Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4222

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2022
Datum publicatie
29-07-2022
Zaaknummer
02/322092-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing. Beide feiten gepleegd in woning van aangever. Eendaadse samenloop. Gevangenisstraf 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaar met aftrek voorarrest. Rekening gehouden met jonge leeftijd verdachte en geringere rol dan medeverdachte. Bijzondere voorwaarden. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/322092-21

vonnis van de meervoudige kamer van 29 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Torentijd te Middelburg,

bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2022, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is tevens de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] behandeld. Namens de benadeelde partij was mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen, ter zitting aanwezig om de vordering toe te lichten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenkingen komen er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich samen met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld (feit 1) en aan afpersing (feit 2).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie gaat daarbij uit van de juistheid van de verklaring van aangever [benadeelde partij] (hierna: aangever) aangezien deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen uit het dossier. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat verdachte en medeverdachte de woning van aangever zijn binnengegaan en dat de medeverdachte aangever vervolgens heeft geduwd, geslagen en hem een kopstoot heeft gegeven. Verdachte legde ondertussen meerdere goederen van aangever in een doos. Vervolgens is aangever door verdachte gedwongen zijn telefoon af te geven en te ontgrendelen. Aangever wordt tot slot nog bedreigd waarna verdachte en de medeverdachte met de goederen van aangever vertrekken. Dit alles heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een diefstal met geweld uit een woning. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt tevens dat er sprake was van een gezamenlijke uitvoering en dat deze van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte was samen met de medeverdachte in de woning aanwezig, maar hij heeft zelf geen geweld gebruikt en had niet verwacht dat de situatie zo zou escaleren. Er was van tevoren geen plan om geweld te gebruiken en ook niet om goederen weg te nemen. Er kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er goederen zijn weggenomen en er dient dan ook vrijspraak te volgen voor feit 1. Subsidiair moet er in ieder geval vrijspraak volgen voor de goederen die naderhand niet te koop zijn aangeboden en waar aangever pas later een verklaring over heeft afgelegd.

Ook voor feit 2 dient vrijspraak te volgen. Verdachte heeft geen geweld gebruikt en ook geen bedreigingen geuit. Er bestaat ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat aangever zijn telefoon moest afgeven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 20 november 2021 omstreeks 21:20 uur ontvingen verbalisanten een melding dat er een woningoverval zou hebben plaatsgevonden op [adres] . Aangever werd in de woning van zijn buurman aangetroffen. Aangever heeft diezelfde dag aangifte gedaan en deze aangifte een dag later aangevuld. Uit zijn verklaringen volgt – kort gezegd – dat er omstreeks 21:00 uur op de deur van zijn woning werd geklopt. Voor de deur zag hij twee mannen staan. Één van deze twee mannen herkende aangever als de medeverdachte. Achteraf is gebleken dat verdachte de andere man was. Aangever heeft de deur geopend en de medeverdachte duwde aangever gelijk de gang door richting de keuken. In de keuken sloeg de medeverdachte aangever tegen zijn hoofd. Verdachte had ondertussen een kartonnen doos met boodschappen leeggemaakt en deed verschillende goederen van aangever in de doos. De medeverdachte bleef geweld uitoefenen op aangever. Hij zou aangever hebben geslagen en meerdere kopstoten hebben gegeven en ondertussen ook de kasten in de woonkamer hebben opengetrokken. Verdachte sloeg met het doosje van de telefoon tegen het hoofd van aangever en zei dat aangever zijn telefoon moest pakken en moest ontgrendelen. Op deze manier kon de telefoon worden gereset. Aangever heeft zijn code aangepast en de telefoon afgegeven aan verdachte. Kort voor vertrek heeft de medeverdachte nog tegen aangever gezegd: “Ga niet naar de politie want dan kom ik terug en steek ik je neer. Of ik stuur wat mensen.”. Verdachte zou nog hebben gezegd dat aangever de hond in de bench moest doen want anders zou hij hem doodsteken. Verdachte zou de doos met goederen hebben gepakt en samen met de medeverdachte de woning hebben verlaten. Aangever is vervolgens naar zijn buurman gegaan. Toen hij samen met zijn buurman terugkwam in zijn woning zag hij dat zijn Playstation, Nintendo en geld (400 euro contant) weg waren. Op 29 november 2021 heeft aangever aanvullend verklaard dat er nog meer goederen weg waren namelijk meerdere spellen voor de Playstation en Nintendo, een zonnebril, opladers, airpods, controllers en een headset.

Verdachte heeft verklaard dat hij op die avond samen met de medeverdachte in de woning van aangever is geweest. Het oorspronkelijke plan was dat ze aangever mee gingen vragen om uit te gaan. Ze hebben in de woning van aangever nog een joint gerookt. Uiteindelijk is de situatie geëscaleerd. Door de medeverdachte is wel een klap aan aangever gegeven, maar verdachte heeft zelf geen geweld gebruikt. Er zijn geen goederen meegenomen en ook is aangever niet onder geweld of bedreiging met geweld gedwongen tot het afgeven van zijn telefoon.

De rechtbank acht de verklaring van aangever in zijn geheel, dus ook voor wat betreft het meenemen van de goederen en de afgifte van de telefoon, betrouwbaar en zal deze verklaring dan ook als uitgangspunt nemen. Aangever heeft gedetailleerde en in hoofdlijnen consistente verklaringen afgelegd. Dat aangever op 29 november 2021 aanvullend heeft verklaard over de goederen die zijn meegenomen, maken zijn eerdere afgelegde verklaringen niet minder betrouwbaar. De eerste twee verklaringen van aangever zijn op de avond zelf en de volgende dag afgelegd. Het bevreemdt de rechtbank niet dat aangever in eerste instantie dacht enkele goederen te missen, maar er in de dagen daaropvolgend toch achter kwam dat er nog meer goederen waren meegenomen.

Voorts volgt de rechtbank ook de verklaring van aangever omdat zijn verklaring in belangrijke mate en op overtuigende wijze op verschillende punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen uit het dossier.

In de eerste plaats wordt de verklaring van aangever ondersteund door de verklaring van verdachte zelf dat hij en de medeverdachte in de woning van aangever zijn geweest en dat er door de medeverdachte geweld is gebruikt.

De rechtbank ziet daarnaast ook voldoende steunbewijs voor het meenemen van de goederen en het laten afgeven van de telefoon. De verbalisanten constateren dat er boodschappen op de grond lagen. De bevindingen van de verbalisanten sluiten aan bij de verklaring van aangever dat verdachte een doos met boodschappen heeft leeggegooid om daar de goederen van aangever in te leggen en mee te nemen. De verbalisanten hebben foto’s gemaakt van de woning van aangever en uit deze foto’s blijkt dat er meerdere kasten in de woonkamer van aangever openstonden, hetgeen eveneens aansluit bij zijn verklaring dat de medeverdachte meerdere kasten heeft opengetrokken. Verdachte ontkent dat dit is gebeurd, maar het alternatieve scenario zou zijn dat aangever zelf de goederen op de grond heeft gegooid en de kasten heeft opengetrokken om de betrokkenheid van met name de medeverdachte in scène te zetten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk gelet op het feit dat de verbalisanten kort na het incident ter plaatse zijn gekomen en aangever tot die tijd in bijzijn van zijn buurman is geweest.

De verklaring van getuige [getuige] is tevens ondersteunend aan de verklaring van aangever. Zij heeft - kort gezegd - verklaard dat ze die avond in de auto zat bij de vriendin van de medeverdachte en dat zij zag dat de medeverdachte en verdachte aan kwamen lopen naar de auto. De medeverdachte had een bak in zijn handen, die door hem in de kofferbak werd gezet. Dit ondersteunt de verklaring van aangever dat er een doos met goederen uit zijn woning werd meegenomen. Dat niet verdachte, zoals aangever heeft verklaard, maar de medeverdachte deze doos/bak vast had toen zij bij de auto kwamen, doet op zichzelf geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen. Vanaf de woning van aangever tot aan de auto van de medeverdachte kan de doos immers door de ander zijn overgenomen. Daarnaast heeft getuige [getuige] ook verklaard dat verdachte een Iphone en het doosje daarvan in zijn handen vasthield. De Iphone leek volgens getuige [getuige] nieuw omdat er een taal moest worden ingesteld. Dit komt ook overeen met de verklaring van aangever dat hij zijn code moest aanpassen zodat de telefoon gereset kon worden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier waaruit valt af te leiden dat getuige [getuige] op deze punten niet de waarheid heeft gesproken en een motief heeft gehad om verdachte dan wel de medeverdachte vals te beschuldigen.

Dat aangever zijn telefoon heeft moeten afgeven, blijkt ook uit het verrichte onderzoek aan de telefoon, die bij [naam 1] is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat deze telefoon niet van hem is, maar de rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de telefoon wel aan verdachte toebehoorde, dan wel dat hij in die periode de feitelijke gebruiker van het toestel was. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat met dat toestel in die periode meerdere keren is gebeld naar de moeder van verdachte, het feit dat het ingelogde Facebookaccount op de telefoon gekoppeld was aan het e-mailadres [e-mail] , de selfies van verdachte die op de telefoon zijn aangetroffen en het onderzoek naar de mastgegevens dat uitwijst dat de telefoon zich net na de woningoverval heeft verplaatst van Hulst naar Vlissingen, de plek waar verdachte woont.

Op deze telefoon van verdachte wordt een foto aangetroffen van een kapotte Iphone. Onderzoek aan het IMEI-nummer heeft uitgewezen dat de gefotografeerde telefoon de telefoon van aangever betreft. Deze foto is enkele uren na de woningoverval gemaakt. Op het ingelogde Facebook-account op de telefoon van verdachte wordt de weggenomen telefoon van aangever via een advertentie aangeboden. Dit Facebook-account staat op naam van [naam 2] maar is zoals hierboven vermeld gekoppeld aan het e-mailadres [e-mail] en de politie heeft vastgesteld dat de gebruikte profielfoto niet overeenkomt met het uiterlijk van de persoon [naam 2] . Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte op de avond na de woningoverval een foto heeft gemaakt van de weggenomen telefoon van aangever en deze via een advertentie te koop heeft aangeboden op Facebook.

Op grond van de verklaring van aangever en de hiervoor genoemde ondersteunende bewijsmiddelen, kan volgens de rechtbank worden bewezen dat de medeverdachte de geweldshandelingen, zoals ten laste gelegd, heeft uitgeoefend op aangever en dat verdachte ondertussen de goederen van aangever, zoals ten laste gelegd, heeft gepakt en in een doos heeft gelegd. Vervolgens werd aangever door verdachte geslagen met het doosje van zijn telefoon en gedwongen tot het afgeven van zijn telefoon aan verdachte. Ook zijn er door zowel de medeverdachte als verdachte bedreigingen geuit. Daarna zijn verdachte en de medeverdachte met de goederen weggegaan. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gekwalificeerd kunnen worden als een diefstal met geweld en bedreiging met geweld (feit 1) en een afpersing (feit 2). De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte ten aanzien van beide feiten als medepleger dient te worden aangemerkt omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1
op 20 november 2021 te Hulst tezamen en in vereniging met een ander, een playstation PSP 4 en bijbehorende spellen en een Nintendo Switch en bijbehorende spellen en 400 euro en een zonnebril en opladers en airpods en controllers en headsets, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [benadeelde partij] te duwen en te slaan en een kopstoot te geven en te dreigen de hond van die [benadeelde partij] dood te steken en dreigend de woorden toe te voegen “Ga niet naar de politie want anders kom ik terug en steek je neer. Of ik stuur wat mensen”.

Feit 2
op 20 november 2021 te Hulst tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (Iphone), die aan die [benadeelde partij] toebehoorde door die [benadeelde partij] te duwen en te slaan en een kopstoot te geven en te dreigen de hond van die [benadeelde partij] dood te steken en dreigend de woorden toe te voegen “Ga niet naar de politie want anders kom ik terug en steek je neer. Of ik stuur wat mensen”.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan die voorwaardelijke straf moeten de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij de reclassering en het volgen van aanwijzingen van de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien er een bewezenverklaring volgt, heeft de verdediging verzocht om in het voordeel van verdachte rekening te houden met zijn jonge leeftijd en het soort woningoverval. Er is geen sprake geweest van een wapen of een professionele werkwijze. Verdachte heeft geen recidive voor deze feiten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest is passend. Daarnaast kan een forse voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan verbonden de meldplicht, de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod met aangever en een locatieverbod met betrekking tot Zeeuws-Vlaanderen. Ook met andere voorwaarden het gedrag betreffende kan verdachte instemmen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. Verdachte is samen met de medeverdachte op 20 november 2021 naar de woning van aangever gegaan. Zij hebben aangebeld en nadat de aangever de deur opendeed begon de medeverdachte direct met het uitoefenen van geweld. Aangever is door de medeverdachte geduwd, geslagen en aangever heeft meerdere kopstoten gekregen. Ondertussen was verdachte bezig met de goederen van aangever. Deze legde hij in een door hem, verdachte, leeggemaakte doos. Verdachte heeft aangever vervolgens geslagen met het doosje van de telefoon en gedwongen tot de afgifte van zijn telefoon. Ook zijn er door verdachte en de medeverdachte meerdere bedreigingen geuit. Verdachte en de medeverdachte hebben de woning met de goederen van aangever vervolgens verlaten. Aangever heeft aan het voorval lichamelijk en geestelijk letsel overgehouden.

De rechtbank tilt zwaar aan de bewezenverklaarde feiten. Het incident moet voor het slachtoffer een zeer schokkende en beangstigende ervaring zijn geweest. Een woning is bij uitstek een plek waar iemand zich veilig en geborgen zou moeten voelen en verdachte en de medeverdachte hebben op dit veiligheidsgevoel een grote inbreuk gemaakt. Uit het dossier en de ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat de woningoverval ook daadwerkelijk grote gevolgen heeft gehad voor aangever. Zo kampt aangever nog steeds met de gevolgen van het aan hem toegebrachte letsel. Tot op heden heeft aangever zijn reuk niet terug en hij staat hiervoor nog onder behandeling. Daarnaast heeft het voorval ook de nodige psychische gevolgen voor aangever met zich meegebracht. Aangever durfde lange tijd niet meer terug naar zijn woning en durfde ook niet alleen naar buiten. Hij was bang dat de medeverdachte en verdachte zouden terugkomen omdat hij aangifte had gedaan. Door alle lichamelijke en psychische gevolgen is aangever in de ziektewet terecht gekomen. Verdachte heeft in zijn geheel niet stilgestaan bij alle gevolgen voor het slachtoffer en heeft ook geen blijk gegeven respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de gevolgen die de woningoverval voor het slachtoffer heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende afdoening is.

De rechtbank houdt bij de oplegging van de straf rekening met de eendaadse samenloop tussen feit 1 en feit 2. In strafverhogende zin is meegenomen dat er sprake is van medeplegen.

In strafverlagende zin is rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank een andere (geringere) rol heeft gehad bij de woningoverval dan de medeverdachte. Hoewel verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor het geweld gepleegd door de medeverdachte, zal bij de strafmaat wel worden meegewogen dat het de medeverdachte is geweest die het meeste geweld heeft uitgeoefend. Daarnaast was de medeverdachte degene die de aangever kende en het lijkt erop dat hij de initiërende rol heeft gehad en dat verdachte zich heeft laten meeslepen. De reclassering concludeert in haar rapport dat verdachte de neiging heeft om antisociale gedragingen van personen uit de vriendengroep te volgen en zij verwijzen hiervoor naar een NIFP-rapportage die in 2015 over verdachte is opgesteld. De reclassering sluit niet uit dat dat ook in deze zaak aan de orde is geweest.

Uit het reclasseringsrapport blijkt daarnaast dat zij bij verdachte problemen zien op het gebied van huisvesting, financiën (in de vorm van gebrek een inkomen en schulden) en dagbesteding. Verdachte is al eerder veroordeeld voor strafbare feiten en de reclassering acht het zorgwekkend dat er een toename is te zien in de ernst van het delictgedrag. Daarnaast laat verdachte volgens de reclassering weinig motivatie zien in het vinden en behouden van werk. Er zijn door de reclassering geen beschermende factoren gevonden. De reclassering komt tot het advies om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Indien de strafeis van de officier van justitie zou worden gevolgd, zou dit in de praktijk betekenen dat verdachte langer in de gevangenis moet verblijven dan de medeverdachte aangezien hij dan in tegenstelling tot de medeverdachte, die een geheel onvoorwaardelijke straf opgelegd heeft gekregen, niet in aanmerking zou komen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Dit acht de rechtbank niet wenselijk gelet op hetgeen eerder is overwogen over de strafverlagende omstandigheden die ten opzichte van de medeverdachte niet gelden. De rechtbank komt dan ook tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar een passende en geboden straf is. Zij zal daaraan naast de algemene voorwaarde, inhoudende het niet plegen van strafbare feiten, de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht bij de reclassering en het zich houden aan aanwijzingen van de reclassering.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 3.696,40 voor feit 1 en feit 2. Dit bedrag bestaat voor € 1.196,40 uit materiële schade en voor € 2.500,00 uit immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in zoverre verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiele schadevergoeding

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.173,60. Dit bedrag bestaat uit de volgende bedragen:

  • -

    Nintendo Switch: € 328,00

  • -

    Playstation 4: € 200,00

  • -

    Spellen Nintendo Switch: € 270,00

  • -

    Spellen Playstation 4: € 225,00

  • -

    Reiskosten: € 150,60

Deze schade staat in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank schuift het verweer van de verdediging dat de schade voor wat betreft de spelcomputers en spellen moeten worden afgewezen omdat er geen facturen bijgevoegd zijn, terzijde. Namens de benadeelde partij is voldoende onderbouwd hoe duur de weggenomen spelcomputers en spellen zijn, waarbij telkens is uitgegaan van de laagste prijs.

De gevorderde reiskosten met betrekking tot het bezoeken van een advocaat ter hoogte van € 22,80 wijst de rechtbank af aangezien dergelijke kosten geen rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit zijn. De reiskosten naar de advocaat zijn wel kosten die als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen en deze zullen dus afzonderlijk worden toegewezen.

Immateriële schade

Namens de benadeelde partij is gesteld dat hij als gevolg van de feiten nadelige (psychische en lichamelijke) gevolgen heeft ondervonden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen. Hij heeft te kampen gehad met diverse kneuzingen en een gebroken neus waarvoor hij in behandeling is bij een KNO-arts. Nog steeds heeft de benadeelde partij zijn reuk niet terug en hiervoor staat hij nu onder behandeling bij het Universitair Ziekenhuis te Gent. Daarnaast is ook aangevoerd dat aangever psychische gevolgen aan de feiten heeft overgehouden.

De rechtbank is van oordeel dat het lichamelijke letsel dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte heeft opgelopen, zonder meer een grondslag vormt voor de toewijzing van zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is in zijn woning door verdachte en de medeverdachte overvallen waarbij geweld is gebruikt. Dat de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast acht de rechtbank dan ook volstrekt aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 2.500,00 in zijn geheel toewijzen, aangezien zij dit bedrag billijk acht.

Totale schade, wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 3.673,60. Daarbij bepaalt de rechtbank dat dit schadebedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met de medeverdachte heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de medeverdachte is betaald, en andersom.

Proceskosten en hoofdelijkheid

Zoals overwogen is de rechtbank van oordeel dat de reiskosten voor het bezoeken van de advocaat moeten worden aangemerkt als proceskosten. Deze reiskosten bedragen € 22,80.

Ook dit bedrag zal de rechtbank hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte de toegewezen proceskosten niet meer hoeft te betalen voor zover dat bedrag door de medeverdachte is betaald, en andersom.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van:

feit 1: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Vrijlandstraat 33 te Middelburg, telefoonnummer 088-8041505. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering.

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van

€ 3.673,60, waarvan € 1.173,60 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , € 3.673,60 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 46 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat verdachte met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de reiskosten naar zijn advocaat heeft gemaakt, te weten € 22,80;

- bepaalt dat verdachte met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de toegewezen proceskosten;

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en

mr. S.H. van Nieuwkerk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. de Haas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2022.

Mr. van Nieuwkerk en mr. De Haas zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.