Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3787

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
21_1747
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:42 stukken, hoor-en inzagerecht, specifieke zorgkosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-7-2022
FutD 2022-2033
V-N Vandaag 2022/1833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1747


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 maart 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.384. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft inspecteur belanghebbende € 46 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

1.4.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2022 op zitting behandeld. Ter zitting was aanwezig: de inspecteur mr. [inspecteur] . Belanghebbende had zich per e-mail van 14 juni 2022 afgemeld voor de zitting.

1.6.

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Bij belanghebbende is sprake van multipele ziektebeelden, welke onder andere resulteren in pijnklachten in zijn lichaam, gepaard gaande met in intensiteit wisselende cognitieve beperkingen. In 2018 heeft belanghebbende pijnklachten ontwikkeld in het bekkenbodemgebied als gevolg waarvan hij niet of nauwelijks meer kon zitten of liggen.

2.2.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.330 aangegeven. Daarnaast heeft hij € 11.311 als specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

2.3.

De specifieke zorgkosten hebben betrekking op uitgaven voor medicijnen, hulpmiddelen (elektrisch verstelbaar bedbodem, een airco en kosten voor aanpassing en montage hiervan), vervoerskosten, dieetkosten, kleding- en beddengoed.

2.4.

Tijdens de aanslagregelingsfase heeft de inspecteur nadere informatie opgevraagd met betrekking tot de aftrek specifieke ziektekosten. Nadat de inspecteur zijn voornemen tot afwijken van de aangifte had aangekondigd hebben partijen overleg gevoerd en informatie uitgewisseld. Uit de herziene vooraankondiging blijkt dat een bedrag van € 5.257 aan specifieke zorgkosten is geaccepteerd. De uitgaven betreffende het elektrisch verstelbaar bedbodem, de airco en de kosten voor aanpassing en montage daarvan, zijn niet in aftrek toegelaten.

2.5.

De inspecteur is afgeweken van de ingediende aangifte en heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.384.

2.6.

Belanghebbende heeft bezwaar ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening van 4 maart 2021ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2018 gehandhaafd.

2.7.

In de beroepsfase is onder andere in geschil of de kosten voor de aanschaf van het elektrisch bedbodem, airco en aanpassing en montage van beide zaken terecht niet in aftrek zijn toegelaten. Uit het verweerschrift volgt dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen en dat de inspecteur op 18 maart 2021 een afschrift van de uitspraak op bezwaar heeft verstuurd. Het afschrift van de uitspraak op bezwaar is, om onbekende reden, gedagtekend op 8 maart 2021.

2.8.

Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een verzoek om verdaging ingediend. Dat verzoek was niet onderbouwd met stukken. Het verzoek is afgewezen en belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek met stukken te onderbouwen. Belanghebbende heeft de rechtbank per e-mail van 14 juni 2022 geïnformeerd dat hij niet in staat is om deel te nemen aan de digitale zitting.

3 Beoordeling door de rechtbank

Afwijzing verdagingsverzoek

3.1.

Belanghebbende heeft in zijn e-mail van 14 juni 2022 vermeld dat hij vanwege medische onmacht niet in staat is om deel te nemen aan de digitale zitting en dat hij de uitspraak afwacht. Hij voert tevens aan dat hij geschaad is in zijn rechten nu zijn verdagingsverzoek niet voortvarend is behandeld en is afgewezen. Volgens belanghebbende is er sprake van een vooringenomen dubieuze behandeling.

3.2.

De rechtbank heeft aanvankelijk in de e-mail van 3 juni 2022 van belanghebbende geen verzoek om verdaging van de zitting, maar een verzoek om verdaging tot indiening van nadere stukken gelezen. Ook had belanghebbende in zijn beroepschrift reeds aangekondigd nog nadere stukken te zullen overleggen. Toen belanghebbende per e-mail van 5 juni 2022 nadere stukken had ingediend, ging de rechtbank ervan uit dat belanghebbende daarmee voldaan had aan zijn wens tot het indienen van nadere stukken.

Bij de bestudering van de nadere stukken constateerde de rechtbank dat in het slot van de bijlage (een brief welke gericht is aan de inspecteur) een verdagingsverzoek van de zitting met ten minste drie maanden is opgenomen. Aan dat verzoek legt belanghebbende ten grondslag zijn gezondheidstoestand en de verwachting dat hij binnenkort op de operatiekamer van het ziekenhuis wordt verwacht. Per e-mail van 13 juni 2022 is het verdagingsverzoek afgewezen, omdat deze niet met stukken is onderbouwd. Belanghebbende is de gelegenheid geboden om zijn verdagingsverzoek met stukken (bijvoorbeeld met een afsprakenkaart van het ziekenhuis) te onderbouwen. Hij heeft dit niet gedaan.

3.3.

Het verdagen van de zitting is een bevoegdheid van de rechtbank. Bij de toepassing hiervan dient zij rekening te houden met verschillende belangen, waaronder die van alle bij de procedure betrokken partijen, alsook het belang van een goede rechtspleging dat is gediend met een voortvarende behandeling van de zaak. Het ligt op de weg van belanghebbende om een verdagingsverzoek met stukken te onderbouwen, de enkele mededeling dat hij op medische gronden niet in staat is om deel te nemen aan de digitale zitting volstaat niet.1

Overigens had belanghebbende eerder reeds, met een beroep op zijn medische situatie, verzocht om de zitting digitaal te laten plaatsvinden. Aan dat verzoek is de rechtbank op 10 mei 2022 tegemoet gekomen. Uit het onderhavige verzoek om verdaging blijkt niet dat belanghebbende thans niet in staat zou zijn om digitaal deel te nemen aan de zitting. Juist zijn medische situatie was de reden om de zitting digitaal te laten plaats vinden. Daarnaast kan uit de e-mail van 14 juni 2022 worden afgeleid dat belanghebbende wel in staat is om computerwerkzaamheden te verrichten, van enige door belanghebbende gestelde medische onmacht om computerwerkzaamheden te verrichten was op dat moment kennelijk geen sprake. In die zin mag verwacht worden dat het bijwonen van de digitale zitting de daaropvolgende dag, ook mogelijk is.

Dat aanvankelijk geen verdagingsverzoek was onderkend in de e-mail van 3 juni 2022 doet hier niet aan af. De afwijzing van het verdagingsverzoek is op 13 juni 2022, dus twee dagen voor de zitting, zowel telefonisch als per e-mail aan belanghebbende gecommuniceerd. In die zin is belanghebbende niet in zijn rechten geschaad. Bovendien is belanghebbende reeds geruime tijd op de hoogte dat de zitting zou plaats vinden. De uitnodigingsbrief is op 20 april 2022 toegestuurd.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet geschaad is in zijn rechten en dat er geen sprake is van vooringenomenheid of enige andere schending van waarborgen bij de behandeling van onderhavige zaak.

Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

3.5.

Belanghebbende stelt dat in de beroepsprocedure niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur zijn overgelegd. De ontbrekende stukken bestaan, aldus belanghebbende, uit (samengevat) stukken die betrekking hebben op:

  • -

    Telefonische communicatie (logbestanden, gespreksverslagen, voicemailberichten, etc);

  • -

    Correspondentie (e-mails, notities, meta-analyses, etc);

  • -

    Systeem-informatie (AKI-ABS klantinformatie, FSV, collegiale toetsing, etc.);

  • -

    Belastingdossier (communicatie met o.a. het Ministerie van Financiën, de Landsadvocaat, de Politie, etc);

  • -

    Aangifte en bezwaar 2018 gerelateerd (communicatie met bij de behandeling betrokken personen).

Dit leidt, aldus belanghebbende, tot schending van artikel 8:42, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.6.

Ter zitting heeft de inspecteur een afschrift van een printscreen uit het ABS systeem overgelegd en heeft zij verklaard dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Volgens de inspecteur reikt artikel 8:42 van de Awb niet zo ver dat alle informatie en stukken waarover de Belastingdienst beschikt, ook die welke geen betrekking hebben op de zaak, dienen te worden overgelegd. Een afschrift van de overgelegde printscreen is aan deze uitspraak gehecht.

3.7.

Op grond van artikel 8:42 van de Awb moet het bestuursorgaan, in dit geval de inspecteur, de op de zaak betrekking hebbende stukken indienen. Op de zaak betrekking hebbende stukken zijn alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.2 Het standpunt van de inspecteur dat niet zonder meer alle stukken waarover de Belastingdienst beschikt die op belanghebbende betrekking hebben, zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken, is juist. De verplichting op grond van artikel 8:42 van de Awb ziet (alleen) op stukken die op de zaak betrekking hebben. De inspecteur heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken waarover zij beschikt, heeft overgelegd. Zonder nadere toelichting van belanghebbende, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of er bij de opsomming van de stukken door belanghebbende stukken zijn, die ten onrechte niet zijn ingebracht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inspecteur artikel 8:42 van de Awb niet heeft geschonden.

Hoor- en inzagerecht

3.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij is geschaad in zijn hoor- en inzagerecht en dat hij als gevolg daarvan zijn beroepschrift nog niet inhoudelijk heeft gemotiveerd.

3.9.

De inspecteur voert aan dat belanghebbende niet geschaad is in zijn hoor- en inzagerecht. Uit de processtukken blijkt dat belanghebbende in verschillende gesprekken en e-mails zijn zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende twee keer in de gelegenheid gesteld om zijn dossier in te zien. Belanghebbende heeft daar niet op gereageerd.

3.10.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet geschaad is in zijn hoor- en inzagerecht. Uit het procesverloop en de correspondentie over het horen en inzage in de dossiers blijkt dat belanghebbende niet inhoudelijk op de voorstellen van de inspecteur heeft gereageerd. Een en ander brengt met zich dat in deze situatie niets meer van de inspecteur gevergd kon worden. Het lag op de weg van belanghebbende om hierin actie te ondernemen. De inspecteur is terecht er van uit gegaan dat belanghebbende geen gebruik wenste te maken van zijn hoor- en inzagerecht.

Inhoudelijke beoordeling aftrek specifieke zorgkosten

3.11.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of het bezwaar van belanghebbende terecht ongegrond is verklaard. Tevens zal beoordeeld worden of de belastingrente niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De beoordeling door de rechtbank vindt plaats aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.12.

De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar onterecht ongegrond is verklaard en dat de belastingrente te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.13.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht op aftrek heeft voor de uitgaven verband houdende met de aanschaf van het elektrisch verstelbaar bedbodem, de airco, de (aansluit)materialen voor de afvoer van de aircolucht en de montage van het elektrisch verstelbaar bedbodem in de zitbank. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende naar de brief van 26 februari 2020 van zijn pijnspecialist:

“…In de loop van 2018 heeft mijn patiënt ernstige pijnklachten ontwikkeld in het bekkenbodem gebied waardoor hij nauwelijks meer kon zitten of liggen. Ter demping van de gegeneraliseerde chronische pijnklachten heb ik patiënt geadviseerd om maatregelen te treffen teneinde de pijnklachten enigszins dragelijk te houden. Patiënt heeft zodoende noodzakelijke ergonomische hulpmiddelen in de vorm van een elektrische verstelbare bedbodem met trilfunctie aangekocht…”

3.14.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep gegrond is, omdat in de aanslag de aftrek voor de specifieke zorgkosten door een telfout € 5 te laag is vastgesteld (in aftrek toegelaten is € 5.257 in plaats van € 5.262). De inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat er terecht geen aftrek is verleend voor de uitgaven van de specifieke zorgkosten, nu deze niet kwalificeren in de zin van artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

3.15.

In artikel 6.1, lid 1, onderdeel a en lid 2, onderdeel d van de Wet IB 2001 is geregeld dat op belastingplichtige drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten persoonsgebonden aftrekposten zijn. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet IB 2001 vormen uitgaven voor andere hulpmiddelen specifieke zorgkosten, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van specifieke zorgkosten rust op belanghebbende.

3.16.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende als gevolg van ziekte lichamelijke beperkingen ervaart. Tussen partijen is evenmin in geschil dat belanghebbende uitgaven heeft gedaan voor de aanschaf, aanpassing en montage van een verstelbaar elektrisch bed(bodem) en airco.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de aanschaf, aanpassing en montage van het elektrisch verstelbaar bedbodem en de airco geen specifieke zorgkosten zijn in de zin van de Wet IB 2001. Deze kosten komen dus niet voor aftrek in aanmerking. Daartoe overweegt rechtbank als volgt. Het is duidelijk dat belanghebbende het elektrisch verstelbare bedbodem en de airco heeft gekocht in verband met de pijnklachten die hij als gevolg van zijn ziekte ervaart. Ook is duidelijk dat deze zaken zijn pijnklachten dragelijk maken en het in die zin door belanghebbende als noodzakelijk wordt ervaren. Dat maakt echter nog niet dat het elektrisch verstelbaar bedbodem en de airco hulpmiddelen zijn in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001.3 Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verstelbaar elektrisch bed(bodem) alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen. Ook ten aanzien van de airco is niet aannemelijk geworden dat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke of invalide personen. Uit het voorgaande volgt ook dat de montage van het elektrisch verstelbaar bedbodem en de airco geen aanpassing aan een hulpmiddel vormen.

Heeft de toegepaste risicoselectie tot gevolg dat het besluit om de aangifte te controleren onrechtmatig is en de correcties achterwege dienen te blijven?

3.17.

Belanghebbende beroept zich er op dat de toegepaste risicoselectie, waarbij de inspecteur een code (AKI 1043) aan zijn aangiften IB/PVV heeft gegeven en zijn gegevens zijn geregistreerd in de databank Fraude Signalering Voorziening (FSV), tot gevolg heeft dat de controle van zijn aangifte IB/PVV 2018 onrechtmatig is.

3.18.

De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd aangevoerd dat de aangifte IB/PVV 2018 niet alleen binnen Project 1043, maar ook volgens het reguliere risicomodel voor handmatige beoordeling is geselecteerd. De reden hiervoor is de hoogte van de aangegeven aftrek specifieke zorgkosten. Ter zitting heeft de inspecteur dit toegelicht met een afschrift van de printscreen uit het ABS systeem.

3.19.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, volgt dat indien een belastingplichtige in zijn aangifte een aftrekpost opvoert en bij de aanslagregeling wordt geconstateerd dat hij op die aftrek (gedeeltelijk) geen recht heeft, het niet onrechtmatig is indien de inspecteur de aangiften over andere jaren gaat controleren. Dat geldt in beginsel ook indien die constatering ertoe leidt dat gegevens van de belastingplichtige worden opgeslagen in een bestand, en zelfs indien die gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is. De rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur om een aangifte te controleren wordt in beginsel niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt. Dat kan anders zijn als de controle voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht, zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging.

3.20.

De rechtbank acht het geloofwaardig wat de inspecteur heeft verklaard over de wijze waarop en de reden waarom de aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende zijn geselecteerd voor handmatige beoordeling. De rechtbank acht ook de verklaring van de inspecteur plausibel dat de (relatieve) hoogte van de uitgaven voor specifieke zorgkosten de directe aanleiding vormden voor het onderzoek van belanghebbendes aangifte IB/PVV 2018. Op basis van de processtukken is er geen direct aanknopingspunt om te vermoeden dat er nog andere uitworpreden zijn geweest dan wel dat de uitworpreden is beïnvloed door andere factoren. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat de controle van de in de aangifte opgenomen aftrek van specifieke zorgkosten heeft plaatsgevonden op basis van een criterium dat jegens belanghebbende leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Dat is overigens ook niet gesteld. De enkele omstandigheid dat gegevens van belanghebbende zijn opgenomen in de databank FSV, kan – ook indien die opname in het licht van de AVG onrechtmatig is te achten – niet tot een verlaging of vernietiging van de aanslagen leiden, gelet op het hiervoor in 3.16 vermelde arrest van de Hoge Raad.

Menselijke maat

3.21.

Volgens belanghebbende heeft de wantrouwende bejegening en onbarmhartige opstelling door de belastingdienst een negatieve impact op zijn gezondheid. Hij heeft verzocht om toepassing van de menselijke maat bij de beoordeling of de uitgaven voor specifieke zorgkosten voor aftrek in aanmerking komen.

3.22.

De rechtbank stelt voorop dat het gevoel dat de menselijke maat ontbreekt, niet betekent dat in alle gevallen ook in het voordeel van de belastingplichtige kan en moet worden beslist. Het heffen van belastingen is als uitgangspunt gebaseerd op wettelijke bepalingen en de feiten en omstandigheden van het geval. Het heffen van belastingen dient daarbij ook een collectief belang. Slechts indien het handelen van de inspecteur strijdig is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan dat aanleiding zijn om in voorkomende gevallen de toepassing van de wet (in meerdere of mindere mate) aan de kant te zetten in (doorgaans) een individueel geval. Van een dergelijke situatie is hier volgens de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, geen sprake.

Conclusie wat betreft de aanslag

3.23.

Gelet op wat in 3.14 is vermeld, is de aanslag te hoog.

Belastingrente

3.24.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vertraging in de behandeling van zijn dossier aan de inspecteur te wijten is. Hij is daarom van mening dat hij over een deel van de betreffende periode geen belastingrente verschuldigd is.

3.25.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag binnen de aanslagtermijn is opgelegd en dat de belastingrente correct en in overeenstemming met de toepasselijke regels is vastgesteld. De belastingrente dient volgens de inspecteur echter wel verlaagd te worden, omdat hij van mening is dat de aanslag te hoog is.

3.26.

Dat belanghebbende de behandelduur als lang heeft ervaren, betekent niet dat daardoor geen of minder belastingrente verschuldigd is. Nu de aanslag te hoog is, dient de belastingrente in overeenstemming met de vermindering van de aanslag verminderd te worden.

Overschrijding redelijke termijn

3.27.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat als gevolg van de handelwijze van de inspecteur de behandeling van zijn dossier vertraging heeft opgelopen. Daarnaast stelt hij dat zulks in combinatie met zijn medische situatie hem veel stress heeft opgeleverd. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.28.

Dit verzoek moet worden afgewezen. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep tezamen is als uitgangspunt 24 maanden.4 Het bezwaar van belanghebbende is op 23 juli 2020 ontvangen. De uitspraak door de rechtbank wordt gedaan vóór 22 juli 2022. Dat is binnen de daarvoor gestelde termijn van 24 maanden.

4 Conclusie en gevolgen

4.1.

Het beroep is gegrond omdat de aanslag te hoog is. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende opnieuw vastgesteld dient te worden. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.

4.2.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2018 wordt vastgesteld op € 9.379.

4.3.

Omdat het beroep gegrond is moet inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.379 en vermindert de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Nandram, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 11 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier

De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 2.13 lid 2 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021

2 Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107 en Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.

3 Vgl. HR 25 april 2001, nr. 36 029, ECLI:NL:HR:2001:AB1297

4 Hoge Raad van 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3321