Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3899

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
03-08-2022
Zaaknummer
19_6110, 21_4454 en 21_4455
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-8-2022
FutD 2022-2215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/6110, 21/4454 en 21/4455


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , (belanghebbende)

en

De inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 oktober 2019, 28 september 2021 en 29 september 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:

  • -

    een aanslag inkomensafhankelijk bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2016 naar een bijdrage-inkomen € 31.729 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] );

  • -

    een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.102 waarbij € 353 belastingrente in rekening is gebracht (aanslagnummer [aanslagnummer 2] );

  • -

    een aanslag Zvw voor het jaar 2017 naar een bijdrage-inkomen € 33.601 waarbij € 38 belastingrente in rekening is gebracht (aanslagnummer [aanslagnummer 3] ).

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag Zvw 2016 gehandhaafd. De aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 zijn bij uitspraken op bezwaar verminderd en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

Het onderzoek ter zitting is op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege gebleven.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [naam] (de partner).

2.2.

Belanghebbende heeft de aangifte Zvw 2016 ingediend op 31 augustus 2017. Conform die aangifte is een voorlopige aanslag Zvw opgelegd waarbij € 29 belastingrente in rekening is gebracht. De definitieve aanslag is vastgesteld met dagtekening 1 maart 2019.

2.3.

Belanghebbende en de partner houden ieder 50% van de aandelen in [bedrijf] (de BV). Zij zijn beiden bestuurder van de BV. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV en Zvw 2017 een bedrag groot € 40.000 in aftrek gebracht als negatief loon van de BV. Bij de aanslagregeling is aftrek van dit bedrag geweigerd.

2.4.

De partner is budgethouder van een persoonsgebonden budget (PGB). Zij koopt met het toegekende budget zorg in bij belanghebbende. Belanghebbende is zorgverlener en de ontvangsten uit het PGB vormen voor hem belastbaar inkomen. In 2017 heeft belanghebbende in dat kader een bedrag ontvangen van € 42.002. In de aangifte IB/PVV en Zvw 2017 heeft belanghebbende daarop € 33.265 in mindering gebracht als kosten. De inspecteur heeft de kostenaftrek beperkt tot € 10.000.

3 Beoordeling door de rechtbank

Geschil en oordeel

3.1.

In geschil is of het beroep betreffende de bij de (voorlopige) aanslag Zvw 2016 gegeven rentebeschikking ontvankelijk is. Indien dat beroep ontvankelijk is, is in geschil of terecht belastingrente in rekening is gebracht. Voor wat betreft 2017 is in geschil of alsnog rekening moet worden gehouden met de in de aangifte geclaimde aftrekposten.

3.2.

De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep 2016 ambtshalve, mede naar aanleiding van hetgeen de inspecteur daarover heeft aangevoerd. De overige geschilpunten beoordeelt de rechtbank aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.3.

De rechtbank acht het beroep betreffende de bij de aanslag Zvw 2016 gegeven rentebeschikking ontvankelijk. Inhoudelijk is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur bij die aanslag terecht belastingrente in rekening heeft gebracht en dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 juist zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2016

Ontvankelijkheid beroep

3.4.

De inspecteur heeft betoogd dat het beroep betreffende de bij de (voorlopige) aanslag Zvw 2016 gegeven rentebeschikking niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat belanghebbende geen gronden voor het beroep heeft aangevoerd. De rechtbank volgt de inspecteur daarin niet. De rechtbank is van oordeel dat uit al hetgeen door belanghebbende is aangevoerd kan worden afgeleid dat hij het niet eens is met het in rekening brengen van belastingrente.

Belastingrente

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is de belastingrente terecht in rekening gebracht. De voorlopige aanslag Zvw 2016 is vastgesteld met dagtekening 20 oktober 2017, dus meer dan 6 maanden na 31 december 2016. Artikel 30f AWR bepaalt dat in dat geval belastingrente in rekening moet worden gebracht, tenzij de aangifte was ingediend voor 1 mei 2017 maar de aangifte van belanghebbende over 2016 is pas na 1 mei 2017 ingediend. Er is daarom geen grond om de bij de voorlopige aanslag terecht in rekening gebrachte belastingrente bij de definitieve aanslag alsnog op nihil te stellen.

2017

Negatief loon

3.6.

Belanghebbende, op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft niets aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt waar het in de aangifte opgevoerde negatieve loon van € 40.000 betrekking op heeft. In het bijzonder heeft hij, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat uit de arbeidsovereenkomst met de BV of enig andere overeenkomst tussen hem en de BV voortvloeit dat hij verplicht was tot terugbetaling van enig bedrag aan loon, en ook is niet aannemelijk geworden dat hij feitelijk enig bedrag aan loon heeft terugbetaald. De rechtbank is daarom van oordeel dat de in de aangifte geclaimde aftrek daarvoor terecht is geweigerd.

Kosten in verband met het PGB

3.7.

Ook voor wat betreft de aftrekbare kosten die hij zou hebben gemaakt in verband met de inkomsten uit het PGB van de partner, rust de bewijslast op belanghebbende. Ook hier geldt dat belanghebbende de hoogte van die kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat de inspecteur de kosten onjuist heeft geschat is daarvoor onvoldoende en belanghebbende heeft verder geen enkel bewijs voor die kosten aangevoerd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te oordelen dat het bedrag van de door de inspecteur uiteindelijk geaccepteerde kosten van € 10.000 te laag is.

Aanslag Zvw

3.8.

Uit hetgeen in 3.5 en 3.6 is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat bij de aanslag IB/PVV 2017 het belastbaar inkomen uit werk en woning juist is vastgesteld. Dat betekent dat ook het bijdrage-inkomen voor de Zvw tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de hoogte daarvan geen zelfstandige gronden aangevoerd.

Belastingrente

3.8

Ook tegen de in rekening gebracht belastingrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke bezwaren aangevoerd. De rente is berekend conform de wettelijke bepalingen en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor enige vermindering daarvan.

4 Conclusie en gevolgen

De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen en rentebeschikkingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 19 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.