Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3909

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
20-07-2022
Zaaknummer
BRE 21/1906, 21/1907 en 21/1908
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet van een samenvatting voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-7-2022
FutD 2022-2095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/1906, 21/1907 en 21/1908


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 en 16 april 2021.

Zaaknummers 21/1906 en 21/1907

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 september 2018 aan belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met deze navorderingsaanslagen is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn vergrijpboetes opgelegd.

1.3.

De inspecteur heeft de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de boetes laten vervallen.

Zaaknummer 21/1908

1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 september 2018 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting, met aanslagnummer [aanslagnummer] , opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag) tot een bedrag van € 2.679. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.

1.5.

De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de boete laten vervallen.

Alle zaaknummers

1.6.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.

1.7.

De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende dreef in de in geschil zijnde jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [bedrijfsnaam] . De activiteiten van de onderneming bestonden uit de verkoop van gekoelde en warme dranken, hotdogs, porties saté en broodjes warme ham (snacks) op gehuurde standplaatsen bij evenementen als voetbalwedstrijden, concerten in stadions en festivals als [naam festival] . Hij beschikte onder meer over bedrijfsbussen, aanhangwagens, kramen een loods.

2.2.

In 2017 en 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn opgenomen in een rapport van 11 juli 2018. Daarin is onder meer geconcludeerd dat het ontbreken van diverse vastleggingen in de administratie het voor de Belastingdienst onmogelijk maakt om in detail te kunnen beoordelen of verbanden tussen de relevante bedrijfsprocessen aanwezig zijn en om te kunnen aansluiten met de gegevens vermeld in de ingediende aangiften. De administratie kan daarom niet dienen als betrouwbare grondslag voor de fiscale winstberekening De inspecteur heeft op basis van de wel bekende gegevens de onder 1.2 en 1.4 genoemde belastingaanslagen opgelegd.

2.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 19 februari 2019 een informatiebeschikking genomen (hierna: de informatiebeschikking) en daarbij vastgesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De informatiebeschikking heeft betrekking op de navorderingsaanslagen.

2.4.

Deze rechtbank heeft op 17 december 20201 in de procedure over de informatiebeschikking inzake de administratie van verloren gegane verkoopwaar bij evenementen, voor zover van belang, als volgt overwogen:

2.16.1.

De vraag of belanghebbende al dan niet verplicht is om verloren gegane verkoopwaar te registeren, maakt deel uit van de toetsing van de vraag die in deze procedure voorligt, namelijk of de inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft gegeven vanwege gebreken in de voorraadadministratie. Zoals (…) is overwogen heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorraadadministratie van belanghebbende de controle van de juistheid en volledigheid van de omzetverantwoording te zeer frustreert. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat het ontbreekt aan enige registratie of enig aanknopingspunt betreffende de omvang van het aantal weggegooide snacks. Van belanghebbende mag op dit punt meer worden verlangd. Het gaat immers om een onderneming waarvan de verkoop van snacks centraal staat en waarbij de ondernemer stelt dat (i) vrij forse hoeveelheden verkoopklare snacks worden weggegooid en (ii) dat op uiteenlopende hoeveelheden porties aan weggegooide snacks werd uitgekomen toen hij door hem aangezochte personen vroeg porties te maken uit de weg te gooien voorraad. Dit betekent dat verloren gegane verkoopwaar een zodanig belangrijk element – en potentieel discussiepunt – vormt in de onderneming van belanghebbende dat het niet mag ontbreken aan een vastlegging van relevante aspecten die inzicht kunnen bieden in de hoeveelheden weggegooide snacks. Het argument van belanghebbende dat het tellen van overgebleven snacks erg tijdrovend en lastig is en daarom niet van hem gevergd kan worden, verwerpt de rechtbank omdat zij van oordeel is dat belanghebbende redelijkerwijze meer had kunnen en moeten doen om inzicht te kunnen bieden in de hoeveelheden weggegooide snacks.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende over de informatiebeschikking ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak heeft belanghebbende geen hoger beroep ingesteld. De informatiebeschikking staat daarmee onherroepelijk vast.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslagen en de naheffingsaanslag tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Meer specifiek is in geschil de omvang van het in aanmerking te nemen (omzet)verlies inzake verloren gegane verkoopwaar (snacks). Alle overige correcties, en ook de berekening van de theoretische omzet2, zijn niet in geschil.

3.2.

De informatiebeschikking, die alleen voor de navorderingsaanslagen is gegeven, staat onherroepelijk vast. Het beroep moet dan op grond van artikel 27e van de AWR, ongegrond worden verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaarschrift onjuist is.

Navorderingsaanslagen IB/PVV

3.3.

Als uitgangspunt in deze procedures heeft te gelden dat belanghebbende niet aan de administratieplicht heeft voldaan. Wel kan aan de orde komen of het verzuim zodanig is dat het omkering van de bewijslast rechtvaardigt. In de procedure over de informatiebeschikking heeft de rechtbank beslist om geen termijn te stellen voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde administratieverplichting, aangezien het hier geen omstandigheid betreft waaraan door belanghebbende nog gevolg kan worden gegeven. Gelet op de geconstateerde gebreken en het ontbreken van nader inzicht in de gang van zaken bij de verkoop van snacks, is de rechtbank van oordeel dat omkering van de bewijslast gerechtvaardigd is. Omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen moet uitgaan van een redelijke schatting van de omzet (en daarmee van de winst), rekening houdend met het verloren gaan van verkoopklare maar weggegooide snacks.

3.4.

De inspecteur heeft het verlies voor verloren gegane snacks per jaar berekend op € 2.108. Niet in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 geen vastlegging heeft van snacks die zijn weggegooid en daardoor geen omzet opleverden. Belanghebbende heeft aangevoerd dat in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd na afloop van iedere verkoopdag, de vele tientallen al dan niet kapotte worstjes en satéstokjes uit de pannen te gaan vissen om die te gaan tellen. De inspecteur heeft op basis van de opgave van belanghebbende van de voorraad op 1 januari 2013, de toelichting van belanghebbende op inkoopnota’s en op zijn bedrijfsvoering, een reconstructie van de goederenbeweging gemaakt, de theoretische omzet berekend en vervolgens rekening gehouden met het verloren gaan van verkoopklare snacks. De rechtbank acht deze schatting van de inspecteur redelijk. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met dat wat hij in algemene zin en zonder specifieke onderbouwing voor de omvang van het omzetverlies naar voren heeft gebracht niet heeft doen blijken dat er sprake was van een hoger omzetverlies. Het gelijk is aan de inspecteur.

Naheffingsaanslag OB

3.5.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de naheffingsaanslag in de omzetbelasting met € 255 tot € 2.424 moet worden verminderd. Volgens de inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening gehouden met het omzetverlies van € 2.108 voor de jaren 2014 en 2015 en met een lagere omzetcorrectie voor het jaar 2015 van € 39. Het beroep is hierom gegrond.

3.6.

De onherroepelijk geworden informatiebeschikking ziet niet op de naheffingsaanslag. De rechtbank is van oordeel dat ook met toepassing van de normale regels van de stelplicht en bewijslast de naheffingsaanslag niet verder wordt verminderd dan tot € 2.424 (standpunt inspecteur). De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat belanghebbende de theoretische omzet zoals die voor de jaren 2013 tot en met 2015 door de inspecteur is berekend niet bestrijdt. De theoretische omzet is voor ieder van die jaren hoger dan de in de aangiften omzetbelasting aangegeven omzet. Voor het jaar 2013 leidt de verhoging van de omzet niet tot naheffing, omdat daarop een even groot omzetverlies in mindering is gebracht. De omzetcorrectie over de jaren 2014 (€ 9.552) en 2015 (€ 3.342) leiden wel tot naheffing.3 De inspecteur heeft voor beide jaren een omzetverlies (weggegooide snacks) van € 2.108 in mindering gebracht op de omzetcorrectie. De rechtbank is van oordeel dat nu belanghebbende geen specifieke onderbouwing voor een grotere omvang van het omzetverlies naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden aannemelijk te achten dat er sprake was van een groter omzetverlies.

4 Conclusie en gevolgen

4.1.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 ongegrond moeten worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de bij die aanslagen in rekening gebrachte belastingrente, waarop de beroepen mede betrekking hebben. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen die in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de in rekening gebrachte belastingrente.

4.2.

Het beroep inzake de naheffingsaanslag wordt gegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag wordt verminderd, zal het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd.

4.3.

Omdat het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag (21/1908) gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5 Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag omzetbelasting gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake deze naheffingsaanslag;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.424 en de daarmee samenhangende rentebeschikking dienovereenkomstig;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 181 aan belanghebbende vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 15 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 ECLI:NL:RBZWB:2020:6434.

2 brief belanghebbende van 26 december 2018, laatste alinea van pagina 1.

3 Bijlage 27 van het verweerschrift van de inspecteur.