Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3998

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2022
Datum publicatie
21-07-2022
Zaaknummer
02-306431-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing. Bekennende verdachte. Artikel 63 Sr niet van toepassing op aan verdachte opgelegde gevangenisstraf in België. Bij strafoplegging wordt hiermee wel in beperkte mate rekening gehouden. Oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/306431-21

vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon-of verblijfplaats hier ten lande

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Beveren-Waas, België

raadsman mr. R. El Bellaj, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2022. Verdachte is niet verschenen en heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Wel is verschenen zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. M.S. Kikkert, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van aangeefster [aangeefster] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte. Hij acht daarbij tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dreigend naar aangeefster [aangeefster] heeft geroepen "geef mij geld of ik snij haar keel door".

4.2

Het standpunt van de verdediging

Gezien de bekennende verklaring van verdachte refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft het aan hem ten laste gelegde feit bekend. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, afkomstig uit het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2020169562 doorgenummerd van pagina 1 t/m 167 . De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 september 2021, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte van [naam] d.d. 1 juli 2020, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , d.d. 1 juli 2020, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen inzake camerabeelden d.d. 8 juli 2021, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

Door aangeefster [naam] is verklaard dat zij verdachte, terwijl deze haar vast had, heeft horen zeggen, “geef mij geld of ik snij haar keel door”. Dit deel van de tenlastelegging wordt door verdachte ontkend. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen aan hetgeen aangeefster [naam] heeft verklaard in haar aangifte. Er is door aangeefster [naam] consistent verklaard en alle overige handelingen waarover door aangeefster is verklaard, worden bevestigd door de andere bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank acht dat deel van de tenlastelegging dan ook eveneens wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 01 juli 2020 te Tilburg met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en bedreiging met geweld [aangeefster] (medewerker van [naam winkel] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een bedrag van 50 euro, dat geheel of ten dele aan winkelbedrijf [naam winkel] (aan de [adres] aldaar) toebehoorde, door het:
- maken van stekende bewegingen met een mes naar die genoemde [aangeefster] ,
en
- tonen van een mes en het daarbij dwingend opeisen van een bedrag van 50 euro, en
- vastgrijpen van een collega van die [aangeefster] , zijnde [naam] waarbij hij,
verdachte die [naam] achter de toonbank om haar hals heeft
gegrepen, en
- drukken van een mes tegen de hals van die [naam] , en
- dreigend naar die [aangeefster] roepen: "geef mij geld of ik snij haar keel door",

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De officier van justitie houdt hierbij rekening met de OM-richtlijnen voor dit type delict, het tijdsverloop van de zaak, de impact die de overval op de slachtoffers heeft gemaakt alsmede met de open en eerlijke proceshouding van verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft spijt betuigd en heeft een open proceshouding gehad. De verdediging stelt zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2020:9710) op het standpunt dat bij de strafoplegging, op grond van artikel 63 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), eveneens rekening dient te worden gehouden met het vonnis dat door een rechtbank in België is gewezen in 2021 en waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar. De verdediging verzoekt de rechtbank, gezien het voorgaande, op grond van artikel 9a Sr een rechterlijk pardon uit te spreken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing door een van de medewerksters van de [naam winkel] , aangeefster [naam] , vast te pakken en een mes op haar keel te zetten. Haar collega, aangeefster [aangeefster] , moest van verdachte 50 euro uit de kassa pakken en aan hem overhandigen. Dit terwijl verdachte het mes op de keel bleef zetten van aangeefster [naam] . Voor beide aangeefsters, maar ook voor omstanders, moet dit een zeer angstige gebeurtenis zijn geweest. Dit blijkt ook uit de camerabeelden van de gebeurtenis waarbij aangeefster [naam] zichtbaar trilt over haar hele lijf en volledig overstuur is zodra verdachte haar loslaat en wegloopt. Verdachte heeft met zijn gedrag aangetoond dat hij geen enkel respect heeft voor andermans lichamelijke integriteit noch voor het eigendomsrecht van anderen. Door bovendien werknemers te bedreigen met geweld, heeft de verdachte hun gevoel van veiligheid op de eigen werkplek geschaad. Ook hebben de gebeurtenissen op klaarlichte dag plaatsgevonden op een openbare plaats. Dit soort feiten is in het algemeen zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte in Nederland, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank zal in strafmatigende zin ook rekening houden met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft de feiten bekend en heeft volledig meegewerkt aan het onderzoek.

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf verder acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en op de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten indiceren een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank zal niet meegaan in het verweer van de raadsman dat artikel 63 Sr formeel van toepassing is gezien de door België aan verdachte opgelegde vrijheidsstraf van negen jaar. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad verplicht artikel 63 Sr de Nederlandse strafrechter niet om een buitenlandse beslissing, waarbij aan verdachte een straf is opgelegd, op de wijze als in artikel 63 Sr voorgeschreven, in aanmerking te nemen. De rechtbank zal echter bij het opleggen van de straf wel, in het voordeel van verdachte, eigenstandig in enige mate laten meewegen dat verdachte in België is veroordeeld voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf maar ziet geen grondslag om artikel 63 Sr, op de wijze zoals daar is voorgeschreven, in aanmerking te nemen. Hoewel verdachte na de afpersing Nederland heeft verlaten en het enige tijd heeft gekost om verdachte op te sporen zal de rechtbank tot slot, in het voordeel van verdachte, rekening houden met het feit dat de zaak eerder op zitting had kunnen worden gebracht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op het artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

afpersing

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, mr. P. Kooijman en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. van Dooren, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juli 2022.