Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3788

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
21_1909
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

21/1909

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-7-2022
FutD 2022-2034
V-N Vandaag 2022/1825
NLF 2022/1455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1909


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.635.

1.3.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag is aan belanghebbende € 56 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.4.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de aanslag gehandhaafd.

1.5.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn bijstand, de heer M. van Rossum van
M. van Rossum Management Consultant B.V. en namens de inspecteur

mrs. [inspecteur] en [inspecteur] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in 1997 een beleggingsverzekering afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij 1] , deze verzekering is op enig moment daarna door [verzekeringsmaatschappij 2] overgenomen. De beleggingsverzekering is in 2013 tot uitkering gekomen en belanghebbende heeft voor het uitgekeerde bedrag een lijfrentepolis afgesloten bij de [Bank] .

2.2.

Nadat de beleggingsverzekering tot uitkering was gekomen, is belanghebbende bij het Kifid een klachtprocedure gestart vanwege het verstrekken van verkeerde productinformatie en nalatigheid in de zorgplicht door [verzekeringsmaatschappij 1] . In 2019 heeft belanghebbende met [verzekeringsmaatschappij 2] een vaststellingsovereenkomst afgesloten. Daarin is overeengekomen dat belanghebbende de klacht intrekt en tegen finale kwijting, een brutobedrag van € 14.000 ontvangt. Overeengekomen was voorts dat eventuele fiscale gevolgen van de uitbetaling voor rekening en risico van belanghebbende komen. Blijkens de “bijlage loongegevens” heeft [verzekeringsmaatschappij 2] € 11.550 aan belanghebbende betaalt (de eenmalige uitkering), hierover is € 2.166 aan loonheffingen ingehouden.

2.3.

In de aangifte IB/PVV over het jaar 2019 is € 24.085 als belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven. De eenmalige uitkering is hier niet in begrepen.

2.4.

De inspecteur is afgeweken van de ingediende aangifte en heeft de definitieve aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.635, met inbegrip van de eenmalige uitkering. Dit heeft erin geresulteerd dat het toetsingsinkomen van belanghebbende (ook) is gewijzigd en hij de eerder ontvangen voorschotten zorgtoeslag moest terugbetalen.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de eenmalige uitkering terecht als belastbaar inkomen uit werk en woning is aangemerkt. Tevens zal beoordeeld worden of de belastingrente niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De beoordeling door de rechtbank vindt plaats aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de eenmalige uitkering terecht als belastbaar inkomen uit werk en woning is aangemerkt. De belastingrente is terecht en niet te hoog vastgesteld. De conclusie is dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De eenmalige uitkering

3.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de eenmalige uitkering niet belastbaar is als inkomen uit werk en woning. Hij voert daartoe aan dat de eenmalige uitkering een compensatie is voor immateriële schade, welke door de verzekeraar is veroorzaakt. Er is volgens hem geen relatie tussen de eenmalige uitkering en een nabetalingsverplichting. Volgens belanghebbende is het besluit van 20 december 2011, nr. [nummer] (het besluit) niet van toepassing. Hij legt daaraan ten grondslag dat de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst leidend zijn voor de fiscale kwalificatie. Daarin staat dat de eenmalige uitkering wordt betaald onder de voorwaarde dat belanghebbende de klacht bij het Kifid intrekt en dat de betaling plaats vindt tegen finale kwijting. Volgens belanghebbende is er derhalve geen sprake van een uitkering op de voet van (herstel van) de polisvoorwaarden. Belanghebbende voert voorts aan dat de eenmalige uitkering niet kon worden aangewend voor verhoging van de lijfrentepolis bij de [Bank] , omdat de lijfrentepolis bij de [Bank] reeds was geëxpireerd op het moment dat de eenmalige uitkering was overeengekomen. Voorts stelt belanghebbende dat de interne keuze van de verzekeraar om de eenmalige uitkering administratief als belaste uitkering te behandelen los staat van de fiscale kwalificatie. Volgens belanghebbende dient de eenmalige uitkering in box 3 (sparen en beleggen) te worden belast, hij beroept zich in dit verband op het arrest van de HR van 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:529 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel.

3.4.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV juist is vastgesteld, hij beroept zich hierbij op de relevante bepalingen van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). De inspecteur beroept zich tevens op het besluit, volgens hem volgt daaruit dat op de eenmalige uitkering dezelfde bepalingen voor de inkomstenbelastingheffing gelden als op de reeds ingegane lijfrente-uitkeringen, zodat de eenmalige uitkering terecht als inkomen uit werk en woning in de belastingheffing is betrokken. Volgens de inspecteur heeft de verzekeraar aan belanghebbende bij het aangaan van de lijfrenteverzekering op beleggingsbasis onvoldoende geïnformeerd/gewaarschuwd over het hefboom- en inteereffect, waardoor de polis minder waard is geworden en belanghebbende een lager bedrag aan lijfrente uitkeringen heeft ontvangen. De eenmalige uitkering verhoogt het uitgekeerde bedrag. De inspecteur stelt voorts dat niet de inhoud van de vaststellingsovereenkomst of de wijze waarop de uitkering administratief is verwerkt leidend is, maar de Wet IB. Daarnaast stelt de inspecteur dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die uit het door belanghebbende aangehaalde arrest (zie onder 3.3). Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat belanghebbende geen casus heeft aangedragen waaruit blijkt dat andere belastingplichtigen die feitelijk en juridisch in dezelfde omstandigheden verkeren gunstiger zijn behandeld, aldus de inspecteur.

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.100 van de Wet IB als periodieke uitkeringen onder meer zijn aangemerkt de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en de termijnen van lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB. Op grond van artikel 3.102, lid 1 van de Wet IB behoort tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen wat wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Ten aanzien van het besluit merkt de rechtbank op dat de Staatssecretaris als uitvoerder van de wet in het besluit uitleg geeft over hoe in zijn optiek fiscaal moet worden omgegaan met eenmalige uitkeringen als de onderhavige. In het besluit treedt de Staatssecretaris niet op in hoedanigheid van wet- of regelgever. Het besluit kan als zodanig dan ook niet dienen als wettelijke basis voor het heffen van inkomstenbelasting over de eenmalige uitkering. Die wettelijke basis is namelijk neergelegd in de hiervoor genoemde artikelen 3.100 en 3.102 van de Wet IB.

Vast staat dat belanghebbende een klacht tegen de verzekeraar heeft ingediend vanwege het feit dat de verzekeraar te veel kosten in rekening heeft gebracht voor de beleggingsverzekering, de hoge kosten hebben erin geresulteerd dat de polis minder waard was geworden. Er is derhalve een direct verband tussen de beleggingsverzekering en de eenmalige uitkering. Immers, als de verzekeraar het juiste kostenniveau had toegepast, had dit geleid tot een groter eindkapitaal en uiteindelijk hogere termijnen van lijfrenten. Wanneer de verzekering niet zou zijn geëxpireerd, had de eenmalige uitkering dit naar moet worden aangenomen ook tot gevolg gehad. De eenmalige uitkering zou dan op grond van artikel 3.100 van de Wet IB zijn belast als periodieke uitkeringen. Vanwege expiratie van de verzekering kon in het onderhavige geval geen sprake meer zijn van een verhoging van de termijnen van lijfrenten, om welke reden de tegemoetkoming is gedaan in de vorm van een eenmalige uitkering. De eenmalige uitkering vervangt daarmee de gederfde (hogere) termijnen van lijfrenten en behoort ingevolge artikel 3.102 van de Wet IB tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die naast de termijnen van lijfrenten op grond van artikel 3.100 van de Wet IB belastbaar zijn. Dat de eenmalige uitkering zelf niet een periodiek karakter heeft, doet aan de toepasselijkheid van artikel 3.102 van de Wet IB niet af. Ook een afkoopsom van een recht op periodieke uitkeringen is op grond van dat artikel belast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de eenmalige uitkering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende is gerekend.

Belanghebbendes stellingen dat de eenmalige uitkering als schadevergoeding kwalificeert en dat er geen relatie is tussen de eenmalige uitkering en een nabetalingsverplichting falen derhalve. Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (zie 3.3) faalt eveneens. De situatie uit dat arrest is niet vergelijkbaar met onderhavige zaak. De stelling van belanghebbende of en welke tegenprestatie door hem is geleverd, de stelling dat van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst dient te worden uitgegaan en de stellingen over de wijze waarop de verzekeraar de eenmalige uitkering administratief heeft verwerkt, falen. Voor de fiscale kwalificatie zijn, zoals hiervoor vermeld, de bepalingen uit de Wet IB leidend.

Belastingrente

3.6.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV en de bij die aanslag in berekende belastingrente terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Nandram, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 11 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier

De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.