Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4535

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-08-2022
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_5362
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/5362 WVW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder.

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote)

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van het CBR, waarbij aan haar op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) een cursus alcohol en verkeer: een Educatieve Maatregel alcohol en verkeer (EMA), is opgelegd.

Met het bestreden besluit van 4 november 2021 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij dat besluit gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het CBR.

Totstandkoming van het besluit

Feiten en omstandigheden

Op 10 mei 2021 is eiseres, na een eenzijdig ongeval, aangehouden wegens verdenking van het rijden onder invloed van alcohol.

Op 21 juni 2021 heeft het Openbaar Ministerie aan het CBR mededeling gedaan van het vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke dan wel geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven. Eiseres heeft op 10 mei 2021 onder invloed van alcohol gereden en een aanrijding veroorzaakt. Zij heeft een ademanalyse geweigerd.

Naar aanleiding van deze informatie heeft het CBR bij besluit van 3 juli 2021 aan eiseres een EMA opgelegd.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het CBR het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

3 juli 2021 ongegrond verklaard.

Het CBR stelt dat eiseres op 10 mei 2021 als bestuurder van een motorrijtuig heeft geweigerd om mee te werken aan een ademanalyse. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat eiseres, ondanks aanwijzingen van de verbalisant, te weinig lucht in het apparaat heeft geblazen waardoor het onderzoek niet kon worden voltooid, wat kan worden opgevat als het saboteren/weigeren van het ademalcoholonderzoek. Het CBR heeft daarom aan eiseres een EMA opgelegd.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij niet in staat was om te blazen, omdat achteraf is gebleken dat zij bij het ongeval haar borstbeen heeft gebroken, stelt het CBR voorop dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat eiseres op duidelijke ondubbelzinnige wijze heeft aangegeven dat zij vanwege bijzondere medische redenen geen medewerking heeft kunnen verlenen aan het ademalcoholonderzoek. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat degene die niet meewerkt zich niet achteraf kan beroepen op dergelijke redenen.

Het CBR ziet overigens geen reden om eiseres in haar stelling, dat zij niet kon blazen vanwege een borstbeenfractuur, te volgen. Een medisch adviseur van het CBR heeft de door eisers overgelegde medische stukken beoordeeld en aangegeven dat, omdat onduidelijk is wanneer de borstbeenfractuur is ontstaan, hij niet beoordelen of eiseres ten gevolge daarvan wel of niet in staat was om te blazen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat eiseres na het ongeval op 10 mei 2021 door het ambulancepersoneel is onderzocht. Die zag na medische controle geen aanleiding om eiseres mee te nemen naar het ziekenhuis voor nader onderzoek.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij door de politierechter is vrijgesproken van rijden onder invloed en van de weigering een alcoholtest te ondergaan, stelt het CBR dat met die vrijspraak niet de wettelijke grondslag voor de EMA komt te vervallen. Het CBR stelt dat boven redelijke twijfel is komen vast te staan dat eiseres het ademalcoholonderzoek heeft geweigerd, zodat hij op grond van de dwingendrechtelijke regelgeving gehouden was een EMA op te leggen.

Beroepsgronden

Eiseres betwist dat zij een onderzoek heeft geweigerd. Zij stelt dat zij niet in staat was om te blazen, omdat haar borstbeen gescheurd is bij het ongeluk op 10 mei 2021. Eiseres is om die reden ook door de politierechter vrijgesproken van rijden onder invloed en het weigeren van een blaastest.

Omdat de blaastesten niet lukten, heeft eiseres aangedrongen op een bloedtest. Dat niet is voldaan aan dat verzoek mag haar niet worden aangerekend.

Eiseres stelt voorts dat het CBR de door haar overgelegde medische informatie niet juist heeft beoordeeld. Uit die informatie blijkt dat de borstbeenfractuur eerder dan 12 juni 2021 is ontstaan.

Volgens eiseres drinkt zij zelden of nooit en zeker niet teveel als zij aan het verkeer moet deelnemen. Zij heeft op dit moment moeite om financieel rond te komen; zij heeft veel kosten na een scheiding. Toch heeft eiseres de kosten van de EMA betaald, omdat zij niet in gebreke wil zijn.

Juridisch kader

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het CBR op goede gronden aan eiseres een EMA heeft opgelegd.

Het CBR heeft aan eiseres een EMA opgelegd, omdat zij heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse. Het CBR heeft dit standpunt gebaseerd op processen-verbaal van de politie.

In het proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2021 is onder meer vermeld:

Ik nam een voorlopige ademtest af bij [naam eiseres] . Dit moment was om 16.00 uur. Na twee pogingen weigerde ze enige medewerking. Echter was ze niet tot rede vatbaar om enige medewerking te verlenen, evenmin na vordering. (…) Na aankomst aan team [naam team] werd na technische oponthoud vanwege foutieve inlogpogingen een tweetal afnames aan het ademanalyse apparaat verricht om 16:56 uur en 17:06 uur. In beide afnames waren de eerste blaaspogingen geregistreerd en de opvolgende blaaspogingen als foutief gemarkeerd. Dit was waarneembaar op het display van het ademanalyseapparaat. De grafiek van de ingeblazen lucht steeg bij aanvang maar daalde gedurende het blazen onder het minimum benodigde luchthoeveelheid voor een meting. Deze grafiek daalde ten opzichte van de referentiegrafiek die eveneens op de display zichtbaar was. Herhaaldelijk is [naam eiseres] uitleg gegeven om correct te blazen. Gedurende het verblijf aan team [naam team] hoorde ik [naam eiseres] herhaaldelijk zeggen dat ze de nacht ervoor veel wijn had gedronken en dat mogelijk wel zou blijken uit de blaasresultaten. Ik hoorde haar tevens zeggen ze niet de voorlopige ademtest weigerde maar dat het blazen gewoon niet lukte.’

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 10 mei 2021 heeft eiseres erkend dat zij heeft gedronken, een groot glas wijn. Zij betwiste echter dat zij niet heeft meegewerkt aan een blaastest. Volgens eiseres heeft zij gewoon meegewerkt. Op de vraag waarom eiseres op het politiebureau weer medewerking weigerde antwoorde eiseres: ‘Weet ik niet, ik blies te hard of te langzaam of te kort. Daarom zei ik neem mij maar mee doe maar een bloedtest ofzo. Op het grote apparaat lukte het ook niet.’

In het proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2021 heeft de verbalisant aanvullend verklaard:

‘In aanwezigheid van politieambtenaar … is door mij verbalisant … de ademanalyse proces afgenomen. (…) lukte de eerste blaaspoging van beide afnames zonder enige hinder. Er is lang genoeg met voldoende hoeveelheid lucht geblazen om een uitslag uitgedrukt in volume lucht en aantal µg/l te meten. Deze resultaten werden op een correcte manier door verdachte [naam eiseres] uitgevoerd. Daarna blies verdachte [naam eiseres] in beide afnames alle blaaspogingen incorrect. Op de print is te lezen dat de incorrecte blaaspogingen significant veel minder lucht bevatte dan de blaaspogingen bij aanvang van elke afname. (…) Gedurende de ademanalyse is verdachte [naam eiseres] door mij bij elke incorrecte blaaspoging verteld de ze onvoldoende lucht inblies om zo een positief resultaat te kunnen behalen. Ik heb verdachte [naam eiseres] meerdere keren te kennen gegeven dat het ongeloofwaardig was dat ze voldoende lucht inblies. Op een gegeven moment vertelde ik verdachte [naam eiseres] dat de eerste blaaspogingen goed waren verlopen bij beide afnames. Ik vertelde haar dat ze met haar gedrag door te weinig lucht te blazen de ademanalyse saboteerde. Er resteerde nog twee blaaspogingen en ik verzocht haar correct te blazen om zo tot een positieve uitslag te resulteren. Echter werden de resterende blaaspogingen door verdachte [naam eiseres] met te weinig ingeblazen lucht voltooid. Verdachte [naam eiseres] bood aan dat we bloedafname mochten verrichten. Hierop heb ik geantwoord dat het lang niet zover was en zou komen.’

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) volgt dat het CBR in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.1

Eiseres betwist dat zij heeft geweigerd om mee te werken aan een blaastest. Zij stelt dat zij door een later gebleken borstbeenfractuur daartoe niet in staat was. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische informatie overgelegd van de Spoedeisende Hulp van het [naam ziekenhuis] ( [naam ziekenhuis] ) van 12 juni 2021.

De medisch adviseur van het CBR heeft deze informatie beoordeeld. Hij geeft aan dat hij op basis daarvan geen uitspraak kan doen. Uit de stukken blijkt dat eiseres op

12 juni 2021 op de spoedeisende hulp is geweest in verband met een val. Het is dus volgens de medisch adviseur mogelijk dat die letsels, inclusief het mogelijke borstbeenfractuur, later is ontstaan en niet ten gevolge van het auto-ongeval op 10 mei 2021. In ieder geval is eiseres op 10 mei 2021 niet op de spoedeisende hulp geweest. De medisch adviseur stelt dat niet duidelijk is wanneer de klachten zijn ontstaan en hij daarom niet kan beoordelen of eiseres ten gevolge daarvan wel of niet in staat was om te blazen.

De rechtbank is van oordeel dat deze reactie van de medisch adviseur en de informatie van het [naam ziekenhuis] niet uitsluit dat eiseres het borstbeenfractuur wel op 10 mei 2021 heeft opgelopen. Dat sluit evenmin uit dat, alhoewel eiseres op 10 mei 2021 twee keer goed heeft geblazen, zij als gevolg van die fractuur toen niet in staat was om tot een voldoende aantal geslaagde blaaspogingen te komen. Aanwijzing dat daarvan sprake kan zijn geweest, kan worden gevonden in de processen-verbaal, waaruit blijkt dat eiseres heeft aangegeven dat zij de ademtest niet weigerde maar dat het blazen gewoon niet lukte en dat zij aanbood een bloedtest te ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseres onder deze omstandigheden het voordeel van de twijfel te worden gegund.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voor het standpunt van het CBR, dat eiseres heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse, onvoldoende grond bestaat. Het besluit van het CBR tot oplegging van een EMA aan eiseres, om die reden, houdt dan ook geen stand.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en herroept het besluit van 3 juli 2021. Dat betekent dat de aan eiseres opgelegde EMA is komen te vervallen.

Omdat het beroep gegrond is moet het CBR het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 november 2021;

- herroept het besluit van 3 juli 2021;

- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 181,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 5 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 8

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 132a

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel 11

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

e. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

B. Geschiktheid

III. Drogerende stoffen

Alcohol

d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

1 bijvoorbeeld de uitspraken van de AbRS van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:855 en 854) en 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3715)