Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:4082

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2022
Datum publicatie
27-07-2022
Zaaknummer
AWB- 21_2316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/2316 PW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2022 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. E.M.A. Leijser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van eisers recht op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Met het besluit van 17 februari 2021 heeft het college eisers recht op een bijstandsuitkering met ingang van 17 februari 2021 opgeschort en hem in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim uiterlijk op 24 februari 2021 te herstellen. Met het besluit van 3 maart 2021 heeft het college eisers recht op een bijstandsuitkering vanaf 17 februari 2021 ingetrokken omdat eiser de gevraagde gegevens niet zou hebben ingeleverd. Eiser zou over de periode 17 februari 2021 tot en met 28 februari 2021 teveel uitkering hebben ontvangen. Het teveel ontvangen bedrag van € 437,86,- is bij hetzelfde besluit van 3 maart 2021 teruggevorderd.

1.1

Met het bestreden besluit van 14 april 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de intrekking en terugvordering gebleven.

1.2

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de intrekking van eisers recht op een bijstandsuitkering. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Met het besluit van 3 maart 2021 heeft het college ook het teveel betaalde bedrag van € 437,86,- teruggevorderd. De terugvordering is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt de terugvordering daarom niet.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft terecht eisers recht op een bijstandsuitkering ingetrokken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.1

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Eiser ontvangt sinds 26 november 2012 een uitkering op grond van de Participatiewet volgens de norm alleenstaande.

Op 9 februari 2021 is de afdeling Werk & Inkomen een periodiek onderzoek gestart naar de rechtmatige verstrekking van eisers bijstandsuitkering. In het kader van dit onderzoek diende eiser bankafschriften en bewijsstukken met betrekking tot de aankoop en financiering van het voertuig met kenteken: [kentekennummer] te overleggen. Eiser diende de gevraagde gegevens uiterlijk 16 februari 2021 in te leveren.

Op 17 februari 2021 heeft het college besloten om eisers recht op bijstand per 17 februari 2021 op te schorten omdat eiser de gevraagde gegevens niet ingeleverd heeft. Het college heeft eiser in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens alsnog uiterlijk 24 februari in te leveren. Eiser heeft tegen het besluit van 17 februari 2021 geen bezwaar gemaakt.

Op 3 maart 2021 heeft het college besloten om eisers recht op bijstand per datum opschorting, 17 februari 2021, in te trekken omdat eiser de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd.

5. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.1

5.1

Niet in geschil is dat eiser de gevraagde gegevens niet tijdig heeft verstrekt. Het geschil ziet op de vraag of de gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van de bijstand en of eiser van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt.

Zijn de gegevens relevant?

5.2

Eiser betoogt dat de gevraagde gegevens niet noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het betreft immers een voertuig van 19 jaar oud met een kilometerstand van ruim boven de 200.000 km. De auto vertegenwoordigt wellicht een sloopwaarde, maar niet meer.

5.3

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gedurende de bijstandsverlening kan het bestuursorgaan inlichtingen of gegevens verlangen om het recht op (voortgezette) bijstand te beoordelen. Het moet dan gaan om gegevens die voor deze beoordeling van belang zijn. Als uitgangspunt geldt dat er geen directe aanleiding, vermoeden of redengevend signaal hoeft te zijn om een onderzoek in te stellen waarbij gegevens worden opgevraagd. Bovendien is het in beginsel aan het college om te bepalen welke gegevens en stukken nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het college heeft in deze zaak de gegevens, waaronder bankafschriften en een aankoopbewijs van een voertuig op naam van eiser, opgevraagd nadat er een melding was binnengekomen dat eiser naast zijn uitkering inkomsten uit werk zou hebben en zou rijden in een blauwe bestelbus. Mede gelet op de inhoud van de melding is de rechtbank van oordeel dat de gegevens van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Dat het om een oude auto met hoge kilometerstand zou gaan, doet hier niet aan af. De betekenis van eisers autobezit voor het recht op bijstand kan het college immers pas beoordelen, nadat alle gegevens zijn ingeleverd. De enkele stelling van eiser ter zitting dat al zijn bezittingen en vermogen al bij de gemeente [plaatsnaam] bekend waren, is niet onderbouwd en wordt overigens weersproken door het college. Die stelling treft dus geen doel.

Is de schending van de inlichtingenplicht eiser aan te rekenen?

5.4

Eiser betoogt dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. De eerste brief van 9 februari 2021 heeft hem niet bereikt. De tweede brief van 17 februari 2021 zou op 18 februari 2021 zijn aangeboden op het adres van eiser, maar hij was op dat moment niet thuis. Hij heeft geen afhaalbericht ontvangen.

5.5

Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst daarvan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.2 Niet in geschil is dat uit het systeem Track&Trace is af te leiden dat de brief van 17 februari 2021 op 18 februari 2021 op het adres van eiser is aangeboden en vervolgens naar een PostNL-punt aan [adres] 71 in [plaatsnaam] is gebracht om door eiser te worden opgehaald. Het is vaste rechtspraak dat, indien de belanghebbende stelt geen afhaalbericht te hebben ontvangen, het op zijn weg ligt feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.3 Eiser heeft dergelijke feiten gesteld noch aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiser dat hij erg secuur is als het aankomt op het bijhouden van de post en direct in actie is gekomen nadat hij de brief van 3 maart 2021 had ontvangen, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Ervan uitgaande dat eiser een afhaalbericht heeft ontvangen had hij dus op de hoogte kunnen zijn van de gestelde hersteltermijn.

5.6

Gesteld noch gebleken is dat eiser niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over de gevraagde gegevens. Bankafschriften zijn standaardgegevens waarover iemand normaal gesproken beschikt. Datzelfde geldt voor bewijsstukken met betrekking tot de aankoop en financiering van een eigen voertuig. Voor zover eiser ter zitting stelt dat hij die laatste stukken niet meer heeft, dient dit voor zijn rekening en risico te blijven. Daarbij komt dat hij eerder met het college hierover in contact had kunnen en moeten treden.

5.7

Eiser kan dus een verwijt worden gemaakt van niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens.

5.8

Het college was daarom bevoegd eisers bijstandsuitkering in te trekken met ingang van 17 februari 2021. Niet is gebleken dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Met betrekking tot een intrekkkingsbesluit heeft het college beleid ontwikkeld. Hierin is bepaald dat het college gebruik maakt van de bevoegdheid tot het intrekken van het besluit tot toekenning van bijstand. Indien hiervoor zeer dringende redenen aanwezig zijn, ziet het college af van het nemen van een intrekkingsbesluit. Niet is gebleken dat er sprake is van dringende redenen die aanleiding geven niet tot intrekking over te gaan. Het college heeft zijn beleid consistent toegepast.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet

Artikel 11, eerste lid

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid

1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 54

1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

1 CRvB 30 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2521

2 vergelijk CRvB 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2532

3 zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5032