Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4167

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-07-2022
Datum publicatie
02-08-2022
Zaaknummer
AWB- 22_3422 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting voor een periode van twee maanden - sluitingsduur beperkt tot één maand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/3422 VV

uitspraak van 26 juli 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. D. Marcus,

en

de burgemeester van Gilze en Rijen (de burgemeester), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Woonstichting Leystromen, te Rijen.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) van de burgemeester tot sluiting van de woning aan [adres] (hierna: de woning) voor een periode van twee maanden. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 juli 2022. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] . Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger derde partij] .

Feiten en omstandigheden

1. Verzoekster huurt de woning aan [adres] van Woonstichting Leystromen (derde partij, hierna: Leystromen).

Uit een Hennepinformatiebericht van de politie en een Controlerapport van de gemeente blijkt dat de politie tijdens een inval op 15 juni 2022 in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen.

Op de eerste verdieping van de woning zijn twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte 1 was een kweekbak gemaakt met daarin 28 volle plantenpotten met oogstrijpe planten. Er stonden ook 12 potten met afgeknipte stengels van hennepplanten en enkele lege plantenpotten. In totaal werden 35 hennepplanten aangetroffen. In kweekruimte 2 stond eveneens een kweekbak met daarin 110 oogstrijpe hennepplanten. Beide kweekruimten waren voorzien van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. De luchtverversing en luchtafvoer werden geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Voor het kweken van de hennepplanten werd gebruik gemaakt van speciaal verrijkte aarde/potgrond. In een andere ruimte op de eerste verdieping is tevens 385 gram gedroogde hennep aangetroffen. Er was sprake van diefstal van stroom.

Op 21 juni 2022 heeft de burgemeester aan Leystromen en verzoekster zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van twee maanden te sluiten. Op 29 juni 2022 heeft verzoekster telefonisch haar zienswijze kenbaar gemaakt.

De burgemeester heeft Leystromen en verzoekster bij het bestreden besluit op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet gelast om de woning te sluiten en gesloten te houden voor een periode van twee maanden met ingang van 18 juli 2022 (10.00 uur).

Verzoekster heeft daar bij brief van 8 juli 2022 bezwaar tegen gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter bij brief van dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Namens de burgemeester is op 11 juli 2022 per e-mail toegezegd dat de uitspraak van de voorzieningenrechter afgewacht wordt alvorens de woning wordt gesloten, onder de voorwaarde dat er op korte termijn een zitting zou worden gepland.

Standpunt van verzoekster

2. Verzoekster verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 20221 en 28 augustus 20192. Zij meent dat het besluit niet in stand kan blijven omdat de noodzaak tot sluiting ontbreekt. Er is nog geen sprake van een onherroepelijke veroordeling. De burgemeester stelt wel dat haar woning een rol speelt in drugshandel, maar er wordt geen bewijs ter onderbouwing van die stelling overgelegd. Het woon- en leefklimaat en de openbare orde zijn dan ook niet in geding. De burgemeester had kunnen volstaan met een waarschuwing.

Verder stelt verzoekster dat de sluitingsmaatregel buitenproportioneel is. Zij heeft geen groot sociaal netwerk waarop zij kan terugvallen. Als gevolg van de sluiting zal zij dakloos raken. Verzoekster heeft een schuld bij Enexis en ontvangt een WIA-uitkering. Zij is niet in staat vervangende woonruimte te bekostigen en heeft rust nodig gelet op haar medische situatie. Verzoekster overlegt een verklaring van haar huisarts waaruit blijkt dat het van belang is dat zij in de woning kan blijven wonen. Opvang bij Traverse zal nadelige gevolgen hebben gelet op haar verleden. Tot slot wijst verzoekster er op dat zij vrijwillig de huur van de woning per 15 augustus 2022 heeft opgezegd. De sluiting is dan ook niet evenredig, omdat deze geen doel meer dient. Verzoekster en Leystromen worden hierdoor onevenredig benadeeld.

Voorlopige voorziening

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Wettelijk kader

4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Overwegingen

De bevoegdheid van de burgemeester

5 De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit het Hennepinformatiebericht blijkt dat in de woning 385 gram gedroogde hennep en 145 hennepplanten zijn aangetroffen. Hennep is een middel als bedoeld in lijst II. De burgemeester mocht er gelet op die hoeveelheden vanuit gaan dat de aangetroffen drugs bestemd was voor drugshandel, zodat de burgemeester ook bevoegd was om de woning te sluiten.

Toepassing van de bevoegdheid

6.1

De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe het “Gewijzigd handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet 2019” vastgesteld. Het bestreden besluit is conform dat beleid: een sluiting voor de duur van twee maanden.

Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.

Aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht kan vormen – dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.

De voorzieningenrechter zal beoordelen of de burgemeester terecht tot sluiting van de woning heeft besloten en neemt daarbij de nieuwe maatstaf voor (de intensiteit van) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en het meer specifieke toetsingskader, zoals weergegeven in de uitspraken van de Afdeling waar verzoekster een beroep op doet, in acht.

Geschiktheid

6.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van een woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Het doel is het tenietdoen van de bekendheid van de woning als drugsadres en het voorkomen van herhaling van verstoring van de openbare orde en (verdere) aantasting van het woon- en leefklimaat. Zoals de burgemeester ter zitting heeft gesteld, kan er een belangrijke signaalfunctie uitgaan van de sluiting.

Noodzaak van de sluiting

6.3

Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Onder bepaalde omstandigheden is de noodzaak om tot sluiting over te gaan groter, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstelkarakter van de maatregel minder groot kan maken. Feitelijke handel in of vanuit de woning kan worden aangenomen op grond van het in de woning aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens.3

Verzoekster wijst erop dat er nog geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling, maar dat is in dit verband niet relevant. De maatregel van sluiting is immers gericht op de woning en niet op verzoekster.

De burgemeester stelt in het bestreden besluit dat de noodzaak tot sluiting groot is omdat sprake is van een ernstig geval vanwege de grote hoeveelheid hennepplanten en de professionaliteit van de hennepkwekerij. Desgevraagd werd ter zitting echter niet gesteld – en overigens is dat ook niet gebleken – dat er aanwijzingen zijn die er op duiden dat de hennep vanuit de woning verhandeld werd. In het Hennepinformatiebericht en het Controlerapport wordt geen melding gemaakt van ‘loop’ naar de woning of van overlastmeldingen. Ook blijkt uit deze stukken niet dat er bij de inval attributen zijn aangetroffen die duiden op feitelijke handel. De noodzaak tot sluiting is hierdoor minder groot. Voorts blijkt uit het Hennepinformatiebericht dat er aanwijzingen zijn dat er vanaf acht weken voor de inval sprake was van hennepteelt. Dat betekent dat, gelet op de gebruikelijke duur van hennepteelten, niet aannemelijk is dat de kwekerij eerdere oogsten heeft opgeleverd. Gelet op de omvang en professionaliteit van de kwekerij had de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet met een minder ingrijpend middel kunnen en moeten volstaan om de onder 6.2 genoemde doelen te bereiken.

Evenwichtigheid van de maatregel

6.4

In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat bij de beoordeling of de sluiting voldoende is afgestemd op de concrete situatie, verschillende omstandigheden van belang zijn. Een omstandigheid is de mate van verwijtbaarheid.

In het Controlerapport staat dat verzoekster na de inval in de woning heeft verklaard veel schulden te hebben, onder andere door vrienden geld te lenen voor een uitvaart in Turkije. Bij haar zienswijze heeft zij echter verklaard dat derden haar hond hebben meegenomen en dat zij deze pas terug krijgt na betaling van € 5.000 euro. Dat zou de voornaamste reden zijn geweest om de hennepkwekerij te starten. Verzoekster heeft aldus niet eenduidig verklaard over de aanleiding voor het opzetten van de kwekerij en haar betrokkenheid daarbij. Vast staat echter dat zij haar woning hiervoor (welbewust) beschikbaar heeft gesteld, zodat niet gesteld kan worden dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat verzoekster geen eenduidige verklaring heeft afgelegd, maakt ook dat niet goed kan worden beoordeeld of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

6.5

De Afdeling heeft verder overwogen dat bij de beoordeling van een besluit tot sluiting van een woning op grond van de Opiumwet ook de gevolgen daarvan moeten worden betrokken. Sluiting van een woning maakt inbreuk op het huisrecht en het privéleven, die worden beschermd door artikel 8 van het EVRM. Ook financiële schade, bijvoorbeeld vanwege de kosten van vervangende woonruimte, of de omstandigheid dat het kwetsbare bewoners betreft, kunnen gevolgen zijn die bij de beoordeling moeten worden betrokken. De gevolgen van een woningsluiting kunnen bijzonder zwaar zijn als de bewoners niet kunnen terugkeren in de woning na ommekomst of opheffing van de sluiting.

In dit geval is voldoende onderbouwd dat de gevolgen van de sluiting met ingang van 18 juli 2022 voor verzoekster onevenredig zijn. Zij heeft er mee ingestemd de huur van de woning met ingang van 15 augustus 2022 te beëindigen en heeft zich al aangemeld bij Traverse. Ze hoort op 1 augustus 2022 of die organisatie met ingang van 15 augustus 2022 een eigen plek voor haar heeft. Dat zij mogelijk eerder zou kunnen beschikken over een slaapplaats in de nachtopvang van Traverse, zoals namens de burgemeester is gesuggereerd, maakt niet dat de door de burgemeester bepaalde sluitingsdatum kan worden gehandhaafd. Gelet op het (drugs)verleden van verzoekster en de overgelegde verklaring van haar huisarts acht de voorzieningenrechter de nachtopvang van Traverse niet geschikt voor haar.

Ter zitting heeft de burgemeester gesteld dat het sociaal team is geïnformeerd over de situatie van verzoekster. Desgevraagd is toegelicht dat dit een gespecialiseerd team betreft waarin ook ketenpartners van de gemeente zitten, waaronder sociaal maatschappelijk beheer de HuischMeesters. Volgens de burgemeester hebben zij verzoekster een mogelijkheid geboden tot huisvesting in Gilze op korte termijn, maar heeft zij dit aanbod geweigerd. In reactie hierop heeft verzoekster verklaard dat zij van de HuischMeesters heeft vernomen dat zij haar niet op de beoogde locatie willen opvangen, vanwege de aanwezigheid van kwetsbare vrouwen aldaar. Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter leidt hieruit af dat verzoekster bij sluiting van de woning geen huisvesting heeft en niet duidelijk is op welke termijn dit wel gerealiseerd kan worden.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dan ook in redelijkheid kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet om een last onder bestuursdwang op te leggen. De ingangsdatum en de duur van de sluiting kunnen die toets echter niet doorstaan.

Conclusie

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting niet ongewijzigd in bezwaar in stand zal blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van de na te melden voorlopige voorziening.

8. Gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding de begunstigingstermijn te verlengen tot 15 augustus 2022 (de datum waarop het huurcontract van verzoekster eindigt), 10.00 uur (in de ochtend). De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding de sluitingstermijn te beperken tot één maand in plaats van twee maanden.

9. Omdat de voorzieningenrechter deze voorziening treft, dient de burgemeester aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester ook in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat de begunstigingstermijn van het bestreden besluit wordt verlengd tot 15 augustus 2022, 10.00 uur en de sluitingsduur wordt verkort tot één maand;

- wijst het anders of meer verzochte af;

- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 26 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Opiumwet

Artikel 3 van de Opiumwet

Het is op grond van artikel 3 van de Opiumwet verboden een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Hennep staat vermeld op lijst II.

Artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet

De burgemeester is ingevolge artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Aanwijzing Opiumwet

3.2.1. Teelt van hennep (of de cannabis plant)

Deze aanwijzing gaat uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie. Prioriteit ligt bij de beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:

- De schaalgrootte van de teelt: de hoeveelheid planten;

Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.

- De mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc. (opgenomen in bijlage 1);

Indien, ongeacht de hoeveelheid planten, wordt voldaan aan twee of meer punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen

- Het doel van de teelt.

Indien er sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen, wordt, ongeacht de hoeveelheid planten, aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

In bijlage 1 (Factor professionaliteit bij de definiëring van bedrijfsmatig handelen met betrekking tot de teelt van cannabis) zijn onder meer een centraal geregeld bevloeiingssysteem/drupsysteem, een kas of grote, verdeelde en afgeschermde ruimte binnen of buiten en thermostaat- of computergestuurde verwarming opgenomen als hoge indicatoren voor professionaliteit.

Gewijzigd handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet 2019

Deze beleidsregels hebben tot doel:

1. te realiseren dat geconstateerde overtredingen gevolgd worden door een reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit);

2. te bewerkstelligen dat er door de gekozen bestuursdwangmaatregel een einde komt aan de verboden situatie ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat;

3. te bewerkstelligen dat herhaling van de overtreding wordt voorkomen;

4. kenbaar te maken aan de burger welke maatregelen hij van de overheid kan verwachten na een overtreding;

5. de handhavingsactiviteiten van politie, openbaar ministerie en gemeente op elkaar af te stemmen en complementair te laten zijn.

Artikel 4.7: Eerste constatering softdrugs in een woning

Indien in woningen en/of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II(softdrugs) met een handelsvoorraad van > 5 gram, dan ontvangen de betrokkenen hiervoor een op schrift gestelde bestuurlijke waarschuwing. Ook in geval van voorbereidingshandelingen ten aanzien van softdrugs in de woning is in beginsel een bestuurlijk waarschuwing van toepassing.

Deze op schrift gestelde bestuurlijke waarschuwing is alleen van toepassing wanneer er sprake is van een geringe hoeveelheid. Een hoeveelheid van > 50 hennepplanten en/of> 500 gram softdrugs wordt gezien als meer dan een geringe hoeveelheid. In dergelijke gevallen, vindt een sluiting plaats van 2 maanden.

1 Onder andere ECLI:NL:RVS:2022:285 en ECLI:NL:RVS:2022:335.

2 ECLI:NL:RVS:2019:2912.

3 ECLI:NL:RVS:2021:2243.