Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:3364

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2022
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
AWB- 22_2124 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning en het aanleggen van een uitrit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/2124 WABOA


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2022 in de zaak tussen


[namen verzoekers], uit [woonplaats verzoekers], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghouder] uit [woonplaats vergunninghouder] (vergunninghouder).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning en het aanleggen van een uitrit op het adres [adres perceel] te [plaats perceel].

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, [namen verzoekers] en [naam vertegenwoordiger] namens het college en vergunninghouder.

Beoordeling

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de argumenten die verzoekers hebben aangevoerd de zogenoemde gronden.

Feiten

1. Vergunninghouder heeft op 17 december 2021 een vergunningaanvraag ingediend bij het college voor het bouwen van een nieuwe woning aan [adres perceel] te [plaats perceel]. Op 1 april 2022 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, strijdig gebruik en aanleggen van een uitrit.

Verzoekers wonen aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] en kunnen zich niet verenigen met het bouwplan. Ze hebben een bezwaarschrift ingediend bij het college en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Ontbreken omgevingsdialoog

2.1

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen omdat er geen omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden.

2.2

De voorzieningenrechter is van voorlopige oordeel dat een omgevingsdialoog niet verplicht is. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het een omgevingsdialoog kán verlangen, zoals bij grote afwijkingen van het bestemmingsplan het geval is, maar dat dit geen verplichting is. In dit geval is geen sprake van een grote afwijking. Ook bestaat er geen wettelijke verlichting om een omgevingsdialoog te houden. Het niet voeren van een omgevingsdialoog is dan ook geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter overweegt nog dat verzoekers sinds de ontwerptekeningen van 7 september 2021 betrokken zijn geweest bij het project. Vervolgens hebben verzoekers diverse (telefonische) overleggen gevoerd met de architect van vergunninghouder en de teamleider Omgeving van de gemeente Rucphen. Op 19 januari 2022 heeft een overleg plaatsgevonden, waarbij verzoekers hun bezwaren op het bouwplan hebben toegelicht. De geplande omgevingsdialoog heeft vanwege coronaperikelen niet kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van verzoekers niet.

Toepassing Kruimelregeling

3.1

Het perceel waarop het bouwplan van vergunninghouder is gesitueerd heeft op grond van het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingplan]’ de bestemming ‘Wonen’.

De aanvraag om een omgevingsvergunning is op de volgende punten in strijd met het bestemmingsplan:

- een deel van de voorgevel van de gewenste woning is achter de gevellijn gesitueerd;

- de goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt 6 meter in plaats van 3,5 meter;

- de bouwdiepte van de woning met bijbehorend bouwwerk, gemeten vanaf de gevellijn, bedraagt 15,23 meter in plaats van 15 meter.

Het college heeft een omgevingsvergunning aan derde partij verleend, waarbij hij voor het deel van de voorgevel dat achter de gevellijn is gesitueerd en de overschrijding van de bouwdiepte van de woning ‘binnenplans’ heeft afgeweken. Het bestemmingsplan biedt in artikel 21.3.1 namelijk de mogelijkheid om af te wijken. Voor de overschrijding van de goothoogte heeft het college van het bestemmingsplan afgeweken met gebruikmaking van de zogenoemde kruimelregeling (artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; Bor).

3.2

Niet in geschil is dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheid’ voor wat betreft de situering van de voorgevel achter de gevellijn en de overschrijding van de bouwdiepte van de woning.

3.3

In geschil is of het college voor wat betreft de overschrijding van de toegestane goothoogte van 3,5 meter met toepassing van de kruimelregeling de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

3.3.1

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het college niet van het bestemmingsplan had kunnen afwijken met gebruikmaking van de kruimelregeling, omdat het bouwplan niet kan worden gesplitst in een hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk. Het hoofdgebouw moet namelijk over alle ruimten beschikken om de bestemming te verwezenlijken, aldus verzoekers. Het college heeft onterecht aangenomen dat de eerste verdieping als bijbehorend bouwwerk kan worden gezien, omdat dat ertoe leidt dat het hoofdgebouw slechts bestaat uit een huiskamer met keuken en toilet.

3.3.2

Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor is een hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Een bijbehorend bouwwerk is een uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

3.3.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kunnen de afwijkingen van de maximaal toegestane goothoogte en de overschrijdingen van het bouwvlak als een uitbreiding van het hoofdgebouw worden aangemerkt en dus als een bijbehorend bouwwerk. Zoals is overwogen in onder meer de uitspraak van de AbRS van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1465), bevat artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Bor verder niet de beperking dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, evenmin de beperking bevat dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig te onderscheiden is van de rest van het gebouw. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat het college in redelijkheid de kruimelregeling heeft kunnen toepassen.

Privaatrechtelijke belemmering

4.1

Verzoekers hebben gesteld dat het college de omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen vanwege een privaatrechtelijke belemmering. Hiertoe hebben verzoekers ten eerste aangevoerd dat zij onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zullen ondervinden van het bouwplan. Door het bouwplan zal een drie meter hoge muur op de perceelsgrens worden gerealiseerd, wat ervoor zorgt dat daglicht in het kantoor wordt weggenomen en hun uitzicht (ernstig) zal worden beperkt. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat de privacy in hun kantoor op een ongeoorloofde wijze wordt aangetast doordat op de eerste verdieping ramen worden geplaatst die gericht zijn op het perceel van verzoekers en waardoor inkijk ontstaat. Dit is in strijd met artikel 5:50 van het BW, aldus verzoekers.

4.2

Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 8 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX3966) wordt overwogen dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding is wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

4.3.1

Op grond van artikel 5:37 van het BW mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 van die wet onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.

4.3.2

Met betrekking tot de drie meter hoge muur tegen de perceelsgrens overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het college heeft het gedeelte dat gebouwd wordt buiten het bouwvlak aangemerkt als bijbehorend bouwwerk. Zoals hiervoor is overwogen, is het toegestaan om de overschrijding van het bouwvlak als bijbehorend bouwwerk aan te merken. De goot- en bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk mag op grond van artikel 21.2.2, onder h, van de planregels maximaal 3,50 respectievelijk 6 meter zijn. De planwetgever heeft voor het hoofdgebouw regels gesteld voor de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens. Het bijbehorend bouwwerk wordt hierbij niet meegerekend. Dit betekent dat het bijbehorend bouwwerk in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gerealiseerd tot de perceelsgrens. Verzoekers hebben niet of onvoldoende onderbouwd dat als gevolg van de drie meter hoge muur het daglicht in het kantoor zodanig wordt weggenomen en hun uitzicht zodanig (ernstig) zal worden beperkt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

4.4.1

Op grond van artikel 5:50, eerste lid, van het BW is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

In het derde lid is bepaald dat de in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.

4.4.2

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bouwtekeningen blijkt dat de ramen op de eerste verdieping die uitzicht geven op het perceel van verzoekers, op een afstand van 3,24 meter van de perceelsgrens worden gerealiseerd. Daarnaast heeft derde partij ter zitting desgevraagd toegezegd dat deze ramen worden voorzien van ondoorzichtige folie. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat sprake zal zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.

Werk- en leefklimaat

5.1

Verzoekers hebben betoogd dat hun open uitzicht door het bouwplan zal worden beperkt door de aanwezigheid van de drie meter hoge muur tegen de erfgrens, alsmede door de hoogte van de muur van zes meter die twee meter vanaf de erfgrens wordt gerealiseerd. Daarnaast zullen zij een beklemmend gevoel ervaren. Verzoekers hebben zich dan ook op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig zullen worden aangetast, aangezien hun goed werk- en leefklimaat in aanzienlijke mate verloren zal gaan.

5.2

Zoals uit het voorgaande blijkt, hebben verzoekers niet of onvoldoende onderbouwd dat als gevolg van het bouwplan het daglicht in het kantoor zal worden weggenomen, dat hun uitzicht (ernstig) zal worden beperkt en dat hun privacy vanwege inkijk (ernstig) zal worden geschonden. Ook ten aanzien van het beklemmend gevoel hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat het werk- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat het werk- en leefklimaat van verzoekers onevenredig zal worden aangetast. Bovendien wijst de voorzieningenrechter erop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat er in het algemeen geen blijvend recht bestaat op vrij uitzicht. Het betoog van verzoekers slaagt ook op dit punt dus niet.

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 22 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage – Wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

Bestemmingsplan ‘[naam bestemmingplan]’ (2020)

Artikel 21.1.1 “Bestemming”

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, met per woning de huisvesting van één huishouden;

b. ter plaatse van de aanduiding 'garage': uitsluitend garages als huishoudelijke berg- en werkruimte, voor de berging van niet voor handel en distributie bestemde goederen, en als stalling van voertuigen;

c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - reisbureau' is op de begane grond tevens een reisbureau toegestaan;

d. ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte': tevens een aan huis verbonden beroep;

e. wegen, paden, pleinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.

Artikel 21.2.1 “Hoofdgebouwen”

Hoofdgebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

j. de hoofdgebouwen worden met de voorgevel gebouwd in de (verlengde van de) gevellijn, daar waar een dergelijke lijn is opgenomen. Indien voor een bouwperceel twee gevellijnen zijn bepaald, dient zowel de voor- als de zijgevel hierin te worden gebouwd;

k. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven maat;

n. de breedte van een hoofdgebouw, een aangebouwd bijgebouw, aan- en uitbouw niet meegerekend, bedraagt ter plaatse van de aanduiding:

4. vrijstaand: minimaal 6,00 en maximaal 20,00 meter;

p. de afstand van een hoofdgebouw, een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meegerekend, tot de zijdelingse perceelsgrens, bedraagt ter plaatse van de aanduiding:

4. vrijstaand: minimaal 2,00 meter.

Artikel 21.2.2 “Bijbehorende bouwwerken”

Bijbehorende bouwwerken mogen in het achtererfgebied worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt, overkappingen meegerekend, per bouwperceel maximaal 100 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het oppervlak van het bouwperceel bedraagt;

h. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 respectievelijk 6,00 meter, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - chalet' een maximum goothoogte geldt van 4,50 meter;

k. de diepte van een woning en een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt, te meten vanaf (het verlengde van de) gevellijn, maximaal 15 meter. (…)

Artikel 21.3.1 “Afwijkingen”

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 21.2.1, sub i, voor het oprichten van maximaal 50% van de voorgevel achter de (verlengde van de) gevellijn;

b. lid 21.2.1, sub j, mits deze maat met maximaal 1,00 meter zal worden overschreden;

Artikel 33.1 “Afwijken”

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit plan voor:

a. het afwijken van de in het plan voorgeschreven maatvoering met maximaal 10%;