Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4415

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
AWB- 21_3244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

21/3244

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/3244


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [plaats ] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Ergec ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda

(gemachtigde: mr. J.M.N. Packbier).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van eisers recht op een uitkering voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Met het besluit van 28 december 2020 heeft het college eisers recht op een IOAW-uitkering over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2020 herzien omdat eiser zich niet zou hebben gehouden aan de inlichtingenverplichting. Eiser zou hierdoor over deze periode teveel uitkering hebben ontvangen. Het teveel ontvangen bedrag van € 3.047,75 is bij hetzelfde besluit teruggevorderd.

1.1

Met het bestreden besluit van 7 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de herziening en terugvordering gebleven. Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Sociaal Domein, besloten eisers bezwaarschrift ongegrond te verklaren. De hoogte van de terugvordering zal als gevolg van een kennelijke schrijffout met € 120,- worden verlaagd. De vordering is daarom vastgesteld op € 2.827,75 en specifiek over 2017 € 848,75 in plaats van € 1.068,75.

1.2

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3

Eiser heeft bij brief van 7 juli 2022 nadere stukken ingediend.

1.4

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de herziening en terugvordering ven eisers recht op een IOAW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft terecht eisers recht op een IOAW-uitkering voor de kosten van levensonderhoud herzien en de teveel verstrekte uitkering teruggevorderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.1

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Eiser ontvangt sinds 14 juni 2013 een IOAW-uitkering naar de norm van een alleenstaande.

Een ambtenaar van het team Juridische Zaken & Naleving van de gemeente [plaats ] is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkering. De aanleiding hiervoor was de ontvangst door de gemeente van een visitekaartje met de naam van eiser, zijn adres en telefoonnummer erop. Op het kaartje staat vermeld dat eiser graag oud ijzer komt ophalen bij mensen. Gedurende het onderzoek werd besloten om eiser uit te nodigen voor een gesprek omtrent zijn inkomsten uit arbeid, met het verzoek om bankafschriften mee te nemen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020, waarbij eiser bankafschriften over de periode van 1 juli 2020 tot en met 24 oktober 2020 heeft overgelegd. Op de overgelegde bankafschriften stonden betalingen aan Marktplaats vermeld, waarna gegevens zijn gevorderd bij Marktplaats over alle advertenties van eiser. Na bestudering van de verkregen gegevens, waaruit zou blijken dat eiser fietsen aanbiedt op internet, werd besloten om eiser nogmaals uit te nodigen om hem te vragen naar de handel in fietsen en om zijn PayPal rekening te tonen, met het verzoek om bankafschriften van de PayPal rekening en de volledige administratie van de in en verkoop van fietsen vanaf 2013 tot en met heden mee te nemen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 10 november 2020, waarbij eiser gegevens van zijn PayPal account heeft getoond. Eiser heeft tijdens dit gesprek onder meer verklaard dat hij fietsen via Marktplaats heeft verkocht. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 november 2020.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 december 2020 eisers recht op uitkering over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2020 te herzien en de teveel ontvangen uitkering van eiser terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiser heeft nagelaten de inkomsten uit de structurele verkoop van fietsen door te geven. Hierdoor heeft eiser de inlichtingenverplichting geschonden. Er is uitgegaan van 75% van de vraagprijs als verkoopprijs. In bezwaar is dit voor de maand november 2017 gecorrigeerd.

Heeft eiser inkomsten uit de verkoop van fietsen?

5. Eiser betoogt dat het college de geschatte opbrengst uit verkoop niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast stelt eiser dat er sprake is van herhaalde of dubbele boeking van advertenties. Het gaat om fietsen die eiser zelf opknapte, waarbij hij ook kosten heeft gemaakt. De fietsen vertegenwoordigden een zeer kleine waarde. Eiser betoogt verder dat het college het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden door niet in overleg te treden met Marktplaats om een juiste weergave van advertenties te achterhalen.

5.1

Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van op geld waardeerbare arbeid en dat het aan eiser is om middels een deugdelijke en verifieerbare boekhouding inzage te verstrekken in zijn inkomsten. Doordat het college alsnog is overgegaan op het schattenderwijs vaststellen van de inkomsten op 75% per fiets, is eiser niet benadeeld.

5.2

Niet in geschil is dat eiser in de te beoordelen periode fietsen via Marktplaats heeft verkocht en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

5.3

Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat hij daarvan geen melding hoefde te maken omdat het incidentele verkoop van privégoederen was, slaagt deze beroepsgrond niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

5.3.1

Voor ontvangers van een uitkering op grond van de IOAW is het niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen inkomsten tijdig melding wordt gemaakt bij de instantie die de uitkering verstrekt. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling hoeft te worden gedaan.1

5.3.2

Uit de door Marktplaats verstrekte gegevens blijkt dat eiser sinds 2017 handelt op Marktplaats en in de jaren 2017 tot en met 2020 in totaal 83 advertenties omtrent de verkoop van fietsen heeft geplaatst. Dit is door eiser niet ontkend.

5.3.3

Het aantal advertenties duidt erop - anders dan eiser heeft aangevoerd - dat het niet om incidenteel hobbymatige verkoop ging. Eiser heeft in de advertenties fietsen te koop aangeboden, met vraagprijzen variërend tussen € 25,- en € 735,- (totaal). Dit is door eiser niet ontkend. Sterker nog, eiser heeft tegenover de rapporteur en ook op de zitting verklaard over hoe hij aan de fietsen is gekomen. Eiser heeft alle fietsen gekregen of gevonden en dus geen enkele fiets gekocht, de fietsen zelf gerepareerd en vervolgens te koop aangeboden. Eiser heeft verder tegenover de rapporteur verklaard dat hij de vraagprijs van de fietsen niet kreeg, maar dat mensen een bod deden en dat hij er dan een lagere prijs voor kreeg. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij tevreden was als hij € 50,- kreeg voor een fiets die hij voor € 75,- te koop had aangeboden.

5.3.4

Gelet op de aard, de regelmaat en het grote aantal advertenties in combinatie met de eigen verklaring van eiser, ging het niet om incidenteel hobbymatige verkoop, maar moeten de verkoopactiviteiten worden aangemerkt als handel. Dat mogelijk deels sprake is geweest van herhaalde advertenties, maakt, gelet op het aantal advertenties, niet dat het gaat om incidenteel hobbymatige verkoop. Die herhaling past juist bij handel.2

5.4

Het had voor eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn verkoopactiviteiten op Marktplaats van invloed kunnen zijn op het recht op IOAW-uitkering. Doordat hij deze activiteiten en de daaruit verkregen inkomsten niet heeft gemeld aan het college, heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht3 geschonden.4

5.5

Het uit eigen beweging en onverwijld verstrekken van inlichtingen is, zoals volgt uit vaste rechtspraak5, een objectief geformuleerde verplichting. Dit betekent dat de vraag of eiser bewust de informatie voor het college heeft willen achterhouden en/of eiser van de schending van de inlichtingenverplichting een verwijt kan worden gemaakt, geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of eiser zijn verkoopactiviteiten had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dit is het geval.

5.6

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de IOAW-uitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Ook kan ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting komen vast te staan dat de betrokkene geen recht heeft (gehad) op (volledige) uitkering. Ook dat vormt een grondslag om de IOAW-uitkering te herzien dan wel in te trekken. Een herzienings- of intrekkingsbesluit (en ook het mogelijk daarop volgende terugvorderingsbesluit) is een belastend besluit. De bewijslast bij belastende besluiten ligt bij het bestuursorgaan. In die zin is het aan het bestuursorgaan om de schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van het niet melden van de voor de uitkering relevante feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Indien het bestuursorgaan hierin slaagt, is het vervolgens aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende IOAW-uitkering zou hebben gehad.6

5.7

Nu de schending van de inlichtingenverplichting is komen vast te staan, is het aan eiser om aannemelijk maken dat hij, indien hij vanaf het begin wel zijn inlichtingenverplichting zou zijn nagekomen, recht zou hebben gehad op volledige IOAW-uitkering. Eiser is niet in zijn bewijslast geslaagd. Daartoe is het volgende van betekenis.

5.7.1

Bij gebreke aan een deugdelijke boekhouding heeft het college ervoor gekozen om het recht op uitkering schattenderwijs vast te stellen en vervolgens te herzien in plaats van in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat het college het recht op uitkering schattenderwijs heeft kunnen vaststellen door (gelijk aan het [plaats ] beleid met betrekking tot de waardebepaling van auto’s) 75% te nemen van de vraagprijs van de fietsen en dit in mindering te brengen op de IOAW-uitkering van eiser als zijnde inkomsten. Het gaat om een bedrag van € 2.827,75. Anders dan eiser heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het college dit bedrag goed heeft onderbouwd.

5.7.2

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij minder aan inkomsten heeft ontvangen uit zijn handelsactiviteiten. Vaststaat dat hij van de in en verkoop geen deugdelijke administratie of boekhouding heeft bijgehouden. Ook in aanloop naar en tijdens de zitting in beroep heeft eiser geen volledig en verifieerbaar beeld van de verkopen en opbrengsten uit zijn handelsactiviteiten kunnen geven. Eiser heeft verder zijn stelling dat hij kosten heeft gemaakt voor het opknappen van de fietsen, op geen enkele wijze nader onderbouwd. Ook de stelling van eiser dat de fietsen een zeer kleine waarde vertegenwoordigden treft geen doel omdat het niet om incidentele verkoop ging.

5.8

In het voorgaande ligt besloten dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte IOAW-uitkering. Van strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel is dus geen sprake. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

5.9

Gelet op hetgeen onder 5.2 tot en met 5.8 is overwogen was het college gehouden om eisers recht op een uitkering over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2020 te herzien.7 Hierdoor was het college ook verplicht om het teveel ontvangen bedrag van eiser terug te vorderen.8

Is er sprake van dringende redenen?

6. Eiser betoogt dat er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Eiser dient gebruik te maken van de voedselbank. Er wordt reeds een bedrag ingehouden op zijn uitkering. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn auto onlangs in brand is gestoken en sindsdien total loss is, dat hij onlangs is opgelicht bij een online [naam spel] spel en dat zijn scooter enkele dagen geleden kapot is gegaan.

6.1

Het college stelt zich op het standpunt dat de door eiser op de zitting geschetste omstandigheden triest zijn, maar geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Er is rekening gehouden met de beslagvrije voet. Het college merkt op dat het eiser vrijstaat om extra inkomen te generen - dit wordt zelfs gewaardeerd door het college -, maar dat hij dit dan wel van tevoren met het college moet overleggen.

6.2

Met betrekking tot terugvordering heeft het college beleid ontwikkeld. Uitgangspunt in dit beleid is dat het college verplicht is om ten onrechte verleende uitkering als gevolg van de schending inlichtingenplicht terug te vorderen. Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe naar het oordeel van het college een dringende reden aanwezig is.9 Verplichte terugvordering maakt dat niet op grond van bijzondere omstandigheden van terugvordering kan worden afgezien. Voor zover een betrokkene een beroep doet op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, kunnen die slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat het college terecht stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële gevolgen heeft.10 Het college heeft verder zijn beleid consistent toegepast en daarbij rekening gehouden met de beslagvrije voet.

6.4

Uit het voorgaande volgt dat het college terecht het teveel ontvangen bedrag van € 2.827,75 van eiser heeft teruggevorderd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding?

7. Eiser betoogt dat als gevolg van zijn bezwaar het terugvorderingsbedrag is aangepast. Derhalve diende het bezwaar gegrond verklaard te worden ten aanzien van de terugvordering en diende een proceskostenvergoeding toegekend te worden in bezwaar.

7.1

Dit betoog slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de hoogte van de terugvordering als gevolg van een kennelijke schrijffout met € 120,- heeft verlaagd in november 2017 zijnde 75% van de vraagprijs in plaats van 100%. Uit de processtukken blijkt niet dat eiser op dit specifieke punt verweer heeft gevoerd. Bovendien is het niet aannemelijk dat eiser door aanpassing van het terugvorderingsbedrag is benadeeld. Sterker nog, het terugvorderingsbedrag is in zijn voordeel aangepast. Daarom heeft het college in het kader van de volledige heroverweging dit gebrek kunnen herstellen zonder aan eiser de proceskosten in bezwaar te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 2 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

Artikel 13, eerste lid

1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

(..)

Artikel 17, derde lid

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van de uitkering, dan wel trekt een besluit tot toekenning van de uitkering in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering kan het college een besluit tot toekenning van uitkering herzien of intrekken, indien een gedraging als bedoeld in artikel 20, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 25, eerste en zevende lid

1. Het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, vordert de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

(..)

7. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien.

Artikel 28, tweede lid

2. Indien degene van wie de uitkering op grond van artikel 25, eerste lid, wordt teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 20a en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 20a, vijfde lid, algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, verrekent het college die uitkering en bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering.

(..)

1 vergelijk CRvB 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097 en CRvB 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:939

2 vergelijk CRvB 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:939

3 neergelegd in artikel 13, eerste lid, van de IOAW

4 vergelijk CRvB 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:939

5 zie bijvoorbeeld CRvB 21 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2349

6 vergelijk CRvB 29 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:944 en CRvB 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:939

7 op grond van artikel 17, derde lid, van de IOAW

8 op grond van artikel 25, eerste lid, van de IOAW

9 artikel 3, aanhef en onder 3, van de Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ Breda 2016

10 vergelijk CRvB 24 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3055