Zijn oogletsel zal mogelijk niet volledig herstellen. Van een man die altijd klaar stond voor een ander is hij veranderd in een kwetsbare hulpbehoevende man.

Enkel door het agressieve gedrag van verdachte.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met het navolgende.

In het kader van de voorlopige hechtenis is op 28 april 2022 een reclasseringsadvies uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat de reclassering weinig zicht heeft gekregen op risicoverhogende en beschermende factoren omdat verdachte weinig wilde vertellen. Daardoor kan een recidiverisico onvoldoende ingeschat worden. Er lijkt sprake te zijn van agressieproblematiek.

Dat hiervan sprake zou kunnen zijn, leidt de rechtbank ook af uit het strafblad van verdachte. In 2019 is verdachte ook al eens veroordeeld voor een mishandeling waarover hij ter zitting niets heeft willen verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank zal hiervan een gedeelte voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden wederom de fout in te gaan. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en gelet op de ernst van het feit, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Hij bagatelliseert zijn agressieve gedrag en heeft weinig tot geen inzicht willen geven in zijn persoon, enkel dat hij ZZP’er is en dreigt zijn huurwoning kwijt te raken bij langere detentie.

Om dezelfde reden ziet de rechtbank aanleiding om af wijken van de landelijke oriëntatiepunten voor opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Nu de rechtbank “slechts” de zware mishandeling bewezen acht, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.931,90 ter zake geleden materiële schade en € 17.500,00 bij wijze van voorschot ter zake van geleden immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank gedeeltelijk toewijsbaar.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank het volgende.

Niet betwist zijn de volgende posten:

  • -

    kosten aanschaf bril (zoals ter zitting aangepast) € 787,00

  • -

    schade aan T-shirt € 20,00

  • -

    ziektekosten, opname ziekenhuis € 31,00

  • -

    ziektekosten, eigen risico (voor zover na 25 april 2022) € 377,87

  • -

    kilometervergoeding € 105,00

  • -

    parkeerkosten € 29,30

  • -

    kosten huishoudelijke hulp € 1.025,00

  • -

    verlies aan verdienvermogen € 1.344,00

€ 3.719,17

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Onvoldoende onderbouwd acht de rechtbank de gevorderde schade aan de smartwatch van aangever. Aanvankelijk is aangegeven dat de smartwatch is kwijtgeraakt terwijl ter zitting door de benadeelde partij juist is aangegeven dat deze kapot is gegaan.

Ook onvoldoende onderbouwd acht de rechtbank de post “zelfwerkzaamheid”. Daarbij is enkel verwezen naar de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad en de opmerking dat de heer [slachtoffer] binnenkort gaat verhuizen en daarbij hulp nodig heeft van familie en vrienden.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee de omvang van deze schadeposten smartwatch en zelfwerkzaamheid onvoldoende is onderbouwd.

De benadeelde partij heeft bij wijze van voorschot, immateriële schade gevorderd. Het is in een strafprocedure echter niet mogelijk om als benadeelde partij een voorschot op de – definitieve – schadevergoeding te vorderen. De rechtbank verstaat de vordering aldus dat bedoeld is dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade die door de benadeelde partij rechtstreeks is geleden door het bewezenverklaarde en voor zover de beoordeling van de vordering geen onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en gelet op alle andere omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, een vergoeding van een bedrag van € 5.000,00 billijk.

Verdere behandeling van de vordering, voor zover deze ziet op de schadeposten smartwatch, zelfwerkzaamheid en immateriële schade, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 april 2022.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 8.719,17, waarvan € 3.719,17 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 april 2022 tot aan de dag der voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 8.719,17 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 april 2022 tot aan de dag der voldoening.

- bepaalt dat bij niet betaling 78 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van F.W.P.M. van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 augustus 2022.

Mr. Vliegenberg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.