Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4607

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-08-2022
Datum publicatie
16-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_2471 21_2482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

21/2471 21/2482

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/2471, 21/2482


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2022 in de zaken tussen


[naam eiser] , uit [plaatsnaam 1] , eiser,

en

[naam eiseres] , uit [plaatsnaam 1] , eiseres,

(gemachtigde: [naam eiser] ),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle (het college).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam derde-partij] uit [plaatsnaam 2] ( [naam derde-partij] )

(gemachtigde: mr. J.A.C. Constant).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de omgevingsvergunning voor [naam derde-partij] voor het vestigen van een sportschool aan het adres [adres 1] 8 te [plaatsnaam 1] .

1.1.

Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 17 september 2018 verleend. Met de bestreden besluiten van 30 april 2021 op de bezwaren van eisers is het college bij de vergunningverlening gebleven.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, drs. M. van der Meer namens het college en [naam directeur-grootaandeelhouder] , directeur-grootaandeelhouder van [naam derde-partij] . Eiseres was niet aanwezig, maar heeft zich door de gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Totstandkoming van de besluiten

2. Op 13 juni 2018 heeft het college aan aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van [naam derde-partij] , voor het vestigen van een sportschool op de begane grond van het pand op het adres [adres 1] 8 te [plaatsnaam 1] . Het vestigen van een sportschool is in strijd met de ter plaatse geldende bestemming. Op grond van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] geldt ter plaatse de bestemming “detailhandel” en “bedrijfsdoeleinden”. Feitelijk is de sportschool sinds augustus 2017 al ter plaatse gevestigd en in bedrijf. Eerder was er ter plaatse een fietsenwinkel gevestigd.

2.1.

Met het besluit van 17 september 2018 heeft het college een omgevingsvergunning aan [naam derde-partij] verleend voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”.

2.2.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Zij wonen aan de [adres 2] 74a en de [adres 2] 76. Hun percelen grenzen aan de locatie van de sportschool.

2.3.

Het college heeft de bezwaren van eisers bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2019 niet ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren na afloop van de bezwaartermijn waren ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. In de uitspraak van 7 augustus 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De Afdeling heeft de hoger beroepen gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van de rechtbank en de beslissing op bezwaar van 7 februari 2019 vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op eisers bezwaren moet nemen.1

2.4.

Met de bestreden besluiten van 30 april 2021 is het college bij de vergunningverlening gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de aan [naam derde-partij] verleende omgevingsvergunning voor de vestiging van de sportschool. De rechtbank doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eisers tegen het verlenen van de omgevingsvergunning hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wettelijk kader

4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Kader voor beoordeling door de rechtbank.

5. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Inhoudelijke beoordeling door de rechtbank.

Staan de bestemmingsplannen in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning?

6.1.

Eisers hebben erop gewezen dat op 20 juni 2018 en dus kort voor de vergunningverlening op 17 september 2018, het ontwerp van het Parapluplan gemeente [plaatsnaam 1] ter inzage is gelegd. Volgens eisers ging daar voorbereidingsbescherming van uit. Daarnaast hebben zij erop gewezen dat volgens de toelichting bij het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] vestiging van nieuwe bedrijven in het plangebied niet is toegestaan.

6.2.

Deze beroepsgronden leiden niet tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet verleend kon worden. De rechtbank beoordeelt in deze procedure het bestreden besluit van 30 april 2021. Op dat moment was het Parapluplan gemeente [plaatsnaam 1] in werking getreden, zodat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit alleen al daarom geen sprake was van voorbereidingsbescherming. Ten aanzien van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] overweegt de rechtbank dat nog los van het feit dat de toelichting bij een bestemmingsplan niet bindend is, er in dit geval juist een omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

Goede ruimtelijke ordening? VNG-brochure, parkeren, geluid en trilling.

6.3.

Eisers hebben aangevoerd dat het college ter onderbouwing van het besluit tot vergunningverlening niet heeft kunnen volstaan met het enkel verwijzen naar de afstanden uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”.

6.4.

Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het college bij de beoordeling of vergunningverlening in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening niet alleen de richtafstanden uit de VNG-brochure heeft betrokken, maar daarbij ook aandacht heeft besteed aan de vraag of en zo ja welke gevolgen vergunningverlening heeft voor parkeren en voor geluid en trilling.

Parkeren

6.5.

Ter beoordeling van de eventuele gevolgen van vergunningverlening voor de parkeerbehoefte, heeft het college op basis van de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 317 een berekening gemaakt van de parkeerbehoefte van de eerder ter plaatse gevestigde fietsenwinkel en van de parkeerbehoefte van de sportschool. Het college heeft op basis van die berekening geconcludeerd dat de vestiging van de sportschool leidt tot een toename in de behoefte met één parkeerplaats. In die behoefte kan volgens het college worden voorzien in de openbare ruimte.

6.6.

Eisers hebben de parkeerbehoefteberekening betwist en stellen dat de gebruikswijziging leidt tot een toename in de behoefte met tien parkeerplaatsen.

6.7.

Voor zover eisers ter onderbouwing van de stelling dat de gebruikswijziging leidt tot een grotere toename in de parkeerbehoefte stellen dat ook de bovenverdieping van het pand als sportschool wordt gebruikt, slaagt die beroepsgrond niet. De omgevingsvergunning die ter beoordeling voorligt ziet enkel op het gebruik van de begane grond van het pand als sportschool. Bij de beoordeling van de gevolgen van vergunningverlening voor het parkeren, moet die situatie dan ook als uitgangspunt worden genomen.

6.8.

Het verschil tussen de door het college gestelde toename met één parkeerplaats en de door eisers gestelde toename met tien parkeerplaatsen, is onder meer het gevolg van het feit dat het college de locatie aanmerkt als “schil centrum”, terwijl eisers de locatie aanmerken als “rest bebouwde kom”. De parkeerkencijfers van de CROW-publicatie waar partijen naar verwijzen zijn voor “rest bebouwde kom” hoger dan voor “schil centrum”. Het verschil is daarnaast het gevolg van het feit dat het college voor de parkeerbehoefte het eerdere gebruik van het pand voor een fietsenwinkel uitgaat van de norm voor een bruin- en witgoedzaak, terwijl volgens eisers uitgegaan moet worden van de norm voor “kantoor met baliefunctie”. Die norm is lager dan de norm voor een bruin- en witgoedzaak.

6.9.

Ter onderbouwing van de stelling dat de locatie moet worden aangemerkt als “rest bebouwde kom” en moet worden uitgegaan van de norm voor “kantoor met baliefunctie” heeft eiser gewezen op het “adviesformulier bouwplan” van 23 april 2018 van het college. In dat adviesformulier heeft het college zelf ook deze uitgangspunten gehanteerd en geconcludeerd dat er 9 tot 12 parkeerplaatsen te weinig zijn.

6.10.

Dat het college bij de parkeerbehoefteberekening eerder andere uitgangspunten heeft gehanteerd dan de huidige uitgangspunten betekent niet meteen dat niet aanvaardbaar is dat het college nu andere uitgangspunten wordt gehanteerd. De eerdere keuze voor andere uitgangspunten kan immers bij nader inzien minder passend zijn geweest.

6.11.

Volgens het college is eerder ten onrechte van andere uitgangspunten uitgegaan en zijn in het bestreden besluit de juiste uitgangspunten gehanteerd. Ter onderbouwing van de keuze om de locatie aan te merken als schil centrum heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat er ter plaatse sprake is van parkeerregulering in de vorm van een blauwe zone waarbij er alleen met een parkeerschijf tijdelijk mag worden geparkeerd. Volgens het college is de aanwezigheid van parkeerregulering een criterium op grond waarvan “schil centrum” van “rest bebouwde kom” kan worden onderscheiden omdat de aanwezigheid van parkeerregulering effect heeft op de mate waarin voor het vervoer naar voorzieningen op een bepaalde locatie gebruik wordt gemaakt van de auto. Gelet op deze toelichting, die door eisers ook niet is weersproken, en het feit dat ter plaatse parkeerregulering van kracht is, heeft het college bij het berekenen van de parkeerbehoefte de locatie naar het oordeel van de rechtbank mogen aanmerken als gelegen in “schil centrum”.

6.12.

Daarnaast heeft het college voor de berekening van de parkeerbehoefte van het eerdere gebruik als fietsenwinkel uit kunnen gaan van de normen voor een bruin- en witgoedzaak. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, in de CROW-publicatie waarop partijen hun berekeningen baseren geen specifieke categorie voor een fietsenwinkel is opgenomen en dat daarom wordt aangesloten bij een categorie die het meest passend moet worden geacht. Dat -zoals eisers hebben aangevoerd- fietsen geen bruin- of witgoed zijn, betekent gelet daarop dan ook niet dat voor het berekenen van de parkeerbehoefte de normen voor bruin- en witgoedzaak in dit geval niet het meest passend zouden zijn.

6.13.

Het college heeft gelet op het voorgaande terecht geconcludeerd dat de vestiging van de sportschool leidt tot een toename in de behoefte met één parkeerplaats. Niet in geschil is dat in die behoefte kan worden voorzien in de openbare ruimte. Gevolgen van de functiewijziging voor het parkeren staan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in weg aan vergunningverlening.

Geluid en trilling

6.14.

Eisers hebben aangevoerd dat vestiging van de sportschool leidt tot geluid en trillingen in hun woningen, afkomstig van gewichten die sporters tijdens hun trainingen laten vallen. Op grond van het Activiteitenbesluit had er een akoestisch onderzoek en een onderzoek naar geluidsoverdracht door de constructie moeten plaatsvinden.

6.15.

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de regelgeving met betrekking tot geluid en trillingen uit het Activiteitenbesluit wordt overtreden. Ter onderbouwing daarvan heeft het college erop gewezen dat in het kader van een handhavingsverzoek van eisers meermaals metingen zijn verricht.

6.16.

De rechtbank overweegt dat het handhavingsverzoek van eisers is afgewezen en dat het beroep van eisers daartegen ongegrond is verklaard. Omdat een verdere onderbouwing door eisers dat de normen uit het Activiteitenbesluit wél worden overtreden ontbreekt, neemt de rechtbank aan dat vestiging van de sportschool niet leidt tot overtreding van de normen. Ook wanneer aan de normen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan, kan functiewijziging in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Aanknopingspunten dat daarvan sprake is ontbreken echter. Daarbij merkt de rechtbank op dat het enkele feit dat eisers mogelijk enig geluid afkomstig uit de sportschool horen, niet betekent dat vestiging van de sportschool in strijd is met de goede ruimtelijk ordening.

6.17.

Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit in acht moeten worden genomen. De rechtbank begrijpt dat eisers daarmee doelen op de veiligheidsafstanden in het kader van de externe veiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat het exploiteren van een sportschool moet worden aangemerkt als een activiteit waarvoor gelet op de externe veiligheid veiligheidsafstanden in acht zouden moeten worden genomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot vergunningverlening in stand blijft.

7.1.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 11 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, bepaalt -voor zover van belang- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening slechts kan worden verleend:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°, van de wet aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en het negende lid, van bijlage II bij het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]

Op grond van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] geldt voor een deel van de locatie de bestemming Detailhandel en voor het andere deel de bestemming Bedrijfsdoeleinden.

Artikel 6.1 (Bestemmingsomschrijving) van de voorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van

de Staat van bedrijfsactiviteiten, evenals het gebruik van daarbij behorende installaties in dezelfde bedrijfscategorieën;

Artikel 7.1. (Bestemmingsomschrijving) van de voorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond;

b. opslag ten behoeve van winkels, met dien verstande dat buitenopslag uitsluitend is

toegestaan ten behoeve van de eigen winkel, tot een maximale hoogte van 4 m en

uitsluitend binnen het bouwvlak;

c. wonen, al dan niet in verband met de winkel;

d. parkeer- en groenvoorzieningen.

1 AbRS 29 april 2020, zaaknummer 201907102/2/R2