Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3923

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2022
Datum publicatie
22-07-2022
Zaaknummer
AWB- 22_241
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/241 WIA

uitspraak van 18 juli 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Ergec,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de

handhaving in het bestreden besluit van de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

1.1

Het UWV heeft met het besluit van 29 april 2021 (primair besluit)

eiser een WIA-uitkering geweigerd per 10 november 2020.

Met het bestreden besluit van 17 december 2021 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.2

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: verzekeringsarts b&b).

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2021 zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en mr. J.F.C.AM. Weterings als gemachtigde van het UWV. Tevens is als tolk voor eiser opgetreden de heer [naam tolk] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 10 november 2020 niet toegenomen arbeidsongeschikt is ten opzichte van 22 februari 2016. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Bij deze beoordeling is van belang of eiser een toename van medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA per 10 november 2020 ten opzichte van de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2016 niet is toegenomen.

Het UWV heeft daarom eiser terecht een WIA-uitkering geweigerd per 10 november 2020.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.1

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2

Eiser is werkzaam geweest als productiemedewerker voedingsmiddelen industrie. Hierna heeft het UWV hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Eiser heeft zich op 25 oktober 2012 ziek heeft gemeld vanuit de WW vanwege klachten van het bewegingsapparaat en duizeligheid. Bij besluit van 9 september 2014 heeft het UWV eiser per 15 juli 2014 een WIA-uitkering geweigerd. Daarop heeft het UWV eiser per 21 oktober 2014 een WW-uitkering toegekend.

Aan eiser is per 18 februari 2015 een WIA-uitkering toegekend. Deze WIA-uitkering is per 22 februari 2016 ingetrokken.

Met de brief van 3 februari 2021 heeft eiser zich bij het UWV gemeld met het verzoek hem een WIA-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft eiser aangegeven dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na het beëindigen van de WIA-uitkering, per 10 november 2020.

Bij het primaire besluit heeft het UWV eiser een WIA-uitkering per 10 november 2020 geweigerd, omdat is gebleken dat eisers mogelijkheden om te werken niet minder zijn geworden. Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

4. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.

4.1

Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft eiser gezien op zijn spreekuur van 17 maart 2021, het dossier bestudeerd en bij brief van diezelfde datum informatie opgevraagd bij de eiser behandelend [naam betrokkenen] .

In zijn rapportage van 10 april 2021 stelt [naam verzekeringsarts] dat geen andere feiten aan het licht zijn gekomen in vergelijking tot eerdere beoordelingen, behoudens de aangegeven toegenomen psychische klachten, waarvoor eiser is aangemeld voor behandeling bij een gespecialiseerde behandelinstelling. Die informatie werd opgevraagd op 17 maart 2021, maar na een rappel is tot 10 april nog geen enkele reactie ontvangen. Nu de termijn waarop gereageerd kon worden is verstreken, kan volgens de verzekeringsarts de conclusie worden getrokken dat kennelijk er geen grote urgentie gegeven werd aan de behandeling, en er geen sprake is van een acute psychische noodsituatie. Daarom wordt de claim op toegenomen beperkingen in deze niet gehonoreerd en wordt vooralsnog uitgegaan van onveranderde medische beperkingen. Mocht alsnog steekhoudende specialistische informatie ontvangen worden die rechtvaardigt het huidige standpunt te herzien zal de verzekeringsarts een heroverweging en eventuele aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 augustus 2016 laten plaatsvinden.

De prognose van [naam verzekeringsarts] is afhankelijk van coping en van effecten van eventuele te starten behandelingen. Vooralsnog gaat hij uit van een stabiele eindsituatie zonder wezenlijke veranderingen van belastbaarheid op korte of middellange termijn.

4.2

Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd, inclusief de op 30 april 2021 verzonden informatie van de eiser behandelend GGZ-psychiater [naam betrokkenen] van 24 maart 2021, welke informatie is ingekomen bij het UWV op 5 mei 2021. Ook heeft zij deelgenomen aan de telefonische hoorzitting van 15 december 2021. De verzekeringsarts b&b is van mening dat uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts blijkt van een zorgvuldig uitgevoerd en uitgebreid onderzoek. De aanwezige klachten en ervaren beperkingen zijn besproken en er heeft een voldoende uitgebreid op de klachten gericht medisch onderzoek van de lichamelijke en de psychische toestand plaatsgevonden. De conclusie is gebaseerd op de in het dossier aanwezige gegevens, de anamnese en het eigen medisch onderzoek.

Er was voldoende informatie voorhanden om tot een beslissing te kunnen komen en er is niet gebleken van toename van beperkingen van de belastbaarheid. De opgevraagde informatie van de GGZ werd niet tijdig ontvangen.

Verder ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding op basis van het bezwaar anders te oordelen omdat de inhoud van het bezwaarschrift niet leidt tot andere inzichten en er geen

nieuwe objectieve medische feiten zijn voor wat betreft de lichamelijke toestand. Ook is er tijdens de hoorzitting niet gebleken van nieuwe gezichtspunten. Er heeft wegens

lichamelijke klachten geen recent specialistisch onderzoek plaatsgevonden.

Uit de later (ná de primaire beslissing) ontvangen en nu wederom ingebrachte medische gegevens van de GGZ blijkt niet dat er sprake is van ernstigere beperkingen dan waarvan bij de totstandkoming van de beslissing is uitgegaan. Eiser overlegde ook geen nadere medische gegevens waaruit blijkt dat er sprake is van ernstigere beperkingen. De verzekeringsarts b&b acht het begrijpelijk dat eiser uitgaat van de wijze waarop hij zijn klachten beleeft, maar het gaat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling echter om de beperkingen die een medisch en objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De subjectieve beleving van eiser is daarbij niet doorslaggevend.

Voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid is dus van belang dat op objectieve gronden

beperkingen in arbeid kunnen worden vastgesteld, de (subjectieve) klachtenbeleving is

daartoe onvoldoende.

Concluderend stelt de verzekeringsarts b&b dat als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte er per datum in geding, 10 november 2020 geen toename van beperkingen van de belastbaarheid blijkt en zij ziet geen reden opnieuw bij de GGZ te informeren, nu er per datum in geding voldoende informatie over de psychische toestand van eiser aanwezig is. Zij ziet dan ook geen toegenomen beperkingen per 10 november 2020.

4.3

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij onverminderd onder behandeling staat van een orthopeed en het pijncentrum en legt daarvan in beroep nadere informatie over. Het UWV had aldaar informatie moeten inwinnen alvorens over te gaan tot afwijzing van het bezwaar van eiser. Volgens eiser wordt het hem onmogelijk gemaakt zijn standpunten uiteen te zetten en hij verwijst daartoe naar het Korosec-arrest.

Ook de toename van de medicatie wijst volgens eiser op toegenomen beperkingen. Hij stelt dat ten onrechte wordt voorbijgegaan aan de informatie van psychiater [naam betrokkenen] . Het ten onrechte nalaten van het opvragen van nadere informatie heeft er zijns inziens mede toe geleid dat ten onrechte geen nieuwe gezichtspunten door de verzekeringsarts b&b zijn aangenomen. Eiser heeft in beroep nog medische informatie overgelegd van zijn orthopedisch chirurg [naam orthopedisch chirurg] d.d. 14 februari 2022, waaruit blijkt dat er sprake is van chronische knieklachten, met nu bij onderzoek geringe hydrops met een goede functie en stabiliteit en bij aanvullend radiologisch onderzoek enige mediale gewrichtsspleetversmalling en enige degeneratieve afwijkingen patellofemoraal.

Volgens [naam orthopedisch chirurg] zijn de therapeutische opties beperkt. Deze bestaan uit (onstekingsremmende) pijnstillers en eventueel een intra-articulaire injectie in de rechter-knie en/of een ondersteunende brace. Eiser moet een balans vinden tussen belasting en belastbaarheid; aan hem zijn geen beperkingen opgelegd, aldus [naam orthopedisch chirurg] .

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgronden nader toegelicht, stellende dat uit de ingebrachte informatie van [naam orthopedisch chirurg] geen toegenomen beperkingen zijn gebleken, maar eiser wel twee maanden geleden (de rechtbank begrijpt: rond mei 2022) een MRI heeft laten verrichten, waarbij een afwijking aan de schouder is geconstateerd waarvoor een operatie in oktober 2022 gepland staat. Ook zou slijtage van de knie zijn geconstateerd. Gemachtigde van eiser heeft desgevraagd aangegeven geen benoeming van een deskundige te beogen. Wel heeft hij gesteld dat eiser bereid is alsnog nadere medische informatie te overleggen omtrent zijn schouderklachten.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder zowel de psychische als de chronische lichamelijke klachten (aan schouder en knie). Ook de voorgeschreven medicatie (Naproxen) was bekend. Bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van eiser is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Voor een aanpassing van FML van 22 augustus 2016 bestaat geen aanleiding.

De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts b&b in een rapportage van 21 april 2022 heeft gereageerd op de beroepsgronden en de in beroep overgelegde medische informatie. De ingebrachte medische informatie van orthopeed Enneking van 14 februari 2022, 10 januari 2022, 7 augustus 2019 en 30 mei 2018 bevestigt de in het dossier aanwezige gegevens en onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts. In het verleden zijn beperkingen van de belastbaarheid van het bewegingsapparaat vastgesteld en deze beperkte belastbaarheid geldt ook per datum in geding. Volgens de verzekeringsarts b&b is er op 10 november 2020 geen sprake van toegenomen beperkingen. Uit de in beroep overgelegde medische gegevens is niet kunnen blijken van ernstigere beperkingen dan waarvan bij de totstandkoming van het primaire besluit is uitgegaan.

Gelet op de voorliggende dossierstukken (inclusief ingebrachte medische informatie) en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank zich vinden in deze afwegingen en conclusie van de verzekeringsarts b&b. Nu eiser tegen het standpunt van de verzekeringsartsen medische informatie heeft kunnen inbrengen en deze informatie geen aanleiding geeft te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. Ook voor het heropenen van het onderzoek om eiser in de gelegenheid te stellen nadere medische informatie uit 2022 in te brengen bestaat geen grond, nu deze informatie ver na de datum in geding van 10 november 2020 ligt en het klachtensubstraat van eiser en de beperkingen op datum in geding afdoende bekend waren en zijn meegewogen.

Conclusie

5. De rechtbank overweegt dat het UWV terecht heeft aangenomen dat er op 10 november 2020 bij eiser geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als ten grondslag heeft gelegen aan de eerdere beoordeling van de aanspraak op WIA per 22 februari 2016.

Dit betekent dat het UWV terecht de gevraagde WIA-uitkering heeft geweigerd per 10 november 2020, zodat het beroep niet kan slagen.

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 18 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

In artikel 55, eerste lid, onder b, ten eerste, van de WIA is bepaald dat indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het recht op een WGA uitkering ontstaat op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid (de zogenaamde amber-bepaling).