Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4804

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-08-2022
Datum publicatie
19-10-2022
Zaaknummer
9599716_E17082022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

zorgbonus zorgpersoneel. gelet op de geschetste uitzonderlijke omstandigheden was het door de zorginstelling gemaakte onderscheid vaste werknemers en uitzendkrachten voor de zorgbonus 2020 gerechtvaardigd. voor 2021 niet dergelijke rv.gronden aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-1158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 9599716 CV EXPL 21-5113

vonnis d.d. 17 augustus 2022

inzake

[eiseres] ,

wonende te Tilburg,

eiseres, verder te noemen “ [eiseres] ”,

gemachtigde: mr. M.A. van Dalen, werkzaam als jurist bij ARAG SE,

tegen

de stichting STICHTING MIJZO,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Waalwijk (5143 NG) aan de Eikendonklaan 2,

gedaagde, verder te noemen “Mijzo”,

gemachtigde: mr. V. Hofman-Back, werkzaam als jurist bij Hofman’s Arbeidszaken.

1 Het verloop van het geding

1.1.

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het tussenvonnis van 16 maart 2022 met de daarin genoemde stukken;

  2. de akte van [eiseres] met een aanvulling op productie 2 en een nieuwe productie 8;

  3. de aantekeningen van de griffier van de zitting van 13 juli 2022.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Mijzo te veroordelen tot betaling van:

a. a) € 1.000,- netto inzake de zorgbonus 2020;

b) € 384,71 netto inzake de zorgbonus 2021;

c) de buitengerechtelijke kosten van € 207,71;

d) de wettelijke rente over het sub a gevorderde vanaf 1 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;

e) de wettelijke rente over het sub b gevorderde vanaf 1 oktober 2021 tot aan de dag van

volledige betaling;

f) de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde;

g) betaling van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.2.

Mijzo concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat het volgende vast.

  • -

    Mijzo is een zorginstelling met 26 verschillende zorglocaties in Midden- en West-Brabant, die per 1 januari 2021 is ontstaan na een fusie van drie zorginstellingen: De Rietkorst Stromenland, Volckaert en Schakelring.

  • -

    [eiseres] is in 2020 als uitzendkracht, in dienst bij PuurZorg Uitzend B.V., werkzaam geweest bij (een rechtsvoorganger van) Mijzo en in 2021 bij zowel Mijzo als bij Thebe.

  • -

    Op 1 oktober 2020 is de ministeriele regeling Subsidieregeling bonus

zorgprofessionals COVID-19, verder te noemen “de Subsidieregeling”, welke op 17

september 2020 is gepubliceerd in de Staatscourant, in werking getreden.

- De Subsidieregeling heeft tot doel om zorgprofessionals een bonus toe te kennen als

financiële blijk van waardering vanuit de overheid voor de uitzonderlijke prestatie die zij hebben geleverd in de strijd tegen COVID-19.

  • -

    Er kon op basis van de Subsidieregeling een zorgbonus worden aangevraagd voor 2020 ter hoogte van € 1.000,- netto. De Subsidieregeling is in 2021 gewijzigd (Staatscourant 2021, 29865), met uitbreiding van de regeling naar de bonus voor 2021. De hoogte van de bonus voor 2021 is (uiteindelijk) vastgesteld op € 384,71 netto.

  • -

    Het aanvragen en uitkeren van de zorgbonus op grond van de Subsidieregeling is door de overheid in artikel 5 van de Subsidieregeling belegd bij de zorginstellingen van Nederland, die op 1 september 2020 in het handelsregister stonden ingeschreven met een SBl-code zoals in bijlage 1 van de Subsidieregeling is opgenomen.

  • -

    Mijzo is een zorgaanbieder zoals bedoeld in de Subsidieregeling.

  • -

    Ter ondersteuning van de zorginstellingen bij het aanvraag- en uitbetalingsproces van de zorgbonus is als begeleidend document bij de Subsidieregeling een handreiking (voor 2020 en nogmaals een voor 2021) opgesteld waarin de nadere voorwaarden van de Subsidieregeling zijn uitgewerkt.

  • -

    Het zorgpersoneel kan volgens de Subsidieregeling en/of handreiking voor de zorgbonus in aanmerking komen als (verder te noemen “de basiscriteria”):

  • Tussen 1 maart 2020 en 1 september 2020 werkzaamheden zijn verricht voor patiënten met Covid-19 of werkzaamheden die hebben bijgedragen in de voorkoming van Covid-19 besmettingen inzake de zorgbonus van 2020;

  • Tussen 1 oktober 2020 tot 15 juni 2021 werkzaamheden heeft verricht en heeft bijgedragen in de Covid-19 uitbraak van 2021 inzake de zorgbonus van 2021;

  • De werkzaamheden zijn uitgevoerd op basis van een arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst of overeenkomst van opdracht;

  • Het jaarsalaris van de werknemer niet meer bedraagt dan € 73.000,- bruto voor 2020 en € 74.000,- voor 2021.

- In de handreiking 2020 staat onder 3:

“Een zorgaanbieder kan zelf het beste inschatten welke zorgprofessional tijdens de uitbraak van COVID-19 een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd. De inzet van zorgprofessionals kan namelijk van geval tot geval verschillen. Het kabinet treedt daarom niet in die verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder kan, op grond van de uitgangspunten van de subsidieregeling, zelf bepalen welke zorgprofessionals in aanmerking komen voor een bonus op grond van de subsidieregeling. Om zorgaanbieders hierin zo veel mogelijk te ondersteunen, heeft het Ministerie van VWS deze handreiking opgesteld. (…) Andersom zijn de zorgaanbieders niet verplicht een bonus toe te kennen aan zorgprofessionals die op grond van deze handreiking wel binnen de genoemde categorieën vallen, als daar volgens de zorgaanbieder geen reden toe bestaat. (…)”.

- In de handreiking 2021 staat onder 3:

“U kunt zelf het beste inschatten welke zorgprofessional tijdens de COVID-19-uitbraak 2021 (1 oktober 2020 tot 15 juni 2021) een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd. Het kabinet laat die verantwoordelijkheid daarom bij de zorgaanbieder. Op basis van de uitgangspunten van de subsidieregeling bepaalt u zelf welke zorgprofessionals in aanmerking komen voor de bonus 2021. (…) U bent overigens niet verplicht een bonus 2021 te geven aan zorgprofessionals die volgens deze handreiking wel daarvoor in aanmerking kunnen komen. U beslist zelf of een zorgprofessional een uitzonderlijke prestatie in de strijd tegen COVID-19 heeft geleverd. Een zorgprofessional kan geen rechten ontlenen aan de subsidieregeling. De bonus 2021 is niet bedoeld als beloning voor reguliere werkzaamheden.”

  • -

    Minister van Ark (verder te noemen Van Ark) heeft op 7 mei 2021 ter beantwoording van Kamervragen een brief gestuurd naar de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In deze brief staat onder andere: “Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Hijink (SP) over het bericht dat duizenden zorgmedewerkers de zorgbonus missen. (…)Het was aan de zorgaanbieder om te beoordelen of werknemers voor de bonus die met de bonusregeling ter beschikking is gesteld in aanmerking zouden komen. Het uitgangspunt van de bonusregeling was dat zorgaanbieders alléén voor degenen zouden aanvragen waarop de regeling was gericht. (…)Om zorgaanbieders bij deze beoordeling te ondersteunen is door het Ministerie van VWS een handreiking opgesteld. Het wel of niet toekennen van de bonus behoorde tot de beoordelingsruimte van de zorgaanbieder. Dit uiteraard binnen de randvoorwaarden die in de bonusregeling zijn gesteld. (…)Van een opeisbaar recht op de bonus, indien aan de voorwaarden uit de bonusregeling werd voldaan, is geen sprake. Er dient naar het oordeel van de zorgaanbieder ook sprake te zijn van een uitzonderlijke prestatie in de zorg voor Covid-patiënten of de strijd tegen Covid-19. De zorgaanbieder beoordeelt of dat het geval is; de zorgaanbieder heeft immers zicht op de werkzaamheden van de zorgprofessional. (…).”

  • -

    Aanvragen voor de zorgbonus voor 2020 konden uiterlijk worden ingediend op 10 november 2020 (zie productie van de 3 dagvaarding) en voor de zorgbonus voor 2021 uiterlijk op 27 juli 2021 (zie handleiding 2021, onder 7).

  • -

    [eiseres] heeft op 3 november 2020 aan Mijzo gevraagd om de zorgbonus 2020 voor haar aan te vragen.

  • -

    Mijzo heeft hier op 9 november 2020 afwijzend op gereageerd.

  • -

    De werkgever van [eiseres] (PuurZorg) heeft op of omstreeks 15 juni 2021 namens [eiseres] aan Mijzo verzocht om de zorgbonus 2021 voor Mijzo aan te vragen. In de mail van PuurZorg van 15 juni 2021 (productie 6 bij dagvaarding), die [eiseres] heeft gekregen, is – samengevat – geschreven dat zij het van groot belang vindt, dat de bonus voor 2021 op de juiste plaats terecht komt en PuurZorg daarom daar waar mogelijk graag voorziet in de juiste informatie aan de zorginstellingen. Zij geeft aan die week een brief te sturen naar de zorginstellingen met een lijst met de zorgmedewerkers die voldoen aan de basiscriteria. PuurZorg zal de zorgmedewerkers zetten op de lijst van de zorginstelling, waar de medewerker heeft meest heeft gewerkt. Dit ter voorkoming van dubbele aanvragen.

  • -

    Vanuit PuurZorg is op 2 juli 2021 aan [eiseres] doorgegeven dat zij op de lijst stond bij Mijzo, maar dat Mijzo besloten heeft om de zorgbonus niet voor haar aan te vragen omdat het een grote administratieve last is voor hen om de zorgbonus aan te vragen voor externe zorgmedewerkers. PuurZorg geeft in dit bericht tevens aan dat zij dit een teleurstellend bericht vindt, dit heeft gemeld aan Mijzo en gevraagd heeft deze keuze te herzien, maar dat dit helaas de keuze van Mijzo niet heeft veranderd.

  • -

    Mijzo heeft voor de uitzendkrachten en derden, die voor haar in de coronaperioden in 2020 en 2021 hebben gewerkt, de zorgbonussen niet aangevraagd. Voor het personeel dat gedurende die perioden bij haar in loondienst was, heeft zij dit wel voor zowel 2020 als voor 2021 gedaan.

3.2.

[eiseres] legt – samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag.

3.2.1.

Primair stelt [eiseres] dat Mijzo met het door haar gemaakte onderscheid, tussen haar eigen personeel in loondienst en alle overige externe zorgmedewerkers, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Dit handelen is voorts in strijd met de beginselen van goedwerkgeverschap ex artikel 7:611 BW, welk beginsel middels reflexwerking ook hier geldt. Daarbij is het ook onaanvaardbaar, beoordeeld naar de beginselen van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW en 6:248 BW. Ook is er in dit geval sprake van misbruik van bevoegdheid door een dergelijk onderscheid te maken tussen uitzendkrachten en vast personeel. Er zijn immers dezelfde werkzaamheden verricht in de betreffende periode, die voor het vaste personeel wel (tweemaal) zijn beloond.

3.2.2.

Subsidiair legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat er door dit handelen ook sprake is van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW.

3.2.3.

Meer subsidiair legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van een schending van Richtlijn 2008/EG en artikel 8 Waadi, omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen het eigen personeel en uitzendpersoneel op basis van arbeidsvoorwaarden. [eiseres] is hierbij van mening dat de zorgbonus kan worden gekwalificeerd als zijnde een arbeidsvoorwaarde.

3.2.4.

Daarbij maakt [eiseres] aanspraak op, kort gezegd, vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.

3.3.

Mijzo heeft – samengevat – de volgende verweren gevoerd.

3.3.1.

Primair voert Mijzo aan dat de zorgbonussen een onverplicht karakter hebben. Van een opeisbaar recht op de bonus, ook indien aan de basiscriteria van de bonusregeling is voldaan, is geen sprake. Mijzo verwijst in dit kader naar de brief van Van Ark van 7 mei 2021.

3.3.2.

Daarbij had Mijzo gerechtvaardigde redenen voor het niet aanvragen van de zorgbonussen 2020 en 2021 voor [eiseres] en overigens voor alle andere uitzendkrachten en derden die werkzaamheden hebben verricht voor Mijzo in de perioden waarop de bonusbedragen zien, te weten:

  • -

    het aanvragen van de zorgbonussen voor uitzendkrachten zou gepaard gaan met een buitenproportioneel grote administratieve inspanning aan de zijde van Mijzo; in 2020 deed Mijzo zaken met zo’n 25-30 verschillende uitzend- en bemiddelingsbureaus en zijn er door die verschillende uitzend- en bemiddelingsbureaus bijna 600 externe krachten en 80 zzp’ers ingezet en voor 2021 was dit een vergelijkbaar aantal externe krachten;

  • -

    deze administratieve inspanning zou geleverd moeten worden in een periode waarin dit voor Mijzo onmogelijk was vanwege de immense werkdruk die er, eveneens vanwege de gevolgen van COVID-19, was ontstaan op de afdeling Human Resources en Financiële administratie van Mijzo, waar nog bovenop komt dat alle staf- en ondersteunende diensten in de betreffende periode volop ingezet worden in de zorg, omdat de zorglocaties te kampen hadden met zo veel zieke medewerkers en medewerkers die vanwege quarantaineverplichting afwezig waren, wat heeft gezorgd voor een sterke onderbezetting op de afdelingen Human Resources en Financiële administratie;

  • -

    terwijl in het licht van de privacywetging op grond van de AVG het aanvragen en uitbetalen van de zorgbonus, naar de kantonrechter begrijpt, aan de uitzendkrachten en derden die werkzaamheden hebben verricht voor Mijzo, bijvoorbeeld door de aanvraag van de zorgbonus te koppelen aan een BSN-nummer en door het ontbreken van de voor eventuele uitbetaling benodigde bankgegevens, niet viel te regelen.

3.3.3.

Mijzo kan daarnaast niet vaststellen of [eiseres] voor meerdere zorgorganisaties heeft gewerkt, waar de bonussen op zien, maar dit is wel zeer aannemelijk gelet op feit dat [eiseres] in de dagvaarding zelf stelt via haar werkgever bij verschillende zorginstellingen tewerkgesteld te worden. Door [eiseres] zijn niet alle loonstroken overgelegd.

3.3.4.

Er is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, want er is geen sprake van een ongelijke beloning. Deze bonus is daarbij nadrukkelijk geen beloning voor reguliere werkzaamheden en Mijzo is niet de bekostiger van de bonus, enkel de aanvrager. Als de kantonrechter wel van oordeel is dat er sprake is van een ongelijke beloning, dan verwijst Mijzo ook in dit kader naar een gerechtvaardigde reden, te weten de buitenproportioneel grote administratieve inspanning zoals eerder genoemd.

3.3.5.

Er is ook niet gehandeld in strijd met goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW, middels enige reflexwerking. Het feitelijk werkgeversgezag (de uitoefening van de toezichthoudende en leidinggevende taken) en het functioneren van [eiseres] zijn in geen enkel opzicht onderdeel geweest van de afweging van Mijzo om zorgbonus niet aan te vragen.

3.3.6.

Er is voorts geen sprake van een onrechtmatigde daad ex artikel 6:162 BW. Ook in dit kader geldt als herhaald dat er volgens de handreiking geen verplichting is om de zorgbonussen aan te vragen, er kunnen geen rechten aan kunnen worden ontleend en de bonus geldt niet als beloning voor reguliere werkzaamheden. Daarnaast is het handelen van Mijzo ook volgens haar – kort gezegd – niet aan haar toe te rekenen.

3.3.7.

Tenslotte geldt dat de zorgbonus geen arbeidsvoorwaarde is. Het is geen afspraak tussen werkgever en werknemer, de zorgbonus is afkomstig van de overheid en ziet op een bepaalde periode. Er is geen sprake van een enige tijd door Mijzo gevolgde gedragslijn. De door [eiseres] genoemde richtlijn en artikel 8 Waadi is hier dus volgens Mijzo niet van toepassing.

3.3.8.

Mijzo voert daarnaast verweer tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Nu Mijzo niet in verzuim is voor wat betreft de betaling van enige hoofdsom, is zij dus ook geen rente verschuldigd. De buitengerechtelijke incassokosten zijn niet verschuldigd omdat [eiseres] een rechtsbijstand heeft en zij in dit kader dus geen schade heeft geleden, aldus Mijzo.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

3.4.1.

Uit de Handreiking 2020 blijkt dat de landelijke overheid met de zorgbonussen 2020 een blijk van haar waardering heeft willen uitspreken voor personen werkzaam in de sector zorg en welzijn voor de uitzonderlijke prestatie die zij, zeker in het begin van de uitbraak van corona, hebben geleverd. Hiervoor is een subsidieregeling in het leven geroepen. Op grond van deze subsidieregeling kunnen zorgaanbieders een bonus aanvragen voor zorgprofessionals, die i) in de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2020, ii) op basis van een (arbeids)overeenkomst als werknemer of als derde (hierbij kan gedacht worden aan een zelfstandige of uitzendkracht, iii) zich hebben ingezet voor patiënten en cliënten met COVID-19, en/of hebben bijgedragen aan de strijd tegen COVID-19, en iv) niet meer dan tweemaal modaal verdienen bij voltijdse inzet. De Handreiking 2021 is in de kern gelijk aan de Handreiking 2020.

3.4.2.

De landelijke overheid heeft de keuze welke zorgprofessional voor een zorgbonus in aanmerking komt, neergelegd bij de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder zelf het beste zou kunnen inschatten welke zorgprofessional tijdens de uitbraak van COVID-19 een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd. Het staat tussen partijen en voor de kantonrechter vast dat [eiseres] zowel in 2020, ten tijde van de uitbraak van COVID-19, als in 2021 dezelfde (uitzonderlijke) prestatie heeft geleverd als de zorgprofessionals die bij Mijzo in dienst waren en dat zij in zoverre aanspraak zou moeten kunnen maken op uitkering van de zorgbonussen 2020 en 2021. De uitzonderinggrond op basis van het inkomen bij voltijdse inzet is op [eiseres] niet van toepassing.

3.4.3.

Zowel uit de Handreikingen 2020 en 2021, als in de brief van Van Ark van 7 mei 2021 volgt dat er geen sprake is van een verplichting tot toekenning van de zorgbonus als aan de voorwaarden wordt voldaan. In de genoemde Handreikingen is dit verwoord door steeds te benoemen dat een zorgaanbieder een bonus kan toekennen en door Van Ark is dit in haar brief van 7 mei 2021 als volgt verwoord: “Van een opeisbaar recht op de bonus, indien aan de voorwaarden uit de bonusregeling werd voldaan, is geen sprake”.

3.4.4.

De aldus aan de zorgaanbieders gegeven bevoegdheid om te bepalen voor wie wel en voor wie niet een zorgbonus zou worden aangevraagd, is daarmee echter niet onbegrensd. De vraag waar die grens ligt, dient per situatie te worden bekeken. In dit geschil komt het aan op de vraag of de zorgaanbieders op te billijken objectieve rechtvaardigingsgronden hebben besloten om onder andere voor de uitzendkrachten de zorgbonussen 2020 en 2021 niet aan te vragen, terwijl deze bonussen voor de werknemers die in loondienst waren bij Mijzo wel zijn aangevraagd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Mijzo voor de zorgbonus 2020 op grond van objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen besluiten voor [eiseres] de zorgbonus niet aan te vragen. Voor 2021 heeft Mijzo de aanwezigheid van dergelijke objectieve rechtvaardigingsgronden niet, althans onvoldoende, onderbouwd gesteld. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.

3.4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft op grond van de volgende, door Mijzo voldoende onderbouwde stellingen, welke niet (voldoende) door [eiseres] zijn weersproken, Mijzo kunnen besluiten de zorgbonus 2020 niet aan te vragen voor de bij haar werkzame uitzendkrachten. Ten eerste moest de aanvraag van de zorgbonus 2020 gedaan worden in een periode waarin Mijzo geconfronteerd werd met een immense werkdruk die er vanwege de gevolgen van COVID-19 was ontstaan op de afdeling Human Resources en Financiële administratie van Mijzo, alsmede doordat alle staf- en ondersteunende diensten in de betreffende periode volop ingezet werden in de zorg. Ten tweede is voldoende vast komen te staan dat het aanvragen van de zorgbonussen voor uitzendkrachten gepaard zou gaan met een buitenproportioneel grote administratieve inspanning aan de zijde van Mijzo, vanwege het feit dat Mijzo in 2020 zaken deed met zo’n 25-30 verschillende uitzend- en bemiddelingsbureaus en dat het gaat om 600 externe krachten en 80 zzp’ers. Ten derde is van belang dat de aanvraagtermijn tot (uiteindelijk) 10 november 2020 beperkt was. Ten vierde is van belang dat vanuit ActiZ (de overkoepelende branchevereniging voor Nederlandse zorgorganisaties) nog is voorgesteld om de aanvraag voor de zorgbonus door VWS (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) te koppelen aan een BSN-nummer, zodat relatief makkelijk zou kunnen worden vastgesteld of de zorgbonus voor een uitzendkracht of derde reeds eerder was aangevraagd en dat hier door het ministerie negatief op is geantwoord, omdat hier geen wettelijke grondslag voor zou bestaan. Dit stelde Mijzo echter voor extra problemen, nu vast staat dat de zorgaanbieders in die periode niet beschikten over de bankrekeningnummers en persoonsgegevens (BSN-nummers) van de uitzendkrachten. Dat Mijzo waarborgen wilde hebben ter voorkoming van dubbele uitkering van zorgbonussen acht de kantonrechter begrijpelijk en gerechtvaardigd. Ten vijfde weegt de kantonrechter mee dat Mijzo deze beslissing om de zorgbonus 2020 niet aan te vragen voor de uitzendkracht niet zelfstandig heeft genomen, maar dat deze beslissing is genomen na een overleg met (bijna) alle zorginstellingen in de regio van Mijzo, waarin unaniem is besloten om de zorgbonus 2020 niet voor externe zorgprofessionals aan te vragen en dat die andere zorginstellingen dit beleid ook hebben uitgevoerd.

3.4.6.

Gelet op de hiervoor geschetste uitzonderlijke omstandigheden, is de kantonrechter van oordeel dat met betrekking tot de zorgbonus 2020 in dit geval een onderscheid tussen de vaste werknemers en de uitzendkrachten gerechtvaardigd is. Gelet op deze rechtvaardigingsgronden kunnen de primaire en de subsidiaire grondslagen van [eiseres] niet tot een toewijsbare vordering leiden.

3.4.7.

Het voorgaande geldt ook voor de meer subsidiaire grondslagen die [eiseres] aan haar vordering tot betaling van de zorgbonus 2020 heeft gelegd (kort gezegd schending van de Richtlijn 2008/104 EG en uiterst subsidiair schending van artikel 8 Waadi). Daarbij overweegt de kantonrechter dat deze zorgbonus niet dient te worden beschouwd als een arbeidsvoorwaarde, waardoor voornoemde richtlijn en de Waadi niet van toepassing zijn in dit geval. Arbeidsvoorwaarden zijn namelijk voorwaarden waarop gewerkt wordt, die (in beginsel) tussen een werkgever en een werknemer, individueel en/of middels een collectieve regeling zijn overeengekomen. Nu in dit geval sprake is van een subsidie die vanuit de overheid wordt verstrekt, is hier geen sprake van een dergelijke arbeidsvoorwaarde.

3.4.8.

Dit betekent dat de vordering met betrekking tot de zorgbonus 2020 zal worden afgewezen, zonder daarmee, het zij herhaald, ook maar iets af te willen doen aan de inzet van [eiseres] als zorgprofessional in 2020.

3.4.9.

Vervolgens ligt de vraag voor of de rechtvaardigingsgronden die in 2020 hebben gegolden ook nog in 2021 aanwezig waren en tot de conclusie kunnen leiden dat Mijzo ook heeft kunnen besluiten om de zorgbonus 2021 voor [eiseres] niet aan te vragen. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Mijzo heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende onderbouwd gesteld dat er in de periode dat de zorgbonus 2021 moest worden aangevraagd nog steeds sprake was van objectieve rechtvaardigingsgronden om de zorgbonus wel aan te vragen voor haar vaste werknemers maar niet voor de uitzendkrachten zoals [eiseres] Van belang hierbij is dat tussen de datum waarvoor de zorgbonus 2020 (10 november 2020) aangevraagd moest worden en de datum waarop de zorgbonus 2021 (27 juli 2021) aangevraagd moest worden bijna 9 maanden liggen, welke de zorgaanbieders hadden kunnen en moeten benutten om zich voor te bereiden op de aanvraag van de zorgbonus 2021 voor (ook) uitzendkrachten. Ook heeft te gelden dat, ook als de werkdruk nog steeds hoog was, de situatie bij de zorgaanbieders minder hectisch was dan in 2020. Al was het maar omdat de zorgprofessionals meer dan in 2020 bekend waren geraakt met zowel het voorkomen van COVID-19 besmettingen, als met de wijze van behandeling van COVID-19-patiënten en cliënten en de daaraan voor de zorgprofessionals verbonden risico’s. Daarbij is door Mijzo niet (voldoende) weersproken dat de werkgever van [eiseres] (PuurZorg) omstreeks 15 juni 2021 per mail aan Mijzo heeft aangeboden om – kort gezegd – administratieve gegevens te verschaffen die benodigd zijn voor de zorgbonusaanvraag. Daartoe is onder andere door PuurZorg een brief met een lijst aangeboden aan Mijzo met daarop de namen van de zorgmedewerkers die voldoen aan de basiscriteria, waarbij PuurZorg heeft aangeboden om de medewerker op de lijst van zorginstelling te zetten waar die medewerker heeft meest heeft gewerkt, zulks ter voorkoming van dubbele aanvragen. [eiseres] stond op de lijst voor Mijzo. Tenslotte is gesteld, noch gebleken dat door alle zorgaanbieders in de regio gezamenlijk is besloten om de zorgbonus 2021 niet aan te vragen voor de uitzendkrachten.

3.4.10.

Op grond van het voorstaande had van Mijzo mogen worden verwacht dat zij de zorgbonus 2021 ook zou hebben aangevraagd voor de hiervoor in aanmerking komende uitzendkrachten zoals [eiseres] Dat [eiseres] de zorgbonus 2021 via een andere zorgaanbieder dan Mijzo daadwerkelijk heeft aangevraagd, is gesteld noch gebleken. Er is geen sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Mijzo heeft aldus – wellicht onbedoeld – een niet te rechtvaardigen onderscheid gemaakt tussen werknemers in loondienst van Mijzo en uitzendkrachten en aldus zich ook niet als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW gedragen en onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. Het verweer van Mijzo dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen sprake is van een ongelijke beloning, leidt niet tot een ander oordeel.

3.4.11.

Het verweer van Mijzo dat er niet gehandeld is in strijd met goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW (middels enige reflexwerking), omdat, zoals Mijzo aanvoert, het feitelijk werkgeversgezag (de uitoefening van de toezichthoudende en leidinggevende taken) en het functioneren van [eiseres] in geen enkel opzicht onderdeel is geweest van de afweging van Mijzo om zorgbonus niet aan te vragen, slaagt niet. De term goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW is een ruim begrip, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en is niet beperkt tot de door Mijzo genoemde criteria.

3.4.12.

Nu deze bonus niet voor [eiseres] is aangevraagd (en ook niet meer kan worden aangevraagd), heeft [eiseres] schade geleden en zal Mijzo worden veroordeeld een schadevergoeding ter hoogte van de zorgbonus 2021 alsnog aan [eiseres] uit te keren. De kantonrechter wijst daarom toe de vordering van € 384,71 netto.

3.4.13.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente omdat Mijzo in verzuim is geraakt voor wat betreft de betaling van dit bedrag. Omdat [eiseres] de door haar gestelde (opeisbaarheids)datum van 1 oktober 2021 op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zal de kantonrechter de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding, te weten 20 december 2021 tot aan de dag van volledige betaling.
3.4.14. De kantonrechter wijst eveneens een bedrag toe aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het verweer van Mijzo dat [eiseres] geen vermogensschade lijdt omdat zij voor rechtsbijstand is verzekerd, slaagt niet. Er is immers door [eiseres] voldoende onderbouwd gesteld dat de rechtsbijstandsverzekeraar conform haar polis de buitengerechtelijke kosten niet vergoedt. De kantonrechter zal in dit geval een (gematigd) bedrag van € 57,71 toewijzen, gelet op de toewijsbare hoofdsom.

3.4.15.

Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Mijzo om aan [eiseres] te betalen een bedrag van:

  • -

    € 384,71 (netto), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 december 2021 tot aan de dag van volledige betaling;

  • -

    € 57,71 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2022.