Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3954

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
20-07-2022
Zaaknummer
02-222166-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vrijspraak van woningoverval Hrieps.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-222166-19

vonnis van de meervoudige kamer van 20 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5 en 6 juli 2022, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte betrokken is bij een woningoverval op 12 mei 2019 in Grijpskerke, waarbij drie mannen de woning binnen zijn gegaan, de bewoonster een knuppel of stok hebben getoond, en een groot geldbedrag is gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit samen met anderen heeft begaan. Zij heeft als bewijsmiddelen met name gewezen op de aangifte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , de antennemastgegevens, het DNA op de sporttas en het bestedingspatroon van verdachte na de overval.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. De door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen bevatten niet het wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen. Uit de aangifte kan betrokkenheid van verdachte bij het feit niet worden afgeleid. Getuige [getuige 1] zegt in essentie niets belastends over verdachte uit eigen wetenschap of waarneming. Getuige [getuige 2] is onbetrouwbaar en zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

Ten aanzien van de antennemastgegevens is primair een verweer gevoerd dat strekt tot uitsluiting van het bewijs in verband met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Prokuratuur vs. Estland. Subsidiair is aangevoerd dat de antennemastgegevens in verband met het tenlastegelegde feit niet redengevend zijn.

Omdat sprake is van evidente onduidelijkheden in het beslagproces van de tassen die zijn aangetroffen op de oprit van de woning van aangeefster, dienen de onderzoeksresultaten van het NFI uitgesloten te worden van het bewijs. Subsidiair is ten aanzien van die resultaten aangevoerd dat het mogelijk is dat verdachte de sporttas waarop zijn DNA is aangetroffen, en die niet van hem is, weleens heeft vastgepakt toen hij met anderen aan het sporten was. Niet duidelijk is hoe en op welk moment het DNA van verdachte op de tas terecht is gekomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze sporen delictgerelateerd zijn.

Ten slotte blijkt uit het dossier dat verdachte geld verdient door de aan- en verkoop van auto’s en motoren. Dat is een contante inkomstenbron waarmee de vakantie naar Kos deels is betaald. De conclusie dat het niet anders kan dan dat die vakantie met geld van de diefstal in Grijpskerke is betaald, kan daarom niet worden getrokken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Aanleiding

Op 12 mei 2019 komt omstreeks 03:15 uur bij de politie een melding binnen van een inbraak in een woning aan [adres 2] , waarbij geld zou zijn weggenomen. Als de politie ter plaatse komt, verklaart aangeefster dat zij die avond en nacht samen met iemand anders de contante opbrengst van het [festival] heeft geteld. Dit geld was door haar schoondochter gedurende de avond naar haar woning gebracht. Aangeefster was omstreeks 02:45 uur gaan slapen. Om 03:15 uur schrok zij plotseling wakker van een harde knal. Toen zij ging kijken op de overloop zag ze drie in het zwart geklede mannen met gezichtsbedekking, van wie de voorste haar vroeg waar het geld lag. Aangeefster wees de plaats aan en sloot zich vervolgens op in de slaapkamer waar haar kleindochter van drie jaar oud op dat moment logeerde. Toen ze hoorde dat de mannen weg waren, liep ze uit de slaapkamer en zag beneden dat het glas van het bovenste raam van de voordeur kapot was en dat er een grote grindtegel op de grond in de hal lag.

Als de politie kort hierna ter plaatse komt, worden drie tassen op de oprit van de woning aangetroffen.

4.3.2

Waardering van de bewijsmiddelen

De rechtbank zal de zich in het dossier bevindende en voor verdachte belastende bewijsmiddelen beoordelen. Deze bewijsmiddelen maken onderdeel uit van de bewijsconstructie van het openbaar ministerie en hierop is door de verdediging verweer gevoerd.

- De aangifte

Aangeefster heeft verklaard dat de drie personen die in haar woning waren in het zwart gekleed waren en dat hun hoofden bedekt waren met een bivakmuts of een doek. Verder droegen de mannen handschoenen. De personen hadden een slank postuur. Zij vermoedde dat het jonge mannen waren vanwege hun behendigheid. De mannen waren niet lang, in ieder geval kleiner dan 1,85 meter. De man die sprak was het kleinst, de middelste man was iets groter dan de man die sprak, en de achterste man was het grootst.

De rechtbank overweegt dat de signalementen die zijn gegeven van de mannen in de woning weinig onderscheidend zijn, zodat niet is vast te stellen of verdachte in één van die signalementen past. De aangifte op zichzelf vormt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet een specifiek voor verdachte belastend bewijsmiddel.

- De resultaten van het DNA-onderzoek aan de sporttas

Over de chain of custody van de inbeslaggenomen tassen overweegt de rechtbank als volgt.

De tassen zijn door één van de verbalisanten – die als eerste ter plaatse waren – veiliggesteld en verpakt in papieren zakken. De vindplaats van de tassen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende beschreven. Het was zorgvuldiger geweest als in het dossier een foto was opgenomen waarop de tassen op het perceel te zien zouden zijn geweest, maar het ontbreken van zo’n foto vormt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen omstandigheid die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de chain of custody.

Het dossier bevat over het aantreffen en in beslagnemen van de tassen op 12 mei 2019 verschillende tijdstippen. In het proces-verbaal relaas in het derde aanvullend dossier (pagina 390 en 391) is hierover opgenomen dat het genoemde tijdstip van aantreffen en inbeslagneming van 07:15 uur onjuist is. De verbalisant die de tassen heeft veiliggesteld en in papieren zakken heeft verpakt heeft gerelateerd dat de tassen door hem om 03:30 uur zijn veiliggesteld. In een nader proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2021 heeft deze verbalisant gerelateerd dat hij de papieren zakken – naar de rechtbank begrijpt met daarin de op de oprit aangetroffen tassen – na zijn dienst heeft achtergelaten op het politiebureau te Middelburg. Verder is in een proces-verbaal van bevindingen ‘omtrent aantreffen, beheer en overdracht tassen’ van 12 juli 2021 beschreven dat de drie tassen op 12 mei 2019 van dat politiebureau naar een ander politiebureau in Middelburg zijn gebracht, waar zij van 12 mei 2019 tot en met 14 mei 2019 werden bewaard in het beslaghok aldaar. De tassen werden op 14 mei 2019 overgedragen aan de afdeling forensische opsporing van de districtsrecherche Zeeland. Het is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waar de tassen na de inbeslagname waren voordat ze werden overgedragen aan de afdeling forensische opsporing. De chain of custody is gelet op deze omschrijving sluitend. Dat niet bekend is wie de tassen in het beslaghok heeft gelegd en wie de tassen vervolgens heeft overgedragen aan de afdeling forensische opsporing doet daar niet aan af. In ieder geval ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er een mogelijkheid was dat de op de tassen aangetroffen en onderzochte DNA-sporen daar terecht zijn gekomen na de inbeslagname. Nu de rechtbank geen onregelmatigheden in de chain of custody ziet, ziet zij evenmin aanleiding om te twijfelen aan de integriteit van het door het NFI uitgevoerde onderzoek aan de tassen, zodat dit onderzoek kan worden gebruikt voor het bewijs.

Uit DNA-onderzoek door het NFI is het volgende gebleken.

- Er werd DNA gevonden van minimaal vijf personen op de draaghengsels van de blauwe sporttas. Drie van deze vijf personen zijn donor van een relatief groot deel van het celmateriaal. Verdachte is mogelijk één van die drie personen. Het verkregen DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte de donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet-verwante onbekende persoon is.

De andere twee van die drie personen zijn niet onderling of aan verdachte verwant. Uit onderzoek aan het DNA-mengprofiel is verder gebleken dat de inmiddels veroordeelde medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geen donor kunnen zijn van die relatief grote hoeveelheid DNA in de bemonstering.

- Verder werd er DNA gevonden van minimaal vier personen op de schouderband van de blauwe sporttas. Twee van deze vier personen zijn donor van een relatief groot deel van het celmateriaal. Verdachte is mogelijk één van die twee personen. Het verkregen DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte de donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet verwante onbekende persoon is.

Er is geen aanwijzing verkregen dat DNA van de (destijds) medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in de bemonstering aanwezig is.

Verdachte is door de politie niet geconfronteerd met de bevindingen van het NFI, althans niet méér specifiek dan dat zijn DNA op de plaats delict is aangetroffen. Op vragen hierover heeft verdachte geantwoord dat hij daar niet is geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de enige verklaring die hij kan bedenken voor de aanwezigheid van zijn DNA op de sporttas is dat hij die tas tijdens het sporten een keer heeft vast gehad. Tijdens het buitensporten doet hij soms met een groep andere sporters oefeningen op toestellen, waarbij de groep van het ene toestel naar het andere loopt. Daarbij draagt hij soms de sporttassen van andere sporters van de ene oefening naar de andere oefening, aldus verdachte.

De rechtbank overweegt dat niet is vast te stellen wanneer, waar en hoe het DNA van verdachte op de blauwe sporttas, die op de oprit van de overvallen woning is aangetroffen, is gekomen. Daarbij komt dat een sporttas een gemakkelijk verplaatsbaar object is.

Gelet daarop en op de omstandigheid dat naast verdachte nog (in elk geval) twee andere personen donor zijn van een relatief grote hoeveelheid DNA op de sporttas en dat die andere personen niet de reeds veroordeelde medeverdachten zijn, kan niet worden uitgesloten dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, klopt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de veroordeelde medeverdachten familie, vrienden of kennissen van verdachte zijn, zodat de aanwezigheid van de sporttas met daarop het DNA van verdachte op de oprit van de overvallen woning ook op andere wijze verklaard kan worden.

De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat het aantreffen van het DNA van verdachte op de sporttas die op de oprit van de overvallen woning in Grijpskerke is aangetroffen niet zonder meer redengevend is voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op die woning.

- De verkeers- en locatiegegevens van het telefoonnummer van verdachte

Uit onderzoek naar de verkeers- en locatiegegevens van verdachte en (veroordeelde) medeverdachten in dit onderzoek is naar voren gekomen dat het op naam van verdachte gestelde telefoonnummer eindigend op de cijfers [nummer 1] op 11 en 12 mei 2019 de volgende telefonische contacten had:

11 mei 2019

- om 18:02 uur wordt door [naam 1] , de broer van verdachte, gebeld naar [nummer 1] . [naam 1] belt hem met de telefoonnummers eindigend op de cijfers [nummer 2] (telefoonnummer op zijn naam gesteld) en de cijfers [nummer 3] (prepaidnummer).

12 mei 2019

- om 11:40 uur is er telefonisch contact met het telefoonnummer met de eindcijfers [nummer 4] , in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 6] . Daarbij straalde het telefoonnummer van verdachte een antennemast in Arnemuiden aan.

- om 11:50 uur vond met het telefoonnummer van verdachte dataverkeer plaats, waarbij werd aangestraald op een antennemast in Grijpskerke. De officier van justitie heeft in verband met deze gegevens belastend geacht dat het telefoonnummer van getuige [getuige 1] om 11:54 uur aanstraalde op een antennemast in Oostkapelle, wat volgens haar het vermoeden wekt dat [getuige 1] met verdachte naar Grijpskerke/Oostkapelle is gereden.

De rechtbank overweegt dat verdachte op de twee genoemde dagen met zijn (inmiddels veroordeelde) broer [naam 1] en met zijn goede vriend en medeverdachte [medeverdachte 6] contact heeft gehad met de op hun namen gestelde telefoonnummers. Eén keer is hij door zijn broer gebeld met een prepaidnummer dat volgens de officier van justitie toebehoort aan één van de ‘overvalstelefoons’.

Het dossier bevat geen verkeers- en locatiegegevens van vóór of na die twee dagen. Gelet op de relatie van verdachte tot [naam 1] en [medeverdachte 6] acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat zij vaker telefonisch contact hebben. Daarbij komt dat de tijdstippen van de contacten op 11 en 12 mei 2019 niet zonder meer duiden op betrokkenheid bij de overval op de woning. De rechtbank acht deze verkeers- en locatiegegevens dan ook niet redengevend in het licht van de gepleegde overval.

Uit de omstandigheid dat de telefoon van getuige [getuige 1] om 11:54 uur aanstraalt op een antennemast in Oostkapelle en die van verdachte om 11:50 uur op een antennemast in Grijpskerke kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan slechts een vermoeden worden afgeleid dat [getuige 1] met verdachte naar Grijpskerke of Oostkapelle is gereden. Los van de vraag wat de betekenis van deze omstandigheid in relatie tot het misdrijf zou moeten zijn, bevat het dossier geen aanknopingspunten die dit vermoeden bevestigen. Deze gegevens acht de rechtbank daarom evenmin redengevend.

Gelet op het vorenstaande kunnen de locatie- en verkeersgegevens van het telefoonnummer [nummer 1] niet voor het bewijs worden gebezigd. Om die reden behoeft het verweer gebaseerd op het Prokuratuur-arrest van het EHRM geen nadere bespreking.

- Betaling vakantie Kos

Van 25 juli 2019 tot en met 1 augustus 2019 is verdachte met zijn gezin, zijn moeder [naam 2] , zijn zus [naam 3] en zijn broer [naam 4] op vakantie geweest naar Kos. Deze vakantie kostte € 7.801,93, welk bedrag op 21 juni 2019 door [naam 2] contant is betaald, in aanwezigheid van de partner van verdachte, te weten [naam 5] .

Verdachte en zijn partner hebben allebei verklaard dat zij hun aandeel in het totaalbedrag van de vakantie hebben betaald. De rechtbank gaat ervan uit dat hun aandeel een bedrag van € 3.127,- betreft, gelet op de berekening van dit bedrag op een foto op de telefoon van [naam 5] op pagina 547. Dit bedrag zou dus vóór 21 juni 2019 contant beschikbaar moeten zijn geweest of contant moeten zijn opgenomen van een bankrekening, en vervolgens aan [naam 2] moeten zijn gegeven.

Ten aanzien van verdachte is bij het informatiepunt Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) een iCOV-rapportage opgevraagd, en zijn bankmutaties gevorderd van de bankrekeningen op naam van verdachte. Een proces-verbaal van bevindingen hierover is opgemaakt op 4 februari 2020. Niet blijkt over welke periode gegevens zijn opgevraagd. Uit het proces-verbaal komt naar voren dat verdachte inkomsten heeft uit zijn eenmanszaak en dat hij vanaf zijn zakelijke bankrekening loon overschrijft naar zijn privérekening. Niet is vermeld hoeveel loon hij overschrijft. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat verdachte al langere tijd auto’s en motoren koopt en korte tijd later weer doorverkoopt aan particulieren. De aankoop van de Suzuki motor in mei 2019 kan mogelijk verklaard worden uit de verkoop van een Opel in maart 2019, aldus het proces-verbaal van bevindingen.

De rechtbank overweegt dat verdachte inkomsten uit loon en inkomsten uit de verkoop van auto’s en motoren had in de periode voor en na de overval op de woning. De iCOV-gegevens geven geen indicatie van de hoogte van die inkomsten. De rechtbank acht het aannemelijk dat bij de verkoop van auto’s en motoren grotendeels cash wordt betaald, ook gelet op het feit dat bij de analyse van de bankrekeningen niet wordt gesproken over geldbedragen die gerelateerd kunnen worden aan de verkoop van auto’s en motoren.

Op grond van deze gegevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de inkomsten van verdachte hoog genoeg waren om de kosten van de vakantie voor het gezin van verdachte, te weten € 3.127,-, te betalen, en dat hij dat bedrag cash beschikbaar had als inkomsten uit de verkoop van auto’s en motoren.

De cash betaling van de vakantie acht de rechtbank daarom niet redengevend in het licht van de verdenking van betrokkenheid bij de overval op de woning op 12 mei 2019.

- Verklaringen getuigen [getuige 2] en [getuige 1]

Getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] , die gedurende het onderzoek ook enige tijd verdachte was, heeft op twee momenten een verklaring afgelegd, te weten op 31 oktober 2019 tegenover de politie en op 17 december 2020 tegenover de rechter-commissaris. De informatie uit deze verklaringen die ziet op het feit zelf en op de wijze waarop door bepaalde verdachten daarna geld is uitgegeven heeft [getuige 2] naar zijn zeggen hoofdzakelijk verkregen van (de inmiddels veroordeelde medeverdachten) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Andere informatie zou hij uit eigen wetenschap hebben, omdat enkele verdachten na het feit naar zijn huis zouden zijn gekomen. De rechtbank stelt vast dat onderdelen van deze verklaringen op zichzelf en ten opzichte van elkaar tegenstrijdigheden en onwaarheden bevatten. Bovendien bevat het dossier aanwijzingen dat deze getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring is bedreigd.

Vanwege de onregelmatigheden in zijn verklaringen zal de rechtbank behoedzaam omgaan met de verklaringen van [getuige 2] . Daar waar deze verklaringen worden ondersteund door ander bewijs ziet de rechtbank geen grond om die verklaringen als onbetrouwbaar aan te merken, waardoor evenmin reden bestaat om de verklaringen als geheel uit te sluiten van het bewijs.

De auditu-verklaring (van horen zeggen)

Ten aanzien van verdachte heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij van [medeverdachte 3] , dan wel [medeverdachte 2] heeft gehoord dat:

- verdachte in de woning is geweest;

- verdachte of [naam 1] het deel van de buit van [naam 4] beheert;

- verdachte niet veel heeft uitgegeven, alleen een horloge en een koningsketting;

- de [familienaam] op vakantie zijn geweest van de buit.

De rechtbank overweegt dat de stelling dat verdachte in de woning is geweest niet wordt ondersteund door ander bewijs. Zo kan niet worden vastgesteld of hij past in één van de signalementen die aangeefster heeft gegeven. Evenmin kan uit de resultaten van het DNA-onderzoek aan de sporttas, die op de oprit van de overvallen woning is aangetroffen, de conclusie worden getrokken dat verdachte in de woning is geweest.

Over het beheren van het deel van de buit van broer [naam 4] en over de aankoop van een horloge en een koningsketting van de buit bevat het dossier geen informatie, zodat ook die verklaringen van getuige [getuige 2] niet door ander bewijs worden ondersteund.

Hierboven heeft de rechtbank al overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte zijn deel van de kosten voor de vakantie naar Kos heeft betaald van zijn legale inkomsten. Ook de verklaring dat verdachte de vakantie heeft betaald met zijn deel van de buit van de overval wordt dus niet ondersteund door ander bewijs.

Verklaring uit eigen waarneming

[getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [naam 4] en verdachte op

12 mei 2019 rond 07:00 uur bij hem aan de deur kwamen om de buit te laten zien die in de kofferbak van een auto stond. [getuige 2] zou daarna naar eigen zeggen om 08:30 uur of

09:30 uur naar zijn werk zijn gegaan. De rechtbank overweegt dat deze verklaring niet kan kloppen, alleen al omdat in ieder geval [medeverdachte 2] tussen 06:00 uur en 07:00 uur door zijn vader was opgehaald in Domburg. Dat [getuige 2] op één van de genoemde tijdstippen is gaan werken, kan evenmin kloppen. Dit leidt de rechtbank af uit de foto die is gemaakt op 12 mei 2019 om 10:17 uur, waarop de hand van [getuige 2] te zien is – te herkennen aan een deel van zijn tatoeage – met daarin een stapel bankbiljetten. Uit onderzoek is gebleken dat deze foto is gemaakt op de slaapkamer van [getuige 2] en dat het tijdstip overeenkomt met de werkelijke tijd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank deze verklaring van [getuige 2] over het tijdstip waarop de door hem genoemde personen die ochtend bij zijn woning kwamen en de tijd dat hij moest gaan werken ongeloofwaardig. Zijn verklaring dat enkele van de genoemde en inmiddels veroordeelde medeverdachten in de vroege ochtend van 12 mei 2019 bij hem zijn geweest wordt ten aanzien van die medeverdachten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de verkeers- en locatiegegevens van de telefoons van die inmiddels veroordeelde medeverdachten. Ten aanzien van verdachte bevat het dossier dat ondersteunende bewijs echter niet, zoals ook blijkt uit de hierboven door de rechtbank besproken bewijsmiddelen. Daarnaast heeft verdachte op zitting verklaard [getuige 2] niet te kennen.

De rechtbank acht de verklaringen van getuige [getuige 2] dan ook niet redengevend voor het bewijs.

Getuige [getuige 1]

Deze getuige heeft, na een aanvankelijke algehele ontkenning, uiteindelijk consistent verklaard dat zij de bedrijfsauto van haar werk, waar zij op dat moment de beschikking over had, op 11 mei 2019 heeft uitgeleend aan [naam 4] en dat zij op de ochtend na de overval in de woning van [naam 2] , [naam 4] heeft gesproken. Zij heeft verklaard dat hij toen

zei dat haar werkauto niet was gebruikt als vluchtauto, en dat hij haar € 200,- gaf. Verder heeft zij ten aanzien van [medeverdachte 2] verklaard dat hij tegen haar gezegd heeft dat het logo van de [bedrijfsnaam] op de auto was afgetapet en dat zij samen met hem taperesten heeft verwijderd van de auto.

De rechtbank ziet in de aanvankelijke ontkenning op zichzelf geen grond voor algehele onbetrouwbaarheid van haar verklaring. Het dossier bevat aanwijzingen dat zij is bedreigd, onder meer door enkele medeverdachten, waardoor het aannemelijk is dat zij terughoudend was met het belastend verklaren over anderen. Haar overige verklaringen zijn op grote lijnen consistent gebleven en worden bovendien op onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Getuige [getuige 1] heeft in een telefoongesprek dat zij op 12 mei 2019, om 12:37 uur had met haar toenmalige vriend [naam 6] gesproken over wat er was gebeurd die nacht. [naam 6] vraagt of ze het heeft gelezen van dat festival, die [festival] . Hij zegt dat er een steen door die ruit is gegooid. [getuige 1] zegt hierop ‘drie brothers’. [naam 6] vraagt hierna hoe ze dat weet, die drie broertjes. [getuige 1] zegt ‘dat denk ik’.

Getuige [getuige 1] lijkt met de drie broertjes te bedoelen verdachte en zijn twee broers [naam 4] en [naam 1] . Haar suggestie dat zij betrokken zijn bij de overval op de woning die afgelopen nacht is geen verklaring uit eigen wetenschap, maar een aanname. De rechtbank acht deze passage uit het telefoongesprek daarom niet redengevend voor verdachtes betrokkenheid bij de overval.

Conclusie

Nu de rechtbank geen van de bewijsmiddelen die zouden kunnen duiden op betrokkenheid van verdachte bij de overval op de woning op 12 mei 2019 in Grijpskerke op zichzelf of in onderlinge samenhang bezien voldoende redengevend acht, bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

5 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen ieder een schadevergoeding in verband met schade geleden als gevolg van het ten laste gelegde feit.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

6 De overwegingen omtrent het beslag.

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen motor overweegt de rechtbank dat dit voorwerp op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag is genomen, en dat daarna en daarnaast beslag is gelegd op dit voorwerp op grond van artikel 94a Sv. Het beslag op grond van artikel 94 Sv is gehandhaafd gebleven, en vanwege het beslag op grond van artikel 94a Sv is nog geen last tot teruggave gegeven. Gelet hierop en op de vrijspraak zal de rechtbank op grond van artikel 353 Sv ook ten aanzien van dit voorwerp de teruggave gelasten, met dien verstande dat de rechtbank geen beslissing kan nemen over het gelegde beslag op de voet van artikel 94a Sv.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 stk motorfiets, Suzuki, chassisnr. [nummer 5] , bouwjaar 2008;

- 1 stk telefoontoestel, zwart, merk Nokia, G_552818;

- 1 stk mes, G_552816;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, mr. M.E. de Boer en

mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 juli 2022.