Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4416

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_4233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/4233 WW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV)

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering een uitkering ingevolge de Werkeloosheidswet (WW) aan hem uit te betalen. Met het besluit van 29 maart 2021 heeft het UWV de uitkering met ingang van 1 februari 2021 blijvend en geheel geweigerd omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.

1.1

Met het bestreden besluit van 31 augustus 2021 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.

1.2

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de weigering tot uitbetaling van een WW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het UWV heeft terecht geweigerd om een WW-uitkering aan eiser uit te betalen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.1

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Aan eiser is vanaf 1 juni 2020 een WW-uitkering toegekend.

Eiser werkte voorheen in de functie van monteur elektrische apparaten en koppeldozen bij [naam bedrijf] via uitzendbureau [naam uitzendbureau] . Als gevolg van de coronacrisis liep het werk in de werkplaats snel terug en is zijn contract niet verlengd.

Vanaf 14 december 2020 werkte eiser als mechanisch monteur bij [naam bedrijf] ook via [naam uitzendbureau] . Met ingang van 15 januari 2021 is eiser gestopt met zijn werkzaamheden.

Eiser heeft op 15 maart 2021 zijn WW-uitkering opnieuw aangevraagd.

Op 17 maart 2021 heeft [naam medewerker UWV] , medewerker van het UWV, telefonisch contact gezocht met eiser en met hem gesproken over zijn ontslagsituatie.

Op 18 maart 2021 heeft [naam medewerker UWV] opnieuw telefonisch contact gezocht met eiser en met hem gesproken over het contact dat eiser met het UWV zou hebben gehad op 31 december 2021 en correspondentie die eiser met [naam uitzendbureau] zou hebben gevoerd over zijn ontslagsituatie.

Diezelfde dag, op 18 maart 2021, heeft [naam medewerker UWV] telefonisch contact gezocht met

[medewerker uitzendbureau] , medewerker van [naam uitzendbureau] , om meer duidelijkheid te krijgen over eisers ontslagsituatie. Blijkens de daarvan opgestelde telefoonnotitie heeft [naam uitzendbureau] eiser een zogenoemde plaatsingsbevestiging gegeven. Als daartegen niet binnen vijf dagen bezwaar wordt gemaakt, dan is het geaccepteerd. Eiser heeft niets laten weten. Het ging om een Fase A contract als mechanisch monteur. Zijn salaris was € 15,47 per uur. Van januari tot juli 2020 werkte eiser als elektromonteur met een salaris van € 15,01 per uur. Eiser heeft contact gehad met ‘ [naam intercedent van uitzendbureau] ’ (intercedent van [naam uitzendbureau] ) en heeft aangegeven een hoger salaris te willen. [naam uitzendbureau] heeft dit geweigerd omdat er niet te onderhandelen is als er al een plaatsingsbevestiging is.

Op 23 maart 2021 heeft [naam medewerker UWV] opnieuw telefonisch contact gezocht met eiser en met hem gesproken over de plaatsingsbevestiging. In antwoord op de vraag waarom eiser niet een andere baan ging zoeken naast zijn dienstverband in plaats van ontslag te nemen, gaf eiser aan dat het een principekwestie was en dat hij zich heel slecht behandeld voelde.

Op 26 maart 2021 heeft [naam medewerker UWV] vervolgens telefonisch contact gezocht met ‘ [naam intercedent van uitzendbureau] ’. Blijkens de daarvan opgestelde telefoonnotitie was zij de contactpersoon van eiser bij [naam uitzendbureau] . Zij geeft aan dat van tevoren duidelijk gecommuniceerd is dat eiser als mechanisch monteur ging werken. Ze waren echt tevreden over hem als monteur. Hij kan zo terugkomen. Er was geen einddatum bepaald. Er was voldoende werk dus de opdracht kon in principe oneindig duren.

Blijkens een interne memo van [naam medewerker UWV] van 26 maart 2021 is er telefonisch contact geweest met collega [naam collega] en is er onderzoek gedaan naar zijn notities.

In het besluit van 29 maart 2021 heeft het UWV bepaald dat eiser voldoet aan alle voorwaarden voor het recht op voortzetting van zijn WW-uitkering. De uitkering kan echter met ingang van 1 februari 2021 niet worden uitbetaald omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser heeft namelijk ontslag genomen terwijl er redelijkerwijs van hem verwacht kon worden dat hij was blijven werken. De door eiser aangevoerde reden dat hij als mechanisch monteur een te laag salaris ontving, levert uit het oogpunt van de werkloosheidsverzekering onvoldoende bezwaar op. Er zijn geen feiten en omstandigheden aan te wijzen die in eisers situatie tot verminderde verwijtbaarheid leiden.

5. De werknemer moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt.1 De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als het dienstverband is beëindigd door of op verzoek van de werknemer en aan de voortzetting van het dienstverband niet zodanige bezwaren waren verbonden, waardoor voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.2 In dit geval wordt de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd, tenzij het de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij verwijtbaar werkloos is geworden.3 Omdat het hier gaat om een belastend besluit, is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid.

Is er sprake van verwijtbare werkloosheid?

6. Eiser betoogt dat hij door [naam uitzendbureau] niet op een eerlijke manier en niet respectvol is behandeld. Eiser heeft, via [naam uitzendbureau] , gesolliciteerd op de functie van elektromonteur bij de [naam bedrijf] . Bij de eerste betaling komt eiser erachter dat hij als mechanisch monteur ingeschaald is en een lager salaris ontvangt dan was afgesproken. Meerdere pogingen om een constructief gesprek met [naam uitzendbureau] te voeren hebben niets opgeleverd. Eiser vindt dat hem geen verwijt treft.

6.1

Het UWV stelt zich op het standpunt dat er in eisers situatie geen sprake is van een dringende reden om ontslag te nemen. Het UWV vindt dat eiser daarom verwijtbaar werkloos is. In het contract/plaatsingsbewijs dat eiser van [naam uitzendbureau] heeft ontvangen staat dat hij aangesteld is als mechanisch monteur voor een uurloon van € 15,47. Het UWV mag redelijkerwijs van eiser verwachten dat hij voor aanvang van zijn nieuwe baan het contract/plaatsingsbewijs goed doorleest. Als eiser dit had gedaan, dan had hij gelezen voor welke functie hij was aangenomen en wat het bijbehorende uurloon was. Eiser had daarna in gesprek kunnen gaan met [naam uitzendbureau] . Bovendien is het verschil in uurloon niet erg groot en daarmee onvoldoende reden om ontslag te nemen.

6.2

Eiser wijst erop dat hij geen contract met [naam uitzendbureau] heeft ondertekend. Voor zover eiser hiermee heeft bedoeld te stellen dat er geen sprake was van een dienstverband, slaagt dit betoog niet. Er is sprake van een dienstverband indien er sprake is van arbeid, welke wordt verricht tegen betaling van loon en waarbij tevens sprake is van een gezagsverhouding tussen de werkgever en degene die de arbeid verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarden voldaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er sprake was van een dienstverband.

6.3

Tussen partijen is niet in geschil dat het dienstverband is beëindigd door of op verzoek van eiser oftewel dat hij zelf ontslag heeft genomen.

6.3.1

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet, ingeval de werknemer zelf ontslag neemt, de daarop volgende werkloosheid in beginsel als verwijtbaar worden beschouwd, tenzij er sprake is van omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen, waarbij onder meer te denken valt aan situaties waarin het ontslagverzoek is terug te voeren op een acute noodzaak daartoe.4

6.3.2

De rechtbank volgt het UWV in zijn standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die een uitzondering op het onder 6.3.1 genoemde uitgangspunt rechtvaardigen. Niet gebleken is dat de arbeidsverhouding tussen eiser en [naam uitzendbureau] zodanig was verstoord dat herstel van die verhouding geen reële mogelijkheid meer was. Maar zelfs al zou dat het geval zijn, dan betekent dit niet dat vanuit een oogpunt van toepassing van de WW voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser naar aanleiding van de plaatsingsbevestiging in gesprek kunnen en moeten gaan (en blijven) met [naam uitzendbureau] , zeker nu het verschil in uurloon niet groot was en [naam uitzendbureau] tevreden was over hem als monteur. Dat eiser, naar eigen zeggen, de plaatsingsbevestiging - waarin stond dat hij ingeschaald is als mechanisch monteur - voor aanvang van zijn werkzaamheden niet heeft gelezen, dient voor rekening en risico van eiser te blijven. Bovendien had eiser werk dat hij graag doet. In die situatie mag van eiser verwacht worden dat hij zijn principes aan de kant zet, in elk geval totdat hij werk in een andere baan had gevonden. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

6.3.3

Eiser stelt dat hij van iemand van het UWV, mogelijk van [naam collega] , te horen heeft gekregen dat hij zonder negatieve consequenties kon stoppen met zijn werkzaamheden. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit beroep niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er door of namens het UWV een uitlating is gedaan die kan worden gekwalificeerd als een toezegging voor het behoud van uitkering bij het nemen van ontslag. Sterker nog, uit het onderzoek is gebleken dat [naam collega] géén toestemming heeft gegeven voor het nemen van ontslag met behoud van uitkering. Reeds hierom kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

6.3.4

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser een verwijt kan worden gemaakt dat hij werkeloos is geworden. Op grond van het eigen beleid van het UWV is de hoofdregel dat bij verwijtbare werkloosheid door het UWV een blijvend gehele weigering wordt opgelegd of een verlaging van de uitkering tot 35% gedurende (maximaal) 26 weken (bij verminderde verwijtbaarheid).6 Niet gebleken is dat er, in het geval van eiser, sprake is van een verminderde verwijtbaarheid. Het UWV heeft daarom terecht eisers uitkering met ingang van 1 februari 2021 blijvend en geheel geweigerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 2 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Werkeloosheidswet

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Werkeloosheidswet bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

In het tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Artikel 27, eerste lid, van de Werkeloosheidswet bepaalt dat het UWV blijvend een bedrag op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.

1 Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW

2 Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW

3 Artikel 27, eerste lid, van de WW

4 bijvoorbeeld CRvB 2 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7681 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2008:BD7681

5 ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128

6 Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006